ECLI:NL:RBDHA:2026:19953text/xmlpublic2026-08-05T12:00:302026-07-20Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2026-06-19C/09/701858 / FA RK 26-2815UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigVoorlopige voorzieningBeschikkingNLDen HaagCiviel recht; Personen- en familierechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:19953text/htmlpublic2026-08-05T12:00:052026-08-05Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2026:19953 Rechtbank Den Haag , 19-06-2026 / C/09/701858 / FA RK 26-2815 Voorlopige voorzieningen. Omgangsbegeleiding. Vaststellen alimentatie.
Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige kamer Rekestnummer: FA RK 26-2815
Zaaknummer: C/09/701858
Datum beschikking: 19 juni 2026 Voorlopige voorzieningenBeschikking op het op 20 maart 2026 ingekomen verzoek van:
[de man] , de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.V. Paniagua te Rotterdam. Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vrouw] , de vrouw,
wonende op een geheim adres,
advocaat: mr. K. Mohasselzadeh te Voorburg. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift; het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek; het F9-formulier van de vrouw van 17 april 2026, met bijlagen; het F9-formulier van de vrouw van 26 mei 2026, met bijlagen; het F9-formulier van de man van 4 juni 2026, met bijlage. Op 5 juni 2026 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man, bijgestaan door zijn advocaat; de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
[naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad). Verzoek en verweer De man verzoekt de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, een voorlopige zorgregeling vast te stellen.
- De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt de vrouw zelfstandig:
- de man te veroordelen tot teruggave van de auto VOLKSWAGEN met kenteken [kenteken] aan de vrouw binnen twee dagen na betekening van de beschikking;
- de man te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 250,- per dag als hij daarmee in gebreke blijft;
- een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige kinderalimentatie van € 175,- per maand per kind vast te stellen;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens. De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Feiten Partijen zijn gehuwd op [datum] 2022 te [plaats] . Zij zijn de ouders van de volgende nog minderjarige kinderen: - [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2022 te [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2024 te [geboorteplaats] . De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit. De kinderen verblijven bij de vrouw. Op 14 januari 2026 is de man aangehouden naar aanleiding van een aangifte van de vrouw wegens huiselijk geweld jegens haar en [minderjarige 1] en is aan hem een tijdelijk huisverbod opgelegd. Op 19 januari 2026 is de man in bewaring gesteld. Bij bevel van 28 januari 2026 is de voorlopige hechtenis verlengd en onder voorwaarden geschorst. Voor zover in deze procedure van belang, houden de aan de man opgelegde bijzondere voorwaarden in dat hij geen contact mag hebben met de vrouw, een meldplicht heeft bij de reclassering, dat hij mee dient te werken aan diagnostiek en behandeling bij de Waag en dat hij mee moet werken aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen. Na de schorsing van de hechtenis hebben partijen enige tijd uitvoering gegeven aan een – met behulp en bemiddeling van Arosa tot stand gekomen – voorlopige zorgregeling. Beoordeling Voorlopige zorgregeling en vakantie- en feestdagenregeling
De man verzoekt een voorlopige zorgregeling en vakantie- en feestdagenregeling vast te stellen. De man betwist alle beschuldigingen van huiselijk geweld, zowel richting de kinderen als richting de vrouw. Volgens de man zijn er geen contra-indicaties om weer een voorlopige zorgregeling op te starten. Hij houdt zich aan de bijzondere voorwaarden en volgt inmiddels behandeling bij de Waag. Bovendien is het dossier van de vrouw bij Arosa gesloten, omdat Arosa geen veiligheidsrisico’s meer ziet tussen de ouders. Als de omgang naar het oordeel van de rechtbank alleen onder begeleiding kan plaatsvinden, dan geeft de man de voorkeur aan begeleiding door zijn moeder en zus. De vrouw voert verweer. Zij stelt dat zowel voor als tijdens het huwelijk sprake is geweest van fysiek en mentaal geweld van de man richting de vrouw. De strafzaak tegen de man is aangehouden tot september, omdat de man wenst dat de vrouw door de rechter-commissaris wordt verhoord. De vrouw stelt dat er geen sprake kan zijn van onbegeleid contact tot er een inhoudelijke beslissing van de politierechter is. Zij heeft onvoldoende vertrouwen in begeleiding door familieleden van de man, onder meer omdat [minderjarige 1] na een recent contactmoment met een grote blauwe plek is teruggekomen, en wil op dit moment alleen akkoord gaan met contact onder begeleiding van een professionele instantie. De rechtbank overweegt dat tijdens het huwelijk van partijen regelmatig sprake is geweest van hoogoplopende ruzies in het bijzijn van de kinderen. Vast staat vast dat de man eerder is veroordeeld vanwege huiselijk geweld richting de vrouw en dat de man verdacht wordt van huiselijk geweld jegens de vrouw en [minderjarige 1] . Gelet hierop acht de rechtbank het noodzakelijk dat het contact tussen de man en de kinderen begeleid zal plaatsvinden. De rechtbank acht het onder deze omstandigheden noodzakelijk dat een professionele instantie het contact zal gaan begeleiden. De verslaglegging van het begeleide contact door de professionele instantie kan mogelijk ook bijdragen aan het vergroten van het vertrouwen van vrouw in de opvoedvaardigheden van de man. Beide ouders hebben op de zitting de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject omgangsbegeleiding. De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en/of training en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding. De rechtbank verzoekt de ouders om de rechtbank in de nog aanhangig te maken echtscheidingsprocedure tijdig te informeren over het verloop van voornoemd traject. Van de uitvoerende hulpverleningsinstantie verwacht de rechtbank dat – zoals op de zitting met de ouders is besproken – zij de eindrapportage over het verloop van het traject indient op de hierna vermelde wijze in de echtscheidingsprocedure. De hulpverleningsinstantie kan de rechtbank tussentijds informeren als daartoe aanleiding is. Als het traject niet heeft geleid tot een positief resultaat dient de instantie de eindrapportage ook tegelijkertijd te zenden aan de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). De griffier van de rechtbank stuurt binnen één week na ontvangst van deze rapportage een afschrift van de beschikking en van de voor de beoordeling relevante processtukken aan de Raad. Aan de hand hiervan zal de Raad bezien of er een onderzoek van de Raad noodzakelijk is. De Raad wordt verzocht binnen twee weken na ontvangst van de stukken de rechtbank hierover in de echtscheidingsprocedure te informeren en, indien de Raad onderzoek noodzakelijk acht, dit te verrichten en daarvan bij de rechtbank een rapport in te dienen. De Raad wordt in dat geval verzocht om de volgende vragen te beantwoorden:
- Verzet het belang van de kinderen zich tegen contact met de man?
- Zo nee, welke zorgregeling is in het belang van de kinderen?
- Is (verdere) hulpverlening voor de kinderen en de ouders noodzakelijk? Zo ja, welke hulpverlening? Deze beschikking geldt als voorwaardelijke opdracht aan de Raad om een onderzoek te verrichten voor het geval dat het traject volgens de uitvoerende hulpverleningsinstantie niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht. Het is aan de uitvoerende hulpverleningsinstantie om de frequentie en duur van het begeleide contact te bepalen. Het meer of anders verzochte ten aanzien van de voorlopige zorgregeling zal de rechtbank afwijzen. Teruggave auto en dwangsom
De vrouw verzoekt te bepalen dat de man de auto aan de vrouw moet afgeven. De auto en de daaraan verbonden verzekering staan op naam van de vrouw, maar de auto wordt op dit moment gebruikt door de man. De vrouw heeft verschillende rekeningen voor boetes en aanslagen voor de belastingdienst ontvangen die onbetaald zijn gebleven. Zij wil daarom de auto in haar bezit hebben, zodat zij de auto kan verkopen. De rechtbank kan alleen de voorzieningen treffen die zijn genoemd in artikel 822 Wetboek van Rechtsvordering (Rv). Tijdens de zitting is met partijen besproken dat het door de vrouw verzochte niet valt onder de limitatieve opsomming van artikel 822 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De rechtbank zal het verzoek daarom afwijzen. Alimentatie
De vrouw verzoekt een voorlopige kinderalimentatie vast te stellen. Bij de beoordeling van het verzoek stelt de rechtbank voorop dat deze voorlopige vaststelling het karakter heeft van een ordemaatregel. Daarbij is het uitgangspunt dat wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft. Indien de rechtbank onvoldoende inzicht in de situatie van partijen heeft, zal de rechtbank beoordelen wat zij redelijk acht en in dat kader een schatting maken. De vrouw stelt dat de kosten van de kinderen € 697,- per maand bedragen. Volgens haar is de man in staat om de helft van deze kosten, te weten € 175,- per maand per kind te betalen aan kinderalimentatie. Volgens de man moet dit verzoek worden afgewezen, omdat de vrouw onvoldoende (inkomens)gegevens heeft overgelegd ter onderbouwing van dit verzoek. Hij betwist bovendien de hoogte van de kosten van de kinderen. De rechtbank overweegt dat de vrouw onvoldoende inkomensgegevens heeft overgelegd om de kinderalimentatie te berekenen. Aangezien de vrouw op dit moment alle kosten voor de kinderen draagt en de man erkent dat hij hieraan een bijdrage moet leveren, acht de rechtbank het desondanks redelijk om een schatting te maken en op basis daarvan een bijdrage vast te stellen. Daarbij speelt mee dat de vaststelling van kinderalimentatie op grond van vaste jurisprudentie van openbare orde is. Op de zitting is gebleken dat partijen aanzienlijke schulden hebben. De exacte hoogte van de schulden is onduidelijk, maar zowel de man als de vrouw stellen dat dit om tienduizenden euro’s gaat. De hoge schuldenlast en de bijbehorende aflossingsplicht drukken op de draagkracht van de man en de verwachting is dat de man een schuldhulpverleningstraject zal moeten doorlopen. Daarnaast is de man gestopt met zijn werk in de bouw. Wel verricht hij in de avonduren werkzaamheden als pakketbezorger. Gelet op de hoge schuldenlast die op de draagkracht van de man drukt, acht de rechtbank het redelijk en in lijn met de wettelijke maatstaven om voor de man een minimale bijdrage van € 25,- per maand per kind vast te stellen. De man heeft op de zitting verklaard dat hij deze bijdrage kan betalen. Verder heeft de man aangegeven dat zodra er meer bekend is over de hoogte van de schulden partijen in onderling overleg een hogere bijdrage kunnen vaststellen, indien zijn draagkracht dat toelaat. De rechtbank zal, conform artikel 822 tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), als ingangsdatum van de voorlopige kinderalimentatie de datum van de beschikking hanteren. De rechtbank zal daarom met ingang van 19 juni 2026 een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige kinderalimentatie van € 25,- per maand per kind vaststellen en het verzoek van de vrouw voor het overige afwijzen. Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld. Beslissing De rechtbank: stelt vast dat de ouders, te weten:
[de man]
,
wonende te [adres] ,
en
[de vrouw]
,
wonende op een geheim adres, bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Omgangsbegeleiding en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie; beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar:
Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;
en de Raad voor de Kinderbescherming; bepaalt dat de ouders de rechtbank in de nog aanhangig te maken echtscheidingsprocedure informeren over het verloop van voornoemd traject; bepaalt dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank in de nog aanhangig te maken echtscheidingsprocedure (tussentijds) rapporteert over het verloop van voornoemd traject, met kopie aan beide ouders; bepaalt dat de griffier binnen één week na ontvangst van de rapportage van een niet positief afgerond traject een afschrift van deze beschikking, de rapportage en de relevante processtukken die na deze beschikking zijn ingekomen aan de Raad voor de Kinderbescherming toestuurt; verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming bij een niet positief verlopen traject na ontvangst van de brief van de rechtbank met de hiervoor genoemde stukken te bezien of raadsonderzoek noodzakelijk is met inachtneming van hetgeen de rechtbank daarover in de overwegingen heeft opgenomen, de rechtbank daarover in de nog aanhangig te maken echtscheidingsprocedure binnen twee weken te informeren en, indien dat onderzoek noodzakelijk geacht wordt, dit onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen; bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 19 juni 2026 voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarigen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2022 te [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2024 te [geboorteplaats] ;
(bij co-ouderschap eventueel: medeverzorgt en opvoedt)van € 25,- per maand, per kind zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen; verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mr. R.S. Matthijssen, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. M.J.W. Straatsma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 19 juni 2026.
De griffier is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.