Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2026:20185

Vreemdelingenbewaring - artikel 59 - beroep ongegrond

Rechtbank Den Haag 5 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:20185 text/xml public 2026-08-05T10:40:00 2026-07-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-07-20 NL26.37865 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:20185 text/html public 2026-08-05T10:39:47 2026-08-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:20185 Rechtbank Den Haag , 20-07-2026 / NL26.37865
Vreemdelingenbewaring - artikel 59 - beroep ongegrond
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.37865
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. S.H. van Wingerden),

en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. A.E. van der Burg).
Procesverloop
1. Met het bestreden besluit van 7 juli 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
1.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
1.2.
Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling. Eiser heeft zijn gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 15 juli 2026 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader

2. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.

De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

3. Verweerder heeft eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 in bewaring gesteld. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zal onderduiken.

4. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:

b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;i. aan de grens te kennen heeft gegeven een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel te willen indienen, en die aanvraag met toepassing van de asielgrensprocedure niet in behandeling is genomen, niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Waar vindt eiser?

5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert kort samengevat het volgende aan. Verweerder heeft onvoldoende onderzocht en gemotiveerd waarom hij geen lichter middel heeft opgelegd. Eiser kan namelijk beschikken over €3.000, tot €4.000,- en daarmee zelfstandig vertrek realiseren. Daarnaast is eiser bereid om mee te werken aan zijn vertrek, voor zover dit niet ziet op terugkeer naar Turkije. Hij kan in andere landen verblijven, zoals bijvoorbeeld Marokko. Verder handelt verweerder onvoldoende voortvarend.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

6. Eiser heeft de gronden van de maatregel niet betwist en ambtshalve toetsend ziet de rechtbank geen reden voor het oordeel dat verweerder deze gronden niet aan het besluit ten grondslag heeft kunnen leggen. Verweerder heeft daarom terecht aangenomen dat ten aanzien van eiser het risico bestaat dat eiser zal onderduiken.

7. De rechtbank oordeelt daarnaast dat verweerder terecht geen aanleiding heeft hoeven zien om een lichter middel op te leggen. Redengevend hiervoor is dat eiser slechts mogelijkheden oppert voor een vertrek naar Marokko en dat niet is gebleken dat eiser concrete stappen heeft ondernomen. Verweerder heeft dit dan ook niet nader hoeven onderzoeken. Verder handelt verweerder voldoende voortvarend. Verweerder heeft namelijk op 7 juli 2026 een vertrekgesprek gevoerd met eiser en op 13 juli 2026 een laissez-passer aangevraagd bij de Turkse autoriteiten.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

8. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.

Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.

Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.

Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.

Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.

Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.

Artikel delen