Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, informatieregeling en kinderalimentatie. Zorgregeling met jongste kind vindt plaats in de woning van de vrouw; man heeft geen eigen woning en kind heeft zorgbehoefte.
Rechtbank Den Haag 5 August 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:19840
Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-07-2026
Datum publicatie
05-08-2026
Zaaknummer
C/09/688127 / FA RK 25-5140
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBDHA:2026:19840text/xmlpublic2026-08-05T10:51:302026-07-18Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2026-06-17C/09/688127 / FA RK 25-5140UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigBeschikkingNLDen HaagCiviel recht; Personen- en familierechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:19840text/htmlpublic2026-08-05T10:51:112026-08-05Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2026:19840 Rechtbank Den Haag , 17-06-2026 / C/09/688127 / FA RK 25-5140 Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, informatieregeling en kinderalimentatie. Zorgregeling met jongste kind vindt plaats in de woning van de vrouw; man heeft geen eigen woning en kind heeft zorgbehoefte.
Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige kamer Rekestnummer: FA RK 25-5140
Zaaknummer: C/09/688127
Datum beschikking: 17 juni 2026 Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, informatieregeling en kinderalimentatie Beschikking op het op 4 juli 2025 ingekomen verzoek van:
[de vrouw] , de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. G. Koyak te Den Haag. Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man] , de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. K.R.E. Blanken te Utrecht. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken waaronder:
- het verzoekschrift;
- het F9-formulier van 15 juli 2025 van de advocaat van de vrouw, met bijlagen;
- het F9-formulier van 28 juli 2025 van de advocaat van de vrouw, met bijlage;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;
- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;
- het F9-formulier van 7 mei 2026 van de advocaat van de vrouw, met bijlagen;
- het F9-formulier van 18 mei 2026 van de advocaat van de man, met bijlage.
[minderjarige 1] heeft zich schriftelijk uitgelaten over het verzoek. [minderjarige 2] is in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het verzoek. Op 20 mei 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- [naam] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad). Feiten - Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2012 tot [datum 2] 2023.
- Zij zijn de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen: - [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats 1] , hierna: [minderjarige 1] ;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2017 te [geboorteplaats 2] , hierna: [minderjarige 2] .
- De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw.
- Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen.
- Bij beschikking van 18 juli 2018 van deze rechtbank is – voor zover hier van belang –: - de scheiding van tafel en bed tussen partijen uitgesproken;
- bepaald dat het aangehechte convenant en ouderschapsplan deel uitmaken van de beschikking.
- In het ouderschapsplan van 23 mei 2018 staat – voor zover hier van belang – het volgende: - de man komt de kinderen iedere woensdag na schooltijd bij de vrouw thuis bezoeken;
- de kinderen verblijven één weekend per veertien dagen bij de man in [plaats] van vrijdagmiddag na schooltijd tot de daaropvolgende zondagavond;
- de vakanties worden in onderling overleg bij helfte verdeeld; in december zullen de ouders aangeven welke weken zij in het komende jaar de kinderen tijdens de (school)vakanties bij zich willen hebben; de vrouw heeft in december 2018 de eerste keuze voor het jaar 2019; de man heeft het jaar daarop de eerste keuze, etc.;
- Bij beschikking van 27 december 2022 van deze rechtbank is – voor zover hier van belang –: - de ontbinding van het huwelijk van partijen uitgesproken;
- bepaald dat de man € 125,00 per maand per kind dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot ontbinding van het huwelijk in de registers van de burgerlijke stand.
- Als gevolg van de wijziging van rechtswege op grond van artikel 1:402a van het Burgerlijk Wetboek (BW) bedraagt de door de man te betalen kinderalimentatie sinds 1 januari 2026 € 152,90. Verzoek en verweer De vrouw heeft – na aanvulling en wijziging – verzocht:
- de zorgregeling ten behoeve van [minderjarige 2] zoals neergelegd in het ouderschapsplan,
welk een onderdeel is van de beschikking scheiding van tafel en bed van deze rechtbank, te wijzigen in die zin dat [minderjarige 2] en zijn vader omgang met elkaar hebben: iedere woensdag van 14.00 uur tot 18.00 uur en iedere zondag van 13.00 uur tot 18.00 uur in de woning van de vrouw;
- te bepalen dat de man met [minderjarige 1] tot het moment dat hij over een zelfstandige woning beschikt om het weekend op de zaterdag en zondag van bijvoorbeeld 12.00 uur tot 18.00 uur omgang heeft, welk tijdstip tussen [minderjarige 1] en de man nader kan worden afgestemd;
- te bepalen dat de reguliere zorgregeling voor [minderjarige 2] , zoals verzocht door de vrouw
onder punt II (de rechtbank begrijpt: punt III) van het verzoekschrift van 4 juli 2025, wordt voortgezet tijdens de vakanties;
- te bepalen dat de man, vanaf het moment dat hij over een zelfstandige woning
beschikt, de zorgregeling zoals neergelegd in het ouderschapsplan, welk een onderdeel is van de beschikking scheiding van tafel en bed van deze rechtbank, ten behoeve van [minderjarige 1] dient na te komen;
- te bepalen dat [minderjarige 1] zelf in onderling overleg met de man bepaalt op welke
dagen/tijden zij omgang wenst gedurende de vakanties;
- te bepalen dat de man een dwangsom van € 200,00 verbeurt voor iedere keer dat hij
voormelde zorgregeling ten behoeve van [minderjarige 1] niet nakomt, tot een maximum van € 10.000,00;
- te bepalen dat de in de beschikking van 27 december 2022 van deze rechtbank met zaak- en rekestnummer C/09/637987 / FA RK 22-7609 overeengekomen dan wel vastgestelde kinderalimentatie wordt gewijzigd, in die zin dat primair met ingang van 1 mei 2025 en subsidiair met ingang van 4 juli 2025, de man aan de vrouw zal betalen een bedrag van € 175,00 per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad. De man heeft verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Bovendien heeft de man zelfstandig verzocht:
- te bepalen dat de kinderen bij de man zullen verblijven zolang hij geen zelfstandige
woonruimte heeft, eenmaal in het weekend op de zondag van 10.00 uur tot en met 19.00 uur, tevens een doordeweekse dag nader in onderling overleg te bepalen, tevens gedurende de helft van de vakanties en de feestdagen tussen partijen in onderling overleg nader te bepalen. Vanaf het moment dat de man een eigen woning heeft, verzoekt hij om een zorgregeling inhoudende dat de kinderen bij hem zullen verblijven een weekend in de twee weken van vrijdagavond tot zondagavond, tevens gedurende de helft van de vakanties en de feestdagen in onderling overleg nader te bepalen;
- te bepalen dat de vrouw de man iedere maand op de eerste en de vijftiende van de
maand zal informeren per mail over de ontwikkelingen van de kinderen onder verbeurte van een dwangsom van € 250,- voor iedere keer dat de vrouw nalaat de man te informeren;
- te bepalen dat de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de
kinderen zal voldoen ten bedrage van € 102,- per kind per maand met ingang van de datum van de beschikking, althans op een zodanig bedrag te stellen en met ingang van een zodanige ingangsdatum zoals de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
- een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad. De vrouw heeft verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Beoordeling Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Juridisch kader
Aangezien de ouders gezamenlijk belast zijn met het ouderlijk gezag over de kinderen is artikel 1:253a BW van toepassing op het verzoek tot wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling). Uit het vierde lid van artikel 1:253a BW volgt dat artikel 1:377e BW van overeenkomstige toepassing is, zodat de rechtbank op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de omgang alsmede een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling kan wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechtbank heeft, gelet op het vijfde lid van artikel 1:253a BW, een vergelijk tussen de ouders beproefd. Volledige overeenstemming is tijdens de zitting niet bereikt. De rechtbank neemt daarom een zodanige beslissing als haar in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt. Ontvankelijkheid
De vrouw heeft aangevoerd dat [minderjarige 2] sinds april 2024 persoonlijke begeleiding en autismecoaching krijgt op de dinsdag en/of donderdag en vrijdag. [minderjarige 2] zal binnenkort begeleid worden door een andere coach, waardoor de dagen waarop hij begeleiding en coaching krijgt zullen veranderen. Inmiddels wordt [minderjarige 2] op dinsdag of donderdag begeleid. Volgens de vrouw is dan ook sprake van een wijziging van omstandigheden die dient te leiden tot wijziging van de zorgregeling. De man heeft niet betwist dat sprake is van een wijziging van omstandigheden. Ook heeft de man zelfstandige verzoeken gedaan tot wijziging van de zorgregeling, omdat hij van mening is dat de huidige zorgregeling niet langer werkbaar en passend is. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank beide partijen ontvangen in hun verzoeken. Standpunt vrouw
De vrouw heeft ten aanzien van [minderjarige 2] verzocht de zorgregeling te wijzigen, in die zin dat de man iedere woensdag van 14.00 uur tot 18.00 uur en iedere zondag van 13.00 uur tot 18.00 uur omgang heeft met [minderjarige 2] in de woning van de vrouw, en te bepalen dat deze reguliere zorgregeling doorloopt tijdens de vakanties. De vrouw heeft voor [minderjarige 1] verzocht de zorgregeling te wijzigen, in die zin dat de man tot het moment dat hij over een zelfstandige woning beschikt om het weekend op de zaterdag en zondag van bijvoorbeeld 12.00 uur tot 18.00 uur omgang met haar heeft, waarbij de tijdstippen tussen de man en [minderjarige 1] nader kunnen worden afgestemd. De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de zorgregeling tussen de man en [minderjarige 1] , zoals opgenomen in het ouderschapsplan van 23 mei 2018, weer herleeft zodra de man een zelfstandige woning heeft. Daarbij heeft de vrouw verzocht te bepalen dat de man en [minderjarige 1] in onderling overleg afstemmen wanneer zij omgang hebben gedurende de vakanties. De vrouw heeft aangegeven dat zij bij haar verzoek met betrekking tot [minderjarige 2] rekening heeft gehouden met de dagen van de begeleiding en coaching die hij doordeweeks krijgt, momenteel op dinsdag of donderdag. Het is namelijk voor [minderjarige 2] te belastend om op dezelfde dag ook nog omgang met zijn vader te hebben. Ook kan de vrouw de man op deze dagen ondersteunen tijdens de omgang met [minderjarige 2] . De vrouw heeft aangevoerd dat het voor [minderjarige 2] belangrijk is dat zijn dagen een strak en voorspelbaar ritme volgen. De vrouw maakt zich zorgen dat de man de zorg voor [minderjarige 2] niet aankan zonder toezicht van de vrouw. Bovendien heeft de vrouw aangegeven dat [minderjarige 2] nooit eerder bij de man heeft overnacht. Het is dan ook te vroeg voor [minderjarige 2] om de helft van de vakanties bij de man te verblijven, met overnachtingen, zoals de man voorstaat. Verder vindt de vrouw eenzelfde regeling voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] niet realistisch. De vrouw heeft voor [minderjarige 1] een andere regeling verzocht om te voorkomen dat zij onvoldoende aandacht krijgt tijdens de omgangsmomenten. Standpunt man
De man heeft zich verzet tegen de verzoeken. Hij heeft verzocht te bepalen dat de kinderen op zondag van 10.00 uur tot 19.00 uur bij hem verblijven en een doordeweekse dag en de helft van de vakanties en feestdagen nader in onderling overleg te bepalen, zolang hij geen zelfstandige woonruimte heeft. Zodra hij een eigen woning heeft, staat hij een zorgregeling voor waarbij de kinderen om de week een weekend van vrijdagavond tot zondagavond bij hem verblijven en gedurende de helft van de vakanties en feestdagen in onderling overleg nader te bepalen. De man heeft zich op het standpunt gesteld dat het niet noodzakelijk is dat de omgang met de kinderen plaatsvindt in de woning van de vrouw. Op dit moment ziet hij [minderjarige 1] ook al buiten de woning. De man heeft aangegeven dat hij graag meer betrokken wil zijn bij de opvoeding van [minderjarige 2] . De vrouw geeft de man echter geen ruimte om zelfstandig met [minderjarige 2] om te gaan. De man heeft voorgesteld dat de vrouw enkele uren aanwezig is tijdens de omgang met [minderjarige 2] en dat de man de rest van het omgangsmoment alleen met [minderjarige 2] doorbrengt. Inhoudelijke beoordeling
Ten aanzien van [minderjarige 1] overweegt de rechtbank als volgt. Op de zitting is gebleken dat de man en [minderjarige 1] momenteel in onderling overleg omgang met elkaar hebben op de momenten dat het hen beiden goed uitkomt. De vrouw heeft op de zitting verzocht om deze regeling vast te leggen. De man heeft hiermee ingestemd. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen, nu niet is gebleken dat het belang van [minderjarige 1] zich hiertegen verzet. Met betrekking tot [minderjarige 2] overweegt de rechtbank als volgt. [minderjarige 2] vraagt aanzienlijk meer van een opvoeder dan andere kinderen. Uit het door de vrouw overgelegde verslag van Rondomjou is gebleken dat [minderjarige 2] autisme heeft, waardoor hij moeite heeft met veranderingen en snel overprikkeld raakt. Ook heeft [minderjarige 2] een beperkt eetpatroon, wat gevolgen heeft voor zijn gezondheid. Rondomjou geeft aan dat de hulp van de pedagogisch coach vanuit het buurtteam niet voldoende is en er intensievere hulpverlening moet worden ingezet, waarbij Rondomjou denkt aan Intensieve Ambulante Gezinsbehandeling vanuit Ipse de Bruggen. De man heeft aangegeven dat hij een cursus heeft gevolgd over hoe om te gaan met kinderen met autisme. Gebleken is dat de man sinds ongeveer twee maanden op dinsdag omgang heeft met [minderjarige 2] in de woning van de vrouw, waarbij de vrouw niet aanwezig is. De man heeft toegelicht dat hij op de andere dagen van de week omgang heeft met zijn andere kinderen en dat hij daarom doordeweeks alleen op dinsdag omgang kan hebben met [minderjarige 2] . De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige 2] dat hij regelmatig omgang heeft met zijn vader. Het is ook van belang dat er een gestructureerde regeling komt die de man in staat is na te komen. Alleen dat zorgt voor de structuur die [minderjarige 2] zo hard nodig heeft. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat er op dinsdag omgang zal zijn tussen [minderjarige 2] en zijn vader in de woning van de moeder zoals dat nu ook al plaatsvindt. Dat doet de rechtbank omdat [minderjarige 2] inmiddels sinds enige tijd al omgang met zijn vader heeft op dinsdag. Dit loopt goed en kan door de vader worden nagekomen. Ook zal de rechtbank bepalen dat partijen de tijdstippen van de omgang in onderling overleg met elkaar afspreken, nu zij dit momenteel ook al onderling afstemmen. De rechtbank gaat er daarbij van uit dat de omgang in ieder geval start nadat de man klaar is met werken en duurt tot [minderjarige 2] naar bed gaat. De rechtbank ziet geen aanleiding om te bepalen dat de omgang alleen onder toezicht van de vrouw plaatsvindt. De rechtbank heeft namelijk geen zorgen over de veiligheid van [minderjarige 2] als hij bij de man is of over de opvoedvaardigheden van de man. Bovendien zijn [minderjarige 2] en zijn vader nu ook al met zijn tweeën op de dinsdagen als de moeder naar de kerk gaat. De rechtbank merkt op dat de man een ruimere zorgregeling heeft verzocht. De rechtbank is van oordeel dat dit op dit moment nog niet in het belang is van [minderjarige 2] , gelet op de problematiek die bij hem speelt en aangezien de omgang tussen hem en zijn vader pas weer recent is opgestart. Hoewel het op termijn vermoedelijk goed voor [minderjarige 2] is om zijn vader vaker te zien, moet er ook voor worden gewaakt dat [minderjarige 2] hierin niet overvraagd wordt. Bovendien heeft de man momenteel geen eigen woning en verblijft hij bij een kennis. De rechtbank zal niet vooruitlopen op de toekomstige omstandigheid dat de man een eigen woning heeft. Zodra de man beschikt over een woning, zal moeten worden bezien of uitbreiding van de zorgregeling dan wel overnachtingen bij de man in het belang van [minderjarige 2] is. Gelet hierop zal de rechtbank geen vakantieregeling vaststellen en bepalen dat de reguliere zorgregeling doorloopt tijdens de vakanties. Nu de ouders ten aanzien van de zorgregeling voor [minderjarige 1] tot overeenstemming zijn gekomen, ziet de rechtbank geen aanleiding tot oplegging van een dwangsom. De rechtbank zal dit verzoek daarom afwijzen. De rechtbank zal de zorgregeling voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vaststellen als na te melden. Het meer of anders verzochte zal de rechtbank afwijzen. Informatieregeling
Juridisch kader
Op grond van artikel 1:253a, tweede lid, sub c, BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen de wijze vaststellen waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft. De rechtbank heeft, gelet op het vijfde lid van artikel 1:253a BW, een vergelijk tussen de ouders beproefd. Volledige overeenstemming hebben zij niet bereikt. De rechtbank neemt daarom een zodanige beslissing als haar in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt. Overwegingen rechtbank
De rechtbank overweegt als volgt. De man heeft aangegeven dat hij op dit moment geen informatie over de kinderen krijgt. Hij wil daarom twee keer per maand door de vrouw worden geïnformeerd. De vrouw acht vaststelling van een informatieregeling onnodig. Zij heeft aangegeven dat zij de man al informatie verstrekt over de kinderen. Ook neemt [minderjarige 1] zelf contact op met de man over zaken die haar betreffen. De rechtbank acht het belangrijk dat de man geïnformeerd wordt over de ontwikkeling van de kinderen. Dit helpt bij het opbouwen van een band tussen de kinderen en hun vader, de betrokkenheid van de vader en is belangrijk voor het uitoefenen van het gezamenlijk gezag. De rechtbank merkt daarbij specifiek op dat het – gelet op de zorgbehoefte van [minderjarige 2] – temeer van belang is dat de man op de hoogte is van zijn ontwikkeling en de hulpverlening die bij [minderjarige 2] betrokken is. De door de man voorgestane frequentie vindt de rechtbank echter te hoog. De rechtbank zal daarom bepalen dat de vrouw de man eenmaal per maand schriftelijk zal informeren over de ontwikkeling van de kinderen en belangrijke zaken die de kinderen betreffen. Die informatie zal tenminste betrekking moeten hebben op de schoolprestaties en medische aangelegenheden. De rechtbank heeft geen reden om aan te nemen dat de vrouw hieraan niet zal voldoen en zal daarom geen dwangsom verbinden aan de informatieregeling. Kinderalimentatie
Op de zitting heeft de man ingestemd met de door de vrouw verzochte bijdrage van € 175,- per kind per maand. De rechtbank zal aldus beslissen. De rechtbank zal een beslissing nemen over het resterende twistpunt ten aanzien van de ingangsdatum. De man heeft zich op het standpunt gesteld dat de kinderalimentatie moet worden vastgesteld met ingang van de datum van de beschikking. De vrouw heeft gesteld dat de kinderalimentatie primair moet worden vastgesteld met ingang van 1 mei 2025 en subsidiair met ingang van de datum van het verzoekschrift. Zij heeft aangevoerd dat de man de bijdrage voor de kinderen sinds mei 2025 niet meer heeft voldaan. De man heeft op de zitting gesteld dat hij momenteel € 150,- per kind per vier weken betaalt. De vrouw heeft dit niet weersproken. Gelet hierop acht de rechtbank het redelijk om de kinderalimentatie vast te stellen met ingang van de datum van deze beschikking. Beslissing De rechtbank – met wijziging in zoverre van het door partijen overeengekomen ouderschapsplan van 23 mei 2018, de beschikking van 18 juli 2018 van deze rechtbank en de beschikking van 27 december 2022 van deze rechtbank –: bepaalt ten aanzien van de zorgregeling tussen de man en de minderjarige [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2009 te [geboorteplaats 1] : [minderjarige 1] heeft omgang met de man op de dagen en tijdstippen tussen hen in onderling overleg nader te bepalen; bepaalt dat de minderjarige [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2017 te [geboorteplaats 2] , bij de man zal zijn in de woning van de vrouw: op dinsdag, volgens de regeling en tijdstippen waar partijen op dit moment al uitvoering aan geven, waarbij geldt dat deze regeling doorloopt tijdens de vakanties; bepaalt dat de vrouw met ingang van heden de man eenmaal per maand schriftelijk informatie zal verschaffen over de ontwikkeling en het welzijn van de kinderen; bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden, een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (bij co-ouderschap eventueel: medeverzorgt en opvoedt) van € 175,- per maand per kind zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen; verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Klerk, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.X.R. Yi als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 17 juni 2026.