Vrijheidsontnemende maatregel art. 6 Vw. Informatiefolder art. 5.10 Vb niet in taal vreemdeling. Gebrek leidt niet tot gegrond beroep en ook niet tot proceskostenveroordeling.
Rechtbank Den Haag 30 July 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:20777
Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-07-2026
Datum publicatie
30-07-2026
Zaaknummer
NL26.37636
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBDHA:2026:20777text/xmlpublic2026-07-30T07:20:432026-07-24Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2026-07-21NL26.37636UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLDen HaagBestuursrecht; VreemdelingenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:20777text/htmlpublic2026-07-30T07:19:562026-07-30Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2026:20777 Rechtbank Den Haag , 21-07-2026 / NL26.37636 Vrijheidsontnemende maatregel art. 6 Vw. Informatiefolder art. 5.10 Vb niet in taal vreemdeling. Gebrek leidt niet tot gegrond beroep en ook niet tot proceskostenveroordeling.
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL26.37636
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. A.E. van der Burg). Procesverloop Bij besluit van 6 juli 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. De behandeling van het beroep is aangevangen op de zitting van 14 juli 2026. In verband met afwezigheid van een tolk in de Dari taal is verdere behandeling van de zaak aangehouden en in overleg met eisers gemachtigde gepland voor 17 juli 2026. De behandeling van het beroep is voortgezet op 17 juli 2027. Eiser is verschenen. Als tolk in de Dari-taal is verschenen H.C. Khanna. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De gemachtigde van eiser is – zonder voorafgaand bericht – niet verschenen. Overwegingen Als de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond. De gemachtigde van eiser heeft zich op de zitting van 14 juli 2026 op het standpunt gesteld dat de maatregel moet worden opgeheven omdat verweerder de informatieplicht heeft geschonden. In de maatregel is immers opgenomen dat de inhoud van de informatiebrief ‘Waarom aan u een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd’ mondeling met behulp van een tolk in de Dari taal met eiser is besproken, maar de reden waarom dit is gebeurd niet is vermeld.
Eisers gemachtigde heeft voorafgaand aan de behandeling van het beroep op de zitting van 17 juli 2026 telefonisch te kennen gegeven te persisteren bij deze beroepsgrond. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 5.5, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet als er sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is in het geval van eiser niet gebleken.
Namens eiser is terecht aangevoerd dat hij niet schriftelijk, in een taal die hij verstaat of waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij deze verstaat, is geïnformeerd zoals bedoeld in artikel 5.10, eerste lid, van het Vb. Dit gebrek leidt echter niet tot de conclusie dat het beroep gegrond moet worden verklaard. In het geval van eiser is de rechtbank van oordeel dat de ernst van het gebrek niet opweegt tegen de belangen die met de vrijheidsontneming gediend zijn. Daarbij neemt de rechtbank in het bijzonder het grensbewakingsbelang in aanmerking. Eiser is voorafgaand aan het opleggen van de maatregel gehoord met behulp van een tolk in de Dari-taal, en heeft hij aangegeven deze goed te kunnen verstaan. Uit de maatregel blijkt dat de strekking en inhoud daarvan mondeling, met behulp van een tolk in de Dari-taal, aan eiser is voorgehouden. In de maatregel is ook opgenomen dat de inhoud van de informatiebrief waarom eiser de vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd mondeling met behulp van een tolk in de Dari-taal met eiser is besproken. Dat niet is aangekruist waarom dit mondeling is gebeurd, acht de rechtbank in dit geval niet relevant. Uit de dossierstukken blijkt dat aan eiser de informatiefolder in de Engelse taal uitgereikt. Verweerder heeft verklaard dat dit is gebeurd omdat eiser in het gehoor had aangegeven een klein beetje Engels te beheersen. Uit het vorenstaande blijkt genoegzaam dat eiser ook zonder dat hem dit schriftelijk in een taal die hij verstaat of waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij deze verstaat op de hoogte is geraakt van de redenen van de grensdetentie. Daarbij is eiser ook meegedeeld dat verweerder de rechtbank onverwijld in kennis zal stellen van de vrijheidsontnemende maatregel en dat deze kennisgeving geldt als beroep tegen deze maatregel. Verder is eiser van kosteloze professionele rechtsbijstand voorzien. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser door bovengeschetste gang van zaken niet in zijn belangen geschaad. Eiser is immers niet belemmerd in het gebruik maken van de hem toekomende procedurele rechten. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van J.J. Brands, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647. Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4180, r.o. 10.