Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2026:19760

Beroep tegen vrijheidontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000, beroep ongegrond. Gronden met betrekking tot het migratiepact – lichter middel – verblijf in Justitieel Complex Schiphol – Hoorplicht – Toepassing grensprocedure – voortduring maatregel na opheffingsbesluit.

Rechtbank Den Haag 31 July 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:19760 text/xml public 2026-07-31T10:27:21 2026-07-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-07-03 NL26.33138 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:19760 text/html public 2026-07-31T10:26:55 2026-07-31 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:19760 Rechtbank Den Haag , 03-07-2026 / NL26.33138
Beroep tegen vrijheidontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000, beroep ongegrond. Gronden met betrekking tot het migratiepact – lichter middel – verblijf in Justitieel Complex Schiphol – Hoorplicht – Toepassing grensprocedure – voortduring maatregel na opheffingsbesluit.
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.33138
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. M.M.G. Crompvoets),

en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. A. van Midden).
Procesverloop
Bij besluit van 10 juni 2026 (het bestreden besluit) is aan eiseres met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Partijen hebben toestemming gegeven om de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiseres heeft op 23 juni 2026 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hierop op 25 juni 2026 gereageerd. De rechtbank heeft het onderzoek op 29 juni 2026 gesloten.
Overwegingen
1. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.

2. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.

3. Omdat de maatregel is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiseres schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiseres een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

4. Eiseres voert allereerst aan dat de wettelijke bewaringsgrond ontbreekt. Ten tweede heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom geen lichter middel kon worden toegepast. Ten derde moest eiseres in strijd met de werkafspraken verblijven in het Justitieel Complex Schiphol in plaats van Detentiecentrum Zeist. Ten vierde heeft verweerder niet gemotiveerd of de bewaring voor eiseres strikt noodzakelijk is. Ten vijfde betoogt eiseres dat de grondslag voor detentie is vervallen omdat de grensprocedure niet op haar van toepassing was. Ten zesde had verweerder gelet op de kwetsbaarheid van eiseres een beoordeling moeten maken van haar bijzondere procedurele behoeften. Ten zevende is de maatregel in strijd met de Screeningsverordening, omdat er geen screening heeft plaatsgevonden dan wel sprake is van overschrijding van de screeningstermijn. Ten achtste heeft verweerder het hoorrecht van eiseres geschonden. Ten slotte heeft de maatregel ten onrechte voortgeduurd na het opheffingsbesluit. Daarom verzoekt eiseres om een schadevergoeding.

5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.

Gronden met betrekking tot het migratiepact

6. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de gronden van eiseres die gebaseerd zijn op het migratiepact, zoals de gronden over de Opvangrichtlijn, de Screeningsverordening en de Asielprocedureverordening, niet slagen. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat de wijzigingen als gevolg van het migratiepact niet van toepassing zijn op eiser, omdat de maatregel op 10 juni 2026 is opgelegd en de wijzingen van toepassing zijn op maatregelen die zijn opgelegd vanaf 12 juni 2026.

Lichter middel

7. De rechtbank stelt vast dat eiseres op 10 juni 2026 een asielaanvraag aan de grens heeft ingediend, terwijl zij niet aan de voorwaarden voor toegang tot Nederland voldeed. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat hiermee aan de voorwaarden voor toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw wordt voldaan. Daarnaast heeft de Afdeling ook geoordeeld dat het grensbewakingsbelang in beginsel steeds het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel vereist, omdat een minder dwingende maatregel tot gevolg heeft dat toegang tot Nederland wordt verkregen. Hiervan wordt slechts in bijzondere gevallen afgeweken.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank maken de omstandigheden van eiseres, ook in samenhang bezien, echter niet dat er sprake is van een zodanig bijzonder geval dat haar belang zwaarder weegt dan het grensbewakingsbelang. Hierbij heeft verweerder kunnen wijzen op dat hoewel eiseres zwanger is, zij in Detentiecentrum Zeist verbleef waar zij toegang had tot de benodigde zorg.

Verblijf in Justitieel Complex Schiphol

8. De rechtbank is het niet eens met eiseres dat haar verblijf in het Justitieel Complex Schiphol in strijd was met de geldende werkafspraken. Verweerder heeft er namelijk terecht op gewezen dat de werkafspraak is dat zwangere vrouwen alleen tussen 08:00 uur en 17:00 uur naar het Detentiecentrum Zeist worden vervoerd en dat zij buiten die tijden de volgende dag naar het Detentiecentrum Zeist gaan. Eiseres heeft slechts een nacht op Justitieel Complex Schiphol verbleven en is in overeenstemming met de werkafspraken de volgende dag naar Detentiecentrum Zeist gebracht.

Hoorplicht

9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het recht van eiseres om gehoord te worden niet heeft geschonden. Zoals verweerder heeft benadrukt is eiseres tijdens het gehoor in de gelegenheid gesteld om te verklaren. Dat haar echtgenoot (voornamelijk) het woord heeft gevoerd namens haar tijdens het gehoor, maakt dit niet anders. Bovendien heeft eiseres niet aangevoerd wat zij tijdens het gehoor verder naar voren had willen brengen. Tijdens het gehoor is de medische situatie van de zwangerschap eiseres naar voren gekomen en zoals eerder overwogen heeft verweerder hiermee rekening gehouden door haar in het Detentiecentrum Zeist te plaatsen.

Toepassing grensprocedure

10. De rechtbank is het niet eens met eiseres dat de grondslag voor detentie met terugwerkende kracht is vervallen omdat de vrijheidsontnemende maatregel is opgeheven vanwege het feit dat de zaak van eiseres zich niet leent voor de grensprocedure. Verweerder hoeft bij toepassing van de grensprocedure niet al bij het opleggen van de maatregel een pré-toets te verrichten naar de inwilligbaarheid van het asielverzoek. Daarnaast moet verweerder een redelijke termijn worden gegeven om onderzoek te verrichten naar het asielverzoek van de vreemdeling en naar de vraag of dit verzoek zich leent voor afdoening in de grensprocedure. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding om te concluderen dat op een eerder moment al duidelijk moest zijn dat de asielaanvraag van eiseres zich niet leende voor de grensprocedure en dat de maatregel eerder dan 21 juni 2026 opgeheven had moeten worden.

Voortduring maatregel na opheffingsbesluit

11. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat de maatregel ten onrechte heeft voortgeduurd na het opheffingsbesluit omdat de maatregel op 21 juni 2026 is opgeheven en eiseres pas op 22 juni 2026 in vrijheid is gesteld. Eiseres heeft namelijk op 21 juni 2026 getekend voor een vrijwillig verblijf van een nacht op Detentiecentrum Zeist.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het verzoek om een schadevergoeding wordt afgewezen.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.F. Elzenaar, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Als de rechtbank in deze uitspraak verwijst naar een artikel uit de Vreemdelingenwet 2000 verwijst zij naar het artikel zoals dat luidde tot 12 juni 2026.

Als de rechtbank in deze uitspraak verwijst naar een artikel uit de Vreemdelingenbesluit 2000 verwijst zij naar het artikel zoals dat luidde tot 12 juni 2026.

In strijd met artikel 10, vierde lid, van de Richtlijn (EU) 2024/1346 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (de Opvangrichtlijn).

In strijd met artikel 11 lid 1 van de Opvangrichtlijn.

In strijd met artikel 22 van Verordening (EU) 2024/1348 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 tot vaststelling van een gemeenschappelijke procedure voor internationale bescherming in de Unie en tot intrekking van Richtlijn 2013/32/EU (de Asielprocedureverordening).

Op grond van artikel 20 van de Asielprocedureverordening.

Verordening (EU) 2024/1356 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 tot invoering van de screening van onderdanen van derde landen aan de buitengrenzen en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 767/2008, (EU) 2017/2226, (EU) 2018/1240 en (EU) 2019/817.

In strijd met artikel 22 van de Asielprocedureverordening.

Dit volgt uit artikel IX, derde lid, van de Uitvoerings- en Implementatiewet Asiel- en Migratiepact 2026.

Zie de uitspraken van de Afdeling van 3 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1451 en 1452.

Zie de uitspraak van de Afdeling van 22 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6799.

Artikel delen