Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2026:20768

Kennisgeving 59, lid 1 aanhef en onder a Vw. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in geval van eiser geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarnaast bestaat er wel een redelijk zicht op uitzetting naar Somalië. In geval van eiser staat op dit moment nog niet v...

Rechtbank Den Haag 28 July 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:20768 text/xml public 2026-07-28T07:57:06 2026-07-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-07-24 NL26.38722 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:20768 text/html public 2026-07-28T07:56:37 2026-07-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:20768 Rechtbank Den Haag , 24-07-2026 / NL26.38722
Kennisgeving 59, lid 1 aanhef en onder a Vw. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in geval van eiser geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarnaast bestaat er wel een redelijk zicht op uitzetting naar Somalië. In geval van eiser staat op dit moment nog niet vast of eiser daadwerkelijk zal worden uitgezet onder begeleiding van escorts van de KMar. Het enkele feit dat eiser heeft aangegeven niet mee te werken aan terugkeer naar Somalië, maakt niet dat ervan moet worden uitgegaan dat escorts daadwerkelijk zullen worden ingezet. Mede gelet hierop ziet de rechtbank geen reden waarom de minister nu dient te onderbouwen met stukken dat de in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, beschreven wijze van uitzetting daadwerkelijk mogelijk is. Er is daarom ook geen sprake van een schending van het beginsel van equality of arms. Beroep ongegrond.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.38722
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. H.G.A.M. Halfers),

en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister)
(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 10 juli 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Gure als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiser stelt van Somalische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 2002.

4. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
4.1.
De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
4.2.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4.3.
De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die door de minister in de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn opgenomen, inhoudelijk niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen en zijn voldoende om een onderduikrisico aan te nemen.

5. Eiser stelt zich op het standpunt dat dat er sprake is van een refoulementrisico en dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, zoals een meldplicht. Daartoe voert eiser aan dat hij in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft verklaard dat hij gevaar loopt bij terugkeer naar Somalië. Verder heeft eiser tijdens het vertrekgesprek van 9 juli 2026 aangegeven dat hij de uitnodiging voor een presentatie in persoon bij de Somalische diplomatieke vertegenwoordiging zal laten bezinken. Daarmee heeft hij niet gezegd dat hij niet zal meewerken aan de presentatie, aldus eiser. Daarnaast heeft eiser nog veel last van zijn heup als gevolg van een val uit een raam in Somalië in 2012. Deze omstandigheden hadden aanleiding moeten vormen voor de toepassing van een lichter middel.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van vreemdelingenbewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de bewaringsgronden de maatregel kunnen dragen en dat hiermee het onderduikrisico is gegeven. Daarbij is onder meer van belang dat eiser eerder op 11 juni 2025 met onbekende bestemming (mob) is vertrokken. Daarnaast heeft eiser niet voldaan aan zijn verplichting tot terugkeer naar Somalië. De rechtbank stelt vast dat op grond van vaste jurisprudentie eiser volledige medewerking dient te verlenen aan het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit. Uit de mededeling van eiser in het vertrekgesprek van 9 juli 2026 dat hij de uitnodiging voor een presentatie in persoon zal laten bezinken, kan niet worden afgeleid dat eiser zijn volledige medewerking zal geven, te meer nu eiser in hetzelfde vertrekgesprek heeft verklaard dat hij niet aan de presentatie zal meewerken. Daarbij komt dat eiser ter zitting heeft bevestigd niet te willen meewerken aan terugkeer naar Somalië. Voor zover eiser heeft willen betogen dat sprake is van een refoulementrisico en dat dit aanleiding zou moeten vormen voor toepassing van een lichter middel, volgt de rechtbank deze grond eveneens niet. Uit het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling is eiser hiernaar uitvoerig gevraagd. Daarbij heeft eiser aangegeven dat hij al zijn bezwaren al heeft verteld in de eerdere asielprocedure waarin zijn aanvraag onherroepelijk is afgewezen. Ter zitting heeft eiser dit nogmaals bevestigd. Mede gelet hierop heeft de minister voldoende gemotiveerd dat geen sprake is van een refoulementrisico. Ten aanzien van eisers heupklachten stelt de rechtbank vast dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat de medische zorg binnen het detentiecentrum gelijkwaardig is aan die in de vrije maatschappij.
5.2.
Gezien het voorgaande en gelet op wat hiervoor is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, is de rechtbank van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De beroepsgrond slaagt niet.

6. Verder voert eiser aan dat er geen redelijk vooruitzicht op uitzetting naar Somalië is. Eiser verwijst hierbij naar een uitspraak van 2 juni 2026 van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle. De minister heeft van de werkwijze, zoals omschreven in de voornoemde uitspraak onder rechtsoverweging 7, geen stukken overgelegd. Het beginsel van equality of arms volgens artikel 5, vierde lid, van het EVRM is daarmee geschonden, omdat eiser niet over alle op de zaak betrokken stukken beschikt. In dit verband verwijst eiser ook naar het arrest Lamy.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat er wel een redelijk vooruitzicht bestaat op uitzetting naar Somalië. In geval van eiser staat niet vast dat hij zal worden uitgezet onder begeleiding van escorts van de KMar. Ter zitting heeft de minister verklaard dat pas op het laatste moment wordt gekeken of escorteren bij een uitzetting nodig is. Het enkele feit dat eiser heeft aangegeven niet mee te werken aan terugkeer naar Somalië, maakt niet dat ervan moet worden uitgegaan dat escorts daadwerkelijk zullen worden ingezet. Mede gelet hierop ziet de rechtbank geen reden waarom de minister nu dient te onderbouwen met stukken dat de in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, beschreven wijze van uitzetting daadwerkelijk mogelijk is. Er is daarom ook geen sprake van een schending van het beginsel van equality of arms. Het beroep op het arrest Lamy kan ook niet tot een ander oordeel leiden. Hetgeen is besloten in het arrest Lamy vormt voor de rechtbank geen reden voor een ander oordeel, reeds omdat dit arrest ziet op strafrechtelijke detentie en niet op vreemdelingenbewaring. De minister heeft daarom ten tijde van het opleggen van de maatregel terecht aangenomen dat zicht op uitzetting voor de vreemdeling niet ontbrak. De beroepsgrond slaagt niet.
6.2.
Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank ook ambtshalve geen reden om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van B.S. Beens, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.

Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.

Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.

Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.

Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.

ECLI:NL:RBDHA:2026:14800, r.o. 7.

Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

EHRM 30 maart 1989, ECLI:CE:ECHR:1989:0330 (Lamy v. Belgium).

Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.

Artikel delen