Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2026:20052

Dublin Kroatië, standaard voornemen, interstatelijk vertrouwensbeginsel.

Rechtbank Den Haag 5 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:20052 text/xml public 2026-08-05T12:11:32 2026-07-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-03-26 NL26.7669 en NL26.7670 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:20052 text/html public 2026-08-05T12:11:23 2026-08-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:20052 Rechtbank Den Haag , 26-03-2026 / NL26.7669 en NL26.7670
Dublin Kroatië, standaard voornemen, interstatelijk vertrouwensbeginsel.

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.7669 (beroep) en NL26.7670 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. M. Pater),

en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 11 februari 2026 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Beoordeling door de rechtbank
Geen zitting

2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank dit uit.

Waar gaat deze zaak over?

3. Eiser stelt de Egyptische nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 1990 geboren te zijn. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.

Wat vindt eiser in beroep?

4. Eiser stelt dat de inhoud van alle stukken als overgenomen en toegevoegd dienen te worden beschouwd. Eiser meent dat het voornemen onzorgvuldig is nu het een standaard voornemen betreft en verwijst naar een uitspraak van zittingsplaats Amsterdam. Het voornemen gaat onvoldoende in op eisers bezwaren tegen een overdracht. Bovendien gaat verweerder zowel in het voornemen als in het bestreden besluit niet daadwerkelijk in op de persoonlijke omstandigheden die eiser heeft aangevoerd. Daarnaast meent eiser dat niet zomaar uit kan worden gegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië. Het besluit bevat ook hier een motiveringsgebrek. Eiser heeft verschillende landeninformatie aangevoerd ter onderbouwing van zijn standpunt en verwijst naar een uitspraak van het Hof van Justitie. Daarnaast stelt eiser dat hij in Kroatië gedwongen is om een asielaanvraag in te dienen en dat verweerder heeft nagelaten te onderzoeken of hier sprake is van een rechtsgeldige aanvraag in de zin van de Procedurerichtlijn.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

Standaard voornemen

5. Met betrekking tot eisers stelling dat verweerder gebruik heeft gemaakt van standaardoverwegingen in het voornemen waardoor de door eiser naar voren gebrachte individuele omstandigheden ten onrechte niet gemotiveerd betrokken zijn in het voornemen, oordeelt de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat in het voornemen duidelijk uiteen is gezet dat, en op welke gronden Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser en dat er geen aanleiding wordt gezien om de aanvraag alsnog in behandeling te nemen. In het voornemen zijn alle voor het standpunt van verweerder dragende overwegingen opgenomen. De rechtbank verwijst naar de uitspraken van de hoogste bestuursrechter van 23 november 2023 en 11 april 2025, waaruit afgeleid kan worden dat een standaardvoornemen in een dergelijke situatie wel aan de vereisten voldoet.

6. Verder overweegt de rechtbank dat eiser in de gelegenheid is gesteld om door middel van een zienswijze te reageren op het voornemen. Eiser heeft hier ook gebruik van gemaakt. Vervolgens is verweerder in het bestreden besluit ingegaan op alle relevante elementen die tot het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag hebben geleid. Verder is in het bestreden besluit kenbaar ingegaan op de verklaringen van eiser in het aanmeldgehoor en hetgeen wat in de zienswijze is aangevoerd. Tegen deze achtergrond treft eisers betoog geen doel. Eisers verwijzingen naar de uitspraak van zittingsplaats Amsterdam maakt het voorgaande niet anders. Er zijn verder geen indicaties die leiden tot de conclusie dat verweerder gehandeld heeft in strijd met de artikelen 3.115 tot en met 3.119 van het Vreemdelingenbesluit.

Interstatelijk vertrouwensbeginsel

7. De rechtbank stelt als uitgangspunt voorop dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat lidstaten van de Europese Unie hun verdragsverplichtingen tegenover asielzoekers zullen nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Om onder de tekortkomingen van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest te vallen, moeten deze een hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Of deze bereikt wordt, hangt af van de gegevens in de zaak.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat van dit uitgangspunt moet worden afgeweken. De hoogste bestuursrechter heeft in verschillende uitspraken nog bevestigd dat ten aanzien van Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De rechtbank is van oordeel dat het AIDA-rapport, update 2024 – en dit geldt ook voor de overige door eiser overgelegde landeninformatie – geen wezenlijk ander beeld schetst dan het eerdere AIDA rapport, update 2023, waarover de Afdeling al heeft geoordeeld. De rechtbank overweegt verder dat verweerder deze landeninformatie kennelijk betrokken heeft in het bestreden besluit. Ook eisers stellingen betreffende zijn persoonlijke ervaringen in Kroatië zijn onvoldoende om tot een andere conclusie te komen. Verweerder heeft kunnen oordelen dat eiser de stellingen dat hij drie dagen is vastgehouden zonder passend voedsel of adequate voorzieningen en dat hij is mishandeld onvoldoende heeft onderbouwd. Ook de stelling dat er voor eiser als aleviet in Kroatië geen mogelijkheid bestaat om collectief zijn geloof te belijden is onvoldoende om niet langer uit te gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder heeft in dit licht kunnen overwegen dat Kroatië lid is van het EVRM, waarin vrijheid van godsdienst is neergelegd. Verweerder is in het bestreden besluit kenbaar ingegaan op de verklaringen van eiser omtrent zijn persoonlijke ervaringen. Het bestreden besluit is voldoende gemotiveerd.
7.2.
Ten aanzien van eisers stelling dat hij gedwongen werd een asielaanvraag te doen in Kroatië oordeelt de rechtbank dat op grond van artikel 14, eerste lid, van de Eurodac-verordening lidstaten verplicht zijn om illegale vreemdelingen die op het grondgebied van de lidstaten binnenkomen, te registreren. Verweerder mag uitgaan van de juistheid van de registratie in Eurodac ook indien eiser achteraf aangeeft dat hij geen aanvraag had willen indienen. Als eiser meent dat de Kroatische autoriteiten in dit of enig ander opzicht onrechtmatig hebben gehandeld, ligt het op zijn weg om daarover te klagen bij de (hogere) autoriteiten of de daartoe geëigende instanties in dat land. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Kroatische autoriteiten niet willen of kunnen helpen of dat klagen voor Dublinclaimanten in Kroatië onmogelijk of bij voorbaat zinloos is.
Conclusie en gevolgen
8. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.

9. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.

10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van V. Nooteboom, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

ECLI:NL:RBDHA:2024:8597.

ECLI:EU:C:2024:195.

ECLI: RVS:2023:4348.

ECLI:NL:RVS:2025:1642.

Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.

Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.

Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 9 oktober 2024 ECLI:NL:RVS:2024:4037, die van 10 december 2024 ECLI:NL:RVS:2024:5076 en die van 21 november 2025 ECLI:NL:RVS:2025:5635.

Verordening (EU) nr. 603/2013.

Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.

Artikel delen