Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2026:19828

Gezagsuitoefening. Vervangende toestemming vakantie verleend. Er is geen sprake van een directe doorkruising van het contactherstel met de moeder door de vakantie.

Rechtbank Den Haag 3 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:19828 text/xml public 2026-08-03T10:56:12 2026-07-18 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-06-17 C/09/705282 / FA RK 26-4898 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Beschikking NL Den Haag Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:19828 text/html public 2026-08-03T10:55:57 2026-08-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:19828 Rechtbank Den Haag , 17-06-2026 / C/09/705282 / FA RK 26-4898
Gezagsuitoefening. Vervangende toestemming vakantie verleend. Er is geen sprake van een directe doorkruising van het contactherstel met de moeder door de vakantie.

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 26-4898

Zaaknummer: C/09/705282

Datum beschikking: 17 juni 2026
Gezagsuitoefening
Beschikking op het op 31 maart 2026 ingekomen verzoek van:
[de vader] ,
de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. J.G. Schnoor te Den Haag.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. J.B. Peters te Zoetermeer.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

het verzoekschrift;

het verweerschrift;

de brief van 11 mei 2026 van de advocaat van de vader, met bijlage;

de brief van 29 mei 2026 van de advocaat van de moeder, met bijlage.

Gelet op de inhoud van de stukken heeft de rechtbank aanleiding gezien om de zaak zonder mondelinge behandeling op de stukken af te doen. Beide partijen hebben daarmee ingestemd.
Feiten
- De vader en de moeder zijn met elkaar gehuwd geweest van [dag 1] 2008 tot [dag 2] 2023.

- Zij zijn de ouders van [minderjarige] .

- De vader en de moeder oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.

- Bij beschikking van 27 februari 2026 van de kinderrechter van deze rechtbank is – voor zover hier van belang –:

- [minderjarige] van 27 februari 2026 tot 27 februari 2027 onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden;

- Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden gemachtigd om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een netwerkpleeggezin van 27 februari 2026 tot 27 augustus 2026.
Verzoek en verweer
De vader heeft verzocht:

- toestemming aan de tante vaderszijde, mevrouw [naam] , te verlenen om met [minderjarige] in de periode van 30 juli tot en met 24 augustus 2026 op vakantie te gaan naar Spanje, welke toestemming de toestemming van moeder vervangt;

een en ander uitvoerbaar bij voorraad.

De moeder heeft verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, een en ander kosten rechtens.
Beoordeling
Vervangende toestemming vakantie

Juridisch kader

Op grond van het eerste lid van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

Standpunt vader

De vader heeft verzocht om vervangende toestemming te verlenen voor een vakantie van [minderjarige] naar Spanje met haar tante. De vader is van mening dat [minderjarige] in een moeilijke fase verkeert. [minderjarige] heeft aangegeven dat zij dit jaar weer met het gezin van de tante op vakantie wil gaan en dat zij naar deze vakantie uitkijkt. De vakantie is dan ook in het belang van [minderjarige] zodat zij weer enigszins op adem kan komen. Vorig jaar is de vakantie van [minderjarige] met de tante ook zonder problemen verlopen. Bovendien heeft de vader erop gewezen dat er momenteel geen contact is tussen [minderjarige] en de moeder en de geplande vakantie dus niet een eventuele contactregeling met de moeder doorkruist. Verder heeft de vader betwist dat [minderjarige] bij hem zou verblijven. Hiertoe heeft de vader een overzicht overgelegd van de door [minderjarige] gemaakte reizen met het openbaar vervoer, waaruit volgens hem blijkt dat zij veelvuldig vanuit [plaats 1] naar school reist.

Standpunt moeder

De moeder heeft zich verzet tegen het verzoek. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat [minderjarige] feitelijk niet bij de tante verblijft, maar bij de vader. Hiertoe heeft de moeder aangevoerd dat uit afschrijvingen van de rekening van [minderjarige] blijkt dat haar uitgaven worden gedaan in [plaats 2] , de woonplaats van de vader. Daarbij heeft de tante na de beschikking van 27 februari 2026 voor vier weken niet in Nederland verbleven. Omdat [minderjarige] toen niet bij de moeder verbleef, is evident dat zij in die periode bij de vader heeft verbleven. De moeder is daarom van mening dat toewijzing van het verzoek van de vader een situatie in stand zal laten die niet door de rechtbank is bepaald en die niet in het belang van [minderjarige] is. De rechtbank heeft het immers in het belang van [minderjarige] geacht dat zij bij de tante verblijft en [minderjarige] bij de tante uit huis geplaatst. Ook vreest de moeder dat de vervangende toestemming door de vader zal worden gebruikt om zelf met [minderjarige] op vakantie te gaan. Verder heeft de moeder aangegeven dat de vakantie in Spanje het traject van contactherstel doorkruist. De moeder maakt zich zorgen dat niet wordt ingezet op contactherstel tussen haar en [minderjarige] en informatievoorziening aan de moeder. De vakantie naar Spanje brengt mee dat er wekenlang geen contact zal zijn met de moeder en geen zicht zal zijn op het werken aan belangrijke doelen voor [minderjarige] .

Overwegingen rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat in deze beslissing alleen geoordeeld wordt over de vakantie van [minderjarige] . De vraag die door de rechtbank moet worden beantwoord is of het in het belang van [minderjarige] wenselijk is dat de rechter vervangende toestemming geeft voor een vakantie van [minderjarige] met haar tante in Spanje. De door de moeder geuite twijfels over de vraag of [minderjarige] in Nederland daadwerkelijk bij haar tante verblijft spelen bij die beoordeling geen rol.

De moeder heeft ook aangevoerd dat de vakantie het traject van contactherstel tussen [minderjarige] en haar moeder doorkruist. In dat kader acht de rechtbank van belang dat in de beschikking van 9 maart 2026 geen zorgregeling tussen [minderjarige] en haar moeder is vastgelegd. Geoordeeld is dat [minderjarige] de gelegenheid moet worden gegeven eerst met hulpverlening de gebeurtenissen te verwerken. Overwogen is dat er in het kader van de ondertoezichtstelling verder onderzocht moet worden wat er nodig is voor contactherstel en dat daar, zodra [minderjarige] aangeeft daarvoor open te staan, verder op moet worden ingezet. Het voorgaande betekent dat er op dit moment nog geen contact is tussen [minderjarige] en haar moeder. De vakantie van [minderjarige] zal mogelijk wel betekenen dat het hulpverleningstraject gedurende enkele weken wat meer op de achtergrond komt te staan. Hoewel invoelbaar is dat de moeder [minderjarige] dit als vertraging ziet en dat het wachten veel van haar vergt, is van een directe doorkruising van het contactherstel met de moeder door de vakantie aldus geen sprake.

Wel van belang is dat [minderjarige] graag met haar tante op vakantie gaat naar Spanje en dat zij behoefte heeft aan de ontspanning die een dergelijke vakantie met zich mee brengt. De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] dat zij – net als vorig jaar – met haar tante op vakantie kan gaan. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat [minderjarige] , zoals de moeder stelt, in plaats van met haar tante, met haar vader op vakantie zal gaan. Daarop ziet het verzoek tot vervangende toestemming ook niet. Daarom zal de rechtbank het verzoek van de vader tot vervangende toestemming voor een vakantie van [minderjarige] naar Spanje van 30 juli 2026 tot 24 augustus 2026 toewijzen.

Verder heeft de vader ook verzocht om vervangende toestemming te verlenen voor een vakantie van [minderjarige] naar Spanje in 2027, om te voorkomen dat volgend jaar wederom een procedure voor vervangende toestemming gestart zal moeten worden. De rechtbank is het met de vader eens dat [minderjarige] in beginsel met haar tante op vakantie zou moeten kunnen gaan. Op dit moment is evenwel nog niet te voorzien in welke situatie [minderjarige] zich in de zomer van 2027 zal vinden. De rechtbank kan daarom niet nu al beslissen over die vakantie. . De rechtbank zal dit deel van het verzoek van de vader dan ook afwijzen.

Proceskosten

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank:

verleent toestemming aan de tante vaderszijde, die de toestemming van de moeder vervangt, om met [minderjarige] in de periode van 30 juli 2026 tot en met 24 augustus 2026 op vakantie te gaan naar Spanje;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A. Emmens, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.X.R. Yi als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 17 juni 2026.

Artikel delen