Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2026:20187

Vreemdelingenbewaring - artikel 59 - beroep ongegrond

Rechtbank Den Haag 5 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:20187 text/xml public 2026-08-05T10:45:30 2026-07-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-07-20 NL26.38177 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Den Haag Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:20187 text/html public 2026-08-05T10:45:12 2026-08-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:20187 Rechtbank Den Haag , 20-07-2026 / NL26.38177
Vreemdelingenbewaring - artikel 59 - beroep ongegrond
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.38177
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. M.K. Bhadai),

en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. A.E. van der Burg).
Procesverloop
1. Met het bestreden besluit van 8 juli 2026 heeft verweerder aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
1.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
1.2.
Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling. Eiser heeft zijn gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 16 juli 2026 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader

2. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.

De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

3. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.

4. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Wat vindt eiser?

5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert kort samengevat het volgende aan. Ten aanzien van de gronden voert eiser aan dat verweerder grotendeels standaardoverwegingen heeft gebruikt en dat ze onvoldoende op eiser zijn toegespitst. Verder had verweerder een lichter middel kunnen en moeten opleggen. Eiser heeft namelijk familie waar hij kan verblijven, eventueel in combinatie met een meldplicht. Verweerder heeft daar ten onrechte geen verder onderzoek naar gedaan. Bewaring geldt als ultimum remedium. Daarnaast is het zicht op uitzetting ontoereikend gemotiveerd en is niet concreet welke uitzettingshandelingen verweerder inmiddels heeft verricht.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de onder rechtsoverweging 4. genoemde gronden aan het besluit ten grondslag kunnen leggen. Dat er sprake zou zijn van standaardoverwegingen betekent niet dat deze niet ook op eiser van toepassing zijn. Daarnaast heeft eiser niet geconcretiseerd waaruit blijkt dat verweerders overwegingen onvoldoende op eiser zijn toegespitst. Ook ambtshalve toetsend ziet de rechtbank niet dat verweerder deze gronden niet aan eiser had mogen tegenwerpen. Verweerder heeft daarom terecht aangenomen dat ten aanzien van eiser het risico bestaat dat eiser zal onderduiken.

7. De rechtbank oordeelt daarnaast dat verweerder terecht geen aanleiding heeft hoeven zien om een lichter middel op te leggen. Redengevend hiervoor is dat eiser onvoldoende heeft geconcretiseerd en onderbouwd bij welk familielid hij terecht zou kunnen. Daarbij wijst verweerder er terecht op dat eiser tot aan zijn inbewaringstelling evenmin bij familie verbleef, maar op een opvanglocatie. Onduidelijk blijft waarom dit thans anders zou zijn.

8. Ten aanzien van het zicht op uitzetting overweegt de rechtbank dat met eiser een vertrekgesprek zou zijn gevoerd op 14 juli 2026, waarna een T&O aanvraag zal worden gedaan. De rechtbank ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen en acht zicht op uitzetting naar Polen dan ook aanwezig. Temeer nu eiser dit jaar al eens eerder, namelijk op 18 maart 2026, is uitgezet naar Polen. Eiser is echter weer teruggekeerd naar Nederland. Van onvoldoende voortvarend handelen is gezien het vorenstaande evenmin sprake.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

9. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.

Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.

Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.

Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.

Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.

Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.

Artikel delen