Beschikking van de kinderrechter over een verlenging OTS + MUHP
Rechtbank Den Haag 31 July 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:19713
Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-07-2026
Datum publicatie
31-07-2026
Zaaknummer
C/09/704768 / JE RK 26-786
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBDHA:2026:19713text/xmlpublic2026-07-31T07:42:492026-07-17Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2026-06-16C/09/704768 / JE RK 26-786UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigBeschikkingNLDen HaagCiviel recht; Personen- en familierechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:19713text/htmlpublic2026-07-31T07:42:182026-07-31Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2026:19713 Rechtbank Den Haag , 16-06-2026 / C/09/704768 / JE RK 26-786 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging OTS + MUHP
RECHTBANK DEN HAAG Team Jeugd- en Zorgrecht Zaaknummer: C/09/704768 / JE RK 26-786
Datum uitspraak: 16 juni 2026 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van Stichting Jeugdbescherming West Haaglanden, gevestigd te Den Haag,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling, over
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. J. Looman uit Wassenaar. 1Het verloop van de procedure1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 6 mei 2026. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
[naam] namens de gecertificeerde instelling; de vader met zijn advocaat. De moeder is niet verschenen. De moeder heeft zich op 10 juni 2026 telefonisch afgemeld voor de zitting. 1.3. De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2De feiten2.1.
[de minderjarige] is erkend door de vader. 2.2. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . 2.3.
[de minderjarige] verblijft in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. 2.4. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 20 juni 2025 [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 20 juni 2026. 2.5. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 17 december 2025 de machtiging verlengd [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 20 juni 2026. 3Het verzoek3.1. De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de gecertificeerde instelling de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen – zo begrijpt de kinderrechter – voor de duur van een jaar. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.2. De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. Bij [de minderjarige] is sprake van extreme gedragsproblematiek. Hierdoor vertoont [de minderjarige] agressief en zelfbepalend gedrag en hebben zich in de thuissituatie herhaaldelijk conflicten voorgedaan tussen [de minderjarige] en de ouders. De spanningen uit het verleden hebben er toe geleid dat het gevoel van veiligheid en stabiliteit is aangepast voor [de minderjarige] . Dit maakt dat het voor haar moeilijk is om toe te komen aan haar ontwikkeling en het is voor de ouders lastig om te voldoen aan de ontwikkelingsbehoeften van [de minderjarige] . Doordat [de minderjarige] een gesloten houding heeft en zij in de afgelopen jaren een muur om zichzelf heen heeft gebouwd, lukt het nauwelijks om het contact met haar aan te gaan en bij haar aan te sluiten. Als gevolg hiervan komt ook de benodigde behandeling niet tot nauwelijks van de grond en heeft [de minderjarige] op dit moment geen dagbesteding. Op korte termijn kan [de minderjarige] echter een instroomtoets maken, waarna het doel is om [de minderjarige] zo snel mogelijk in te laten stromen voor een opleiding die bij haar past. De komende periode dient ook toegewerkt te worden naar het herstellen van de relatie tussen [de minderjarige] en de ouders. Om [de minderjarige] te motiveren de geboden hulp te accepteren en zich zodoende op positieve wijze te kunnen ontwikkelen, is volgens de gecertificeerde instelling een verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk. Ook is een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk. Door de gedragsproblematiek woont [de minderjarige] sinds 2023 niet meer thuis en haar woonperspectief lijkt niet meer thuis te liggen. Door het verblijf van [de minderjarige] op de groep van Jeugdformaat lijkt er meer rust te zijn ontstaan tussen de gezinsleden en kan aan haar zelfstandigheid gewerkt worden. 4De standpunten4.1. Door en namens de vader is geen verweer gevoerd tegen het verzoek. Volgens de vader zijn er in de afgelopen periode kleine, maar goede stappen gezet en is er positieve verandering zichtbaar in het gedrag van [de minderjarige] . Ook het contact met [de minderjarige] is verbeterd. De vader benadrukt het belang dat in de komende periode passende dagbesteding gevonden wordt voor [de minderjarige] . Daarbij is het volgens de vader belangrijk dat er niet te veel druk op [de minderjarige] wordt gelegd, maar ook dat [de minderjarige] inzet toont. Hoewel de vader het verdrietig vindt dat [de minderjarige] al voor langere tijd op de groep van Jeugdformaat verblijft, is dit wel een passende plek voor haar en kan zij op dit moment niet bij hem of de moeder wonen. 5De beoordeling5.1. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom. 5.2.
[de minderjarige] wordt nog steeds ernstig in haar ontwikkeling bedreigd. De gedragsproblematiek van [de minderjarige] heeft ertoe geleid dat tussen [de minderjarige] en de ouders een conflictueuze relatie is ontstaan en het contact tussen hen verstoord is geraakt. Ook gaat [de minderjarige] sinds langere tijd niet meer naar school en op dit moment heeft zij ook nog steeds geen passende dagbesteding, waardoor [de minderjarige] in haar ontwikkeling lijkt stil te staan. De benodigde hulpverlening is niet of onvoldoende van de grond is gekomen omdat [de minderjarige] hiervoor niet (blijvend) gemotiveerd lijkt te zijn. De kinderrechter vindt het dan ook belangrijk dat ingezet wordt op het motiveren van [de minderjarige] om de benodigde hulpverlening aan te gaan en tot een passende dagbesteding te komen. Om dit structureel vol te houden is het belangrijk dat voor [de minderjarige] een dagbesteding wordt gevonden die zij leuk vindt, zoals haar dit ook lukt met de turnlessen die zij wekelijks met plezier geeft. Tegen deze achtergrond is positief dat [de minderjarige] een goede band heeft met de betrokken hulpverlener vanuit Jongerenpunt 070 en dat een passende vorm van onderwijs voor [de minderjarige] lijkt te zijn gevonden. In het gesprek dat de kinderrechter met [de minderjarige] heeft gevoerd, heeft [de minderjarige] aangegeven dat zij na het maken van een capaciteitentest door kan stromen naar een pedagogische opleiding. De kinderrechter spreekt de hoop uit dat [de minderjarige] hier zo snel mogelijk mee kan starten, zodat [de minderjarige] meer structuur heeft en er hierdoor bij haar mogelijk ook ruimte ontstaat om de hulpverlening aan te gaan. Ook is positief dat op de zitting door de vader is aangegeven dat in de afgelopen periode een voorzichtig positieve ontwikkeling zichtbaar is in het gedrag van [de minderjarige] en dat er inmiddels sprake is van onbegeleid contact tussen de vader en [de minderjarige] . De komende periode dient deze positieve ontwikkeling versterkt te worden, waarbij ook aandacht dient uit te gaan naar het contact tussen [de minderjarige] en de moeder. De betrokkenheid van een jeugdbeschermer blijft daarom noodzakelijk. Een jeugdbeschermer kan zicht houden op de ontwikkeling van [de minderjarige] en regie voeren op de (nog in te zetten) hulpverlening. De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengen voor de verzochte duur. 5.3. Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. Door de gedragsproblematiek van [de minderjarige] kan zij op dit moment niet bij één van de ouders wonen. Sinds drie jaar woont zij op een groep van Jeugdformaat en hier wordt aan [de minderjarige] de rust en structuur geboden die zij nodig heeft. Alle betrokkenen zijn het erover eens dat dit een passende plek is voor [de minderjarige] . De kinderrechter is daarom van oordeel dat het verblijf van [de minderjarige] bij Jeugdformaat ook in de komende periode moet worden voortgezet. 5.4. De beslissing tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. 5.5. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 6De beslissing De kinderrechter: 6.1. verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot 20 juni 2027; 6.2. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 20 juni 2027; 6.3. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026 door mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter, in aanwezigheid van L. van der Gaag als griffier, en op schrift gesteld op 22 juni 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen. Artikel 1:260 BW. Artikel 1:265c, tweede lid, BW. Artikel 2 Besluit gezagsregisters.