Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2026:20131

verzoek tot overbrenging uit Afghanistan - eiser was werkzaam als toezichthouder bij aannemersbedrijf RMCC - geen lokale medewerker in de zin van de Tolkenregeling - geen sprake van een zekere bijdrage aan de militaire doelstelling - beroep ongegrond.

Rechtbank Den Haag 4 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:20131 text/xml public 2026-08-04T10:40:05 2026-07-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-07-17 SGR 25/6133 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:20131 text/html public 2026-08-04T10:39:48 2026-08-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:20131 Rechtbank Den Haag , 17-07-2026 / SGR 25/6133
verzoek tot overbrenging uit Afghanistan - eiser was werkzaam als toezichthouder bij aannemersbedrijf RMCC - geen lokale medewerker in de zin van de Tolkenregeling - geen sprake van een zekere bijdrage aan de militaire doelstelling - beroep ongegrond.

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 25/6133
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2026 in de zaak tussen
<?linebreak?> [eiser] , uit Afghanistan, eiser
(gemachtigde: mr. M.A.L. van de Glind),

en
de minister van Defensie, verweerder
(gemachtigde: mr. B.S. Jaasma).
Inleiding
1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek tot overbrenging uit Afghanistan.
1.1
Eiser heeft verweerder verzocht om overbrenging vanuit Afghanistan naar Nederland, op grond van de zogenoemde Tolkenregeling.
1.2
Verweerder heeft dit verzoek met het primaire besluit van 17 juni 2024 afgewezen.
1.3
Met het bestreden besluit van 7 juli 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en is verweerder bij de afwijzing van dit verzoek gebleven.
1.4
Eiser heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.5
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.6
De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld, gelijktijdig met het beroep in de zaken SGR 25/3024, SGR 25/3026 en SGR 25/5975. De gemachtigde van eiser heeft daags tevoren gemeld dat hij niet ter zitting zal verschijnen en dat zijn cliënt ook niet telefonisch zal deelnemen. Verweerder heeft zich op de zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. A.J.M. Zwiep, ambtenaar werkzaam bij het ministerie van Defensie.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?

2. Eiser heeft verweerder op 16 november 2022 verzocht om overbrenging vanuit Afghanistan naar Nederland. Eiser stelt op kamp Holland gewerkt te hebben als safety manager / security supervisor voor het bedrijf [bedrijfsnaam] (hierna: [bedrijfsnaam] ), een aannemersbedrijf dat in de periode januari 2009 tot december 2010 constructiewerkzaamheden uitvoerde op de basiskampen van de Nederlandse militaire missie in Afghanistan. Eiser stelt vanwege deze werkzaamheden onder de definitie van ‘lokale medewerker’ en ook de overige toepassingsvoorwaarden van de Tolkenregeling te vallen. Eiser stelt gevaar te lopen in Afghanistan vanwege zijn eerdere werkzaamheden ten behoeve van de Nederlandse militaire missie en wenst met zijn gezin overgebracht te worden naar Nederland.

Wat heeft verweerder besloten?

3. Verweerder is bij de afwijzing van het verzoek gebleven, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van de Tolkenregeling. Verweerder heeft geconcludeerd dat eiser niet als ‘lokale medewerker’ in de zin van de Tolkenregeling kan worden aangemerkt. Eiser is namelijk niet als het ware opgenomen geweest in de werkzaamheden van de militaire missie. Ook al zou eiser als lokale medewerker kunnen worden aangemerkt, dan heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij door Nederlandse militairen of politiefunctionarissen in Afghanistan in positie werd gebracht, waarin hij extra zichtbaar was en om die redenen vereenzelvigd wordt met de voormalige Nederlandse missie in Afghanistan. Ten slotte is ook niet gebleken van een actuele bedreiging als causaal gevolg van de werkzaamheden van eiser van destijds.

Wat vinden eiser en verweerder in beroep?

4. Eiser is het niet eens met de afwijzing van het verzoek en voert daartoe ten eerste aan dat verweerder in het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd heeft waarom ten aanzien van de benadering van het begrip ‘lokale medewerker’ wordt afgeweken van het advies van de Commissie advisering bezwaarschriften. Verweerder legt volgens eiser niet uit waarom verweerder de door de commissie gehanteerde materiële benadering van dat begrip niet volgt. Eiser vindt dit in strijd met artikel 7:13, vierde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.1
Ten tweede voert eiser aan dat verweerder niet draagkrachtig heeft gemotiveerd waarom eiser niet als ‘lokale medewerker’ kan worden aangemerkt. Eiser heeft rechtstreeks werkzaamheden dienend aan de Nederlandse missie uitgevoerd. De enkele stelling dat eiser werknemer was voor een organisatie die in opdracht werk uitvoerde voor de Nederlandse missie is te algemeen om te concluderen dat eiser niet behoort tot de doelgroep van lokale medewerkers. Verweerder legt ook niet uit waarom de omstandigheid dat eiser in en nabij Kamp Holland gewerkt heeft niet van betekenis is voor de kwalificatie als lokale medewerker. Ook heeft verweerder niet inzichtelijk gemotiveerd waarom de situatie van eiser niet vergelijkbaar is met de groep bewakers van Kamp Holland die werkzaam waren voor de Afghan Security Guard (ASG), en die wel onder de doelgroep van de Tolkenregeling vallen. Het blijft onduidelijk welke criteria verweerder hanteert.
4.2
Daarbij heeft verweerder nagelaten om het verzoek van eiser ruimhartig te beoordelen. Verweerder neemt de verklaringen van eiser over bedreigingen alleen voor kennisgeving aan. Verweerder miskent in dit kader ook de onmogelijk bewijspositie van eiser om gevaar aannemelijk te maken. Voor de grondslag van de ruimhartige beoordeling verwijst eiser naar Kamerstukken II 2020-2021, Aanhangsel, Antwoord op vraag 11, gedateerd 18 augustus 2021, nr. 3805.
4.3
Eiser vindt verder dat het criterium van extra zichtbaarheid en vereenzelviging van personen met de Nederlandse missie onredelijk streng wordt uitgelegd. Uit de Tolkenregeling volgt namelijk niet dat de aanvrager fysiek naast Nederlandse militairen aanwezig moet zijn geweest, maar dat dat deze door hen in positie is gebracht. Eiser werkte binnen het kamp van de Nederlandse missie en voerde taken uit die rechtstreeks ten dienste stonden van de Nederlandse troepen.
4.4
Tot slot heeft verweerder ten onrechte geconcludeerd dat geen sprake is van een actuele, directe en persoonlijke bedreiging van eiser vanwege zijn werk voor [bedrijfsnaam] . Eiser heeft verklaard dat hij meerdere keren ondervraagd is door de Taliban en andere autoriteiten, al dan niet door middel van formulieren, waarbij specifiek werd gevraagd naar vorige functies. Zijn woning wordt regelmatig door de Taliban doorzocht en zij stellen, ook bij zijn buren, vragen over zijn persoon en verblijfplaats. Dat eiser in zijn werk bij [bedrijfsnaam] voor de Nederlandse missie goed betaald werd, maakt dat negatieve aandacht voor eiser bestaat omdat hij vanwege deze vergaarde rijkdom extra opvalt in Afghanistan. De Taliban heeft daarbij recent toegang gekregen tot lijsten met namen van personen die voor westerse troepen hebben gewerkt en daarbij vervolgt de Taliban ook zonder dergelijk bewijs en past geweld en intimidatie toe, zonder officiële waarschuwingen of oproepen vooraf. Eiser loopt een reëel risico op represailles. Verweerder heeft de lastige bewijspositie van eiser miskend en legt de bewijslast onredelijk hoog.

5. Verweerder heeft in het verweerschrift en op de zitting gemotiveerd gereageerd op de beroepsgronden en geconcludeerd tot ongegrondverklaring.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het verzoek van eiser tot overbrenging naar Nederland op goede gronden heeft afgewezen en overweegt daartoe als volgt.

Tolkenregeling

7. Eiser doet een beroep op de Tolkenregeling. Die regeling komt voort uit een set werkafspraken uit 2014 tussen de ministeries van Defensie, Buitenlandse Zaken en (het toenmalige) Veiligheid en Justitie. Met die werkafspraken is uitvoering gegeven aan het kabinetsstandpunt dat lokale medewerkers die voor een Nederlandse militaire missie werkzaamheden hebben verricht en als gevolg daarvan gevaar lopen, op steun kunnen rekenen. Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat de betrokken bestuursorganen daarmee de publieke taak aan zich hebben getrokken om zich in te spannen voor de groep waarop die regeling ziet. Hoewel de Tolkenregeling geen specifieke wettelijke grondslag kent, kwalificeren beslissingen die over toepassing van de Tolkenregeling worden genomen volgens deze jurisprudentie wel als appellabele besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Omdat er geen specifieke wettelijke grondslag bestaat voor dit overheidshandelen, gaat het bij de Tolkenregeling om zogeheten buitenwettelijk begunstigend beleid. Bij het opstellen van zulk beleid heeft het kabinet veel beleids- en beoordelingsruimte. De rechtbank toetst de toepassing van dergelijk beleid dan ook terughoudend.
7.1
Het antwoord op de vraag wie een geslaagd beroep op de Tolkenregeling kan doen, moet worden gezocht in een combinatie van de verschillende Kamerstukken. Volgens het kerndocument geldt de Tolkenregeling voor lokale medewerkers die voor een substantiële periode ten behoeve van een Nederlandse militaire missie werkzaamheden hebben verricht, en als gevolg daarvan aannemelijk kunnen maken dat zij persoonlijk risico lopen en bescherming nodig hebben. Uit recente uitspraken van de Afdeling volgt dat er twee groepen zijn die onder de Tolkenregeling vallen, namelijk personen die ‘hoog profiel werkzaamheden’ hebben verricht en daardoor persoonlijk gevaar lopen (de eerste groep) en anderen die werkzaamheden hebben verricht ten behoeve van een Nederlandse militaire missie in Afghanistan of ten behoeve van een Nederlandse functionaris in het kader van een internationale missie of politiemissie in Afghanistan en daardoor gevaar lopen (de tweede groep).
7.2
Het is aan een verzoeker om aannemelijk te maken dat hij zulke werkzaamheden heeft verricht en als gevolg daarvan gevaar loopt. Uit voornoemde jurisprudentie volgt dat het bij ‘hoog profiel werkzaamheden’ gaat om werkzaamheden waarbij Nederland een persoon op individuele basis in een specifieke positie heeft geplaatst waarin hij extra zichtbaar was en werd vereenzelvigd met de Nederlandse missie. Hierbij moet worden gedacht aan tolken, genderspecialisten, persoonlijk bewakers of persoonlijke chauffeurs. Bij personen die ‘hoog profiel werkzaamheden’ hebben verricht, neemt het bevoegde bestuursorgaan eerder aan dat zij als gevolg daarvan gevaar lopen. Andere personen moeten aannemelijk maken dat zij werkzaamheden hebben verricht ten behoeve van een Nederlandse militaire missie in Afghanistan, dat zij gevaar lopen en dat dit gevaar het gevolg is van die werkzaamheden.

Kan eiser een geslaagd beroep doen op de Tolkenregeling?

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder mocht concluderen dat eiser niet voor overbrenging in aanmerking komt op grond van de Tolkenregeling, en zal dit oordeel hierna uitleggen.
8.1
Omdat het bij de Tolkenregeling om buitenwettelijk en begunstigend beleid gaat, hebben de betrokken bestuursorganen veel beleidsruimte, ook in de afbakening van de groep van begunstigden. Aan personen die buiten dit beleid vallen, wordt namelijk niets onthouden waar zij anders wel recht op zouden hebben.
8.2
Verweerder heeft in het bestreden besluit gemotiveerd toegelicht dat, om te worden aangemerkt als lokale medewerker die ten behoeve van een Nederlandse militaire missie werkzaamheden heeft verricht, vereist is dat de betrokkene als het ware opgenomen is geweest in de werkzaamheden van de militaire missie. Verweerder heeft in dit kader mogen tegenwerpen dat eiser direct noch indirect in een gezagsverhouding heeft gestaan van functionarissen van de militaire missie. Met de werkzaamheden voor [bedrijfsnaam] is eiser niet als het ware opgenomen geweest in werkzaamheden van de militaire missie. Verweerder heeft daarbij mogen betrekken dat eiser naar eigen zeggen niet anders heeft gedaan dan toezicht houden op de bouwwerkzaamheden van [bedrijfsnaam] binnen de compound. Op de zitting heeft verweerder toegelicht dat de betrokkene, om te kunnen worden aangemerkt als lokale medewerker, een zekere bijdrage moet hebben geleverd aan de militaire doelstelling. Verweerder mocht tegenwerpen dat daar in het geval van eiser, die enkel betrokken was bij constructiewerkzaamheden op het kamp, geen sprake van was.
8.3
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee afdoende gemotiveerd dat eiser niet kan worden aangemerkt als een lokale medewerker in de zin van de Tolkenregeling. Dat zijn werk in algemene zin ten goede is gekomen aan de Nederlandse militaire missie, is niet voldoende. De omstandigheid dat eiser werkzaam was in en nabij het kamp, maakt deze conclusie ook niet anders. Verweerder heeft ook voldoende uiteengezet dat de situatie van ASG-bewakers niet vergelijkbaar is, omdat hun werkzaamheden in zijn algemeenheid wel ingebed waren in de werkzaamheden van de militaire missie.
8.4
Nu uit het voorgaande volgt dat eiser niet kan worden aangemerkt als lokale medewerker als bedoeld in de Tolkenregeling, heeft verweerder alleen al op grond daarvan het verzoek om overbrenging mogen afwijzen. Verder is niet gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden die maken dat het beleid en de begrenzing van de groep van begunstigden op wie het van toepassing is, in dit concrete geval zodanig onevenredig uitpakt dat verweerder de komst van eiser naar Nederland alsnog had moeten faciliteren.
8.5
De overige beroepsgronden behoeven, gelet op de cumulatieve vereisten die de Tolkenregeling stelt, geen nadere bespreking.
Conclusies en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Verweerder heeft het verzoek van eiser op goede gronden afgewezen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. de Kock-Molendijk, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De verzenddatum van deze uitspraak staat hierboven met een stempel vermeld.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Werkafspraken tolken 2014, zie deze link naar het betreffende document: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/beleidsnotas/2023/09/18/werkafspraken-tolken-2014

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 10 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1500.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 8 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1869.

Werkafspraken tolken 2014, zie deze link naar het betreffende document: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/beleidsnotas/2023/09/18/werkafspraken-tolken-2014

Zie de uitspraken van de Afdeling van 8 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1869 en ECLI:NL:RVS:2026:1945.

ECLI:NL:RVS:2026:1869, r.o. 5.2.3 en 5.4.

ECLI:NL:RVS:2026:1869, r.o. 5.2.4.

ECLI:NL:RVS:2026:1869, r.o. 5.2.4 en 5.2.5.

Artikel delen