ECLI:NL:RBDHA:2026:20062text/xmlpublic2026-08-04T10:38:112026-07-20Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2026-04-14NL26.9607 en NL26.9608UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLDen HaagBestuursrecht; VreemdelingenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:20062text/htmlpublic2026-08-04T10:36:312026-08-04Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2026:20062 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / NL26.9607 en NL26.9608 Dublin Duitsland, zorgvuldigheid, interstatelijk vertrouwensbeginsel, artikel 17 Dv.
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht zaaknummers: NL26.9607 (beroep) en NL26.9608 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer 1] , eiser/verzoeker (hierna: eiser) mede namens zijn minderjarige zoon
[minderjarige]
, V-nummer: [V-nummer 2]
hierna tezamen: eisers
(gemachtigde: mr. A.H. Henkman) en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. E. de Jong). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen het niet in behandeling nemen van hun aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van
19 februari 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland ervoor verantwoordelijk is. 1.1 De rechtbank heeft het beroep van eiser op 31 maart 2026 op zitting behandeld.
Eisers zelf en de gemachtigde van eisers zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. 1.2 Eisers hebben een verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.9608) ingediend.
De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over?
1. Eisers zijn geboren op [geboortedatum 1] 1994 en [geboortedatum 2] 2018. Eisers hebben de Mongoolse nationaliteit. Op 6 november 2025 hebben eisers in Nederland asiel aangevraagd. Verweerder heeft de asielaanvraag van eisers niet in behandeling genomen, omdat zij een visum hadden in Duitsland dat ten tijde van hun asielaanvraag in Nederland minder dan zes maanden was verlopen. Duitsland is daarom volgens verweerder verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eisers. Wat vinden eisers in beroep? 2. Eiser voert aan dat hij met zijn autistische zoontje uit Mongolië is gevlucht omdat autistische kinderen daar niet geaccepteerd worden en slachtoffer worden van ernstige discriminatie. Gecombineerd met ernstige familieproblemen heeft dit een hevige impact op zijn zoontje. Eiser vreest dat vanwege eerdere ervaringen in Duitsland zijn zoontje ernstig zal lijden bij een overdracht, nu Aziaten worden gediscrimineerd en zijn zoontje slecht reageert op grote veranderingen. Ten onrechte stelt verweerder dat niet aangenomen kan worden dat een overdracht aan Duitsland onevenredig zwaar zou zijn. Verweerder heeft daarbij ook ten onrechte nadere medische informatie niet willen betrekken in de beoordeling. Geconcludeerd moet worden dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Wat is het oordeel van de rechtbank? 3. De rechtbank beoordeelt of verweerder de asielaanvraag van eisers niet in behandeling hoefde te nemen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers. 4. De rechtbank geeft eisers geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen. Zorgvuldigheid
5. Eisers hebben ter zitting gesteld dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen nu verweerder had moeten wachten met het nemen van een besluit totdat de medische situatie van het zoontje van eiser voldoende duidelijk is vastgesteld en onderbouwd. Er is nog ruim tijd voordat de uiterlijke overdrachtstermijn verloopt, zodat onderzoek kan worden gedaan om te kijken welke effecten een overdracht zal hebben voor eisers autistische zoontje. De rechtbank volgt ten aanzien van deze stelling het betoog van verweerder ter zitting dat hij niet gehouden was langer te wachten met beslissen en dat op verweerder zelfs de plicht rust om zo snel mogelijk beslissen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eisers. Het is aan eisers om op tijd met de juiste (specialistische) informatie te komen om te onderbouwen dat zij niet naar Duitsland kunnen worden overgedragen. Bovendien stelt de rechtbank vast dat eisers onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat er sprake is van het begin van een bewijs waarmee het langer wachten tot het nemen van een beslissing daadwerkelijk had kunnen worden gerechtvaardigd. Voor zover eisers hiermee verder een impliciet beroep doen op het arrest C.K. overweegt de rechtbank dat er geen sprake is van (een begin van) bewijs dat een overdracht naar Duitsland zal leiden tot een onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand van eisers zoontje. De medische stukken die eisers hebben aangevoerd zijn hiertoe onvoldoende en bevatten voor een deel verouderde informatie. Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. De rechtbank stelt vast dat verweerder ten opzichte van Duitsland in zijn algemeenheid mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Om onder de tekortkomingen van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest te vallen, moeten deze een hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Of deze bereikt wordt, hangt af van de gegevens in de zaak. 7. Naar het oordeel van de rechtbank zijn eisers er niet in geslaagd het voorgaande aannemelijk te maken. Ten eerste stelt de rechtbank voorop dat de Afdeling heeft bevestigd dat ten aanzien van Duitsland nog altijd kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dat de eerdere ervaringen van eiser in Duitsland als kind negatief waren omdat hij werd gediscrimineerd en dat eiser vreest dat zijn zoontje ernstig zal lijden bij een overdracht aan Duitsland, leidt niet tot een ander oordeel. Eiser heeft deze stellingen niet (met stukken) onderbouwd. Verder geldt dat het bij voorkomende problemen in de Duitse asielprocedure op de weg ligt van eiser om daarover in Duitsland te klagen bij de (hogere) Duitse autoriteiten. Niet is gebleken dat de Duitse autoriteiten eiser niet willen helpen of dat klagen bij voorbaat zinloos is. Artikel 17 van de Dublinverordening
8. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening heeft verweerder een discretionaire bevoegdheid. Hierin is bepaald dat in afwijking van artikel 3, eerste lid, van de Dublinverordening elke lidstaat kan besluiten een bij hem ingediende verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht. Verweerder maakt hier terughoudend gebruik van, namelijk in situaties waarin overdracht getuigt van onevenredige hardheid. 8.1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in dit geval in redelijkheid kunnen beslissen dat geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden afgezien van een overdracht aan Duitsland. De medische stukken tonen niet aan dat de voorgenomen overdracht aan Duitsland van een onevenredige hardheid zal getuigen voor eisers zoontje. Verweerder mag er bovendien op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel vanuit gaan dat Duitsland dezelfde verzorgingsmogelijkheden heeft als Nederland. Niet is gebleken dat Nederland het meest aangewezen land is voor de behandeling van de klachten van eisers zoontje. Het bestreden besluit is voldoende zorgvuldig voorbereid en voldoende gemotiveerd. Conclusie en gevolgen 10. De beroepsgronden slagen niet. Dat betekent dat het beroep ongegrond is en het besluit van verweerder om de asielaanvraag van eiser niet in behandeling te nemen omdat Duitsland ervoor verantwoordelijk is, in stand blijft. 11. Nu er uitspraak is gedaan op het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard. 12. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van V. Nooteboom, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open. Met toepassing van artikel 8:54 Algemene wet bestuursrecht. Zie artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Zie ook preambule 5 van de Dublinverordening. ECLI:EU:C:2017:127. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 14 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:588. Hoofdstuk C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.