Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2026:20784

Procesafspraken. Veroordeling voor (voorbereidingshandelingen van internationale) handel in harddrugs, aanwezig hebben van een vuurwapen en witwassen. Overeenkomstig de gemaakte procesafspraken legt de rechtbank een gevangenisstraf op van vijftig maanden.

Rechtbank Den Haag 4 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:20784 text/xml public 2026-08-04T15:54:35 2026-07-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-07-24 09/294734-25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig Op tegenspraak NL Den Haag Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:20784 text/html public 2026-08-04T15:53:50 2026-08-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:20784 Rechtbank Den Haag , 24-07-2026 / 09/294734-25
Procesafspraken. Veroordeling voor (voorbereidingshandelingen van internationale) handel in harddrugs, aanwezig hebben van een vuurwapen en witwassen. Overeenkomstig de gemaakte procesafspraken legt de rechtbank een gevangenisstraf op van vijftig maanden.
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/294734-25

Datum uitspraak: 24 juli 2026

Tegenspraak

Verkort vonnis

De rechtbank Den Haag heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] ,

op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] .
<nr>1</nr>Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 10 juli 2026.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. R.P. Tuinenburg en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. W. Hendrickx naar voren is gebracht.
<nr>2</nr>De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1

hij in of omstreeks de periode van 28 november 2019 tot en met 6 maart 2021 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten

- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,

- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren,

verstrekken en/of vervoeren, en/of

- het opzettelijk vervaardigen

van amfetamine, cocaïne en/of MDMA, in elk geval een middel als bedoeld in de bij

de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid

van de Opiumwet

- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te

plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,

- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,

door

- de aan- en/of verkoopprijs van een of meer hoeveelheden amfetamine, cocaïne,

MDMA en/of methanol, cafeïne en/of zwavelzuur te vragen, te verstrekken en/of uit

te wisselen;

- een of meer hoeveelheden amfetamine, cocaïne en/of MDMA te koop te vragen en

aan te bieden;

- inlichtingen te vragen en/of te verstrekken over de herkomst en/of kwaliteit van

een of meer hoeveelheden amfetamine, cocaïne en/of MDMA;

- inlichtingen te vragen en/of te verstrekken over de beschikbaarheid van een of meer hoeveelheden amfetamine, cocaïne, MDMA en/of cafeïne, methanol en/of zwavelzuur;

- inlichtingen en/of aanwijzingen te vragen en/of geven voor de aflevering van een

of meer hoeveelheden amfetamine, cocaïne en/of MDMA, cafeïne, methanol en/of

zwavelzuur en/of

- ( contante) geldbedragen, PGP-toestellen (met SkyECC en/of EncroChat-applicaties), een vacuümmachine, plastic handschoenen en/of mondmaskers voorhanden te hebben;

2

hij op of omstreeks 28 november 2019 tot en met 6 maart 2021 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk

heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde cocaïne en/of amfetamine en/of MDMA, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3

hij op of omstreeks 2 februari 2021 te 's-Gravenhage een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Walther, type P22, kaliber .22 zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;

4

hij op of omstreeks 4 november 2025, te 's-Gravenhage (van) 19.700,- Euro en 718,50

Euro, althans een of meer voorwerpen

- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet,

en/of

- gebruik heeft gemaakt

terwijl hij, verdachte, wist dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk -

afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

5

hij in of omstreeks de periode van 19 augustus 2025 tot en met 4 november 2025 te

's-Gravenhage, althans in Nederland, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten

- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,

- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of

- het opzettelijk vervaardigen

van cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende

lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet

- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,

- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,

- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door

- de aan- en/of verkoopprijs van een of meer hoeveelheden cocaïne te vragen, te verstrekken en/of uit te wisselen;

- een of meer hoeveelheden cocaïne te koop te vragen en aan te bieden;

- inlichtingen te vragen en/of te verstrekken over de herkomst en/of kwaliteit van een of meer hoeveelheden cocaïne;

- ( contante) geldbedragen, een geldtelmachine, een vacuümmachine, plastic handschoenen en/of mondmaskers voorhanden te hebben;

6

hij op of omstreeks de periode van 19 augustus 2025 tot en met 4 november 2025 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
<nr>3</nr>Procesafspraken 3.1.
De aard van de zaak

Deze strafzaak kenmerkt zich doordat de officier van justitie en de verdediging zogeheten ‘procesafspraken’ hebben gemaakt over wat volgens hen een passende uitkomst van de strafzaak zou zijn. Deze procesafspraken hebben zij opgenomen in een overeenkomst van juni 2026, die zij op 2 juli 2026 aan de rechtbank hebben doen toekomen. In de overeenkomst doen de officier van justitie en de verdediging aan de rechtbank een gezamenlijk voorstel voor de wijze van afdoening van de strafzaak.

Samengevat houdt dit afdoeningsvoorstel het volgende in:

- de verdachte ziet af van het indienen van onderzoekswensen en trekt al ingediende (en eventueel toegewezen) onderzoekswensen uiterlijk ter terechtzitting en bij voorkeur al eerder schriftelijk in;

- de verdachte hoeft in het kader van de afspraken geen nadere verklaring af te leggen. Uiteraard staat het hem vrij dit ter terechtzitting alsnog/wel te doen;

- het Openbaar Ministerie zal ter terechtzitting rekwireren tot een bewezenverklaring van:

ten aanzien van feit 1:

een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door zich en een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen, meermalen gepleegd;

en

een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voorbereiden of bevorderen, door voorwerpen, stoffen en gelden voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2:

medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 3:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

ten aanzien van feit 4:

witwassen;

ten aanzien van feit 5:

een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door zich en een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen, meermalen gepleegd;

en

een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door voorwerpen, stoffen en gelden voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 6:

medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

- het Openbaar Ministerie zal ter terechtzitting voor die bewezenverklaring een strafeis vorderen van 50 maanden gevangenisstraf, met aftrek van de tijd in voorlopige hechtenis doorgebracht;

- de verdediging zal geen verweren voeren;

- de verdachte zal zich niet onttrekken aan de tenuitvoerlegging van de straf;

- partijen spreken af dat op het klassiek beslag (na verkregen machtiging van de rechter-commissaris) conservatoir beslag is of wordt gevestigd;

- de verdediging en het Openbaar Ministerie stellen geen hoger beroep in indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform de tussen de verdachte/verdediging en het Openbaar Ministerie gemaakte afspraken;

- het Openbaar Ministerie zal geen op de datasets van de EncroChat-accounts [account 1] en [account 2] en SkyEcc ID [ID 1] , [ID 2] en [ID 3] gebaseerde, nieuwe strafvervolging instellen voor feiten die strafbaar zijn gesteld in de Opiumwet, de Wet wapens en munitie of Tweede Boek, Titel XXXA (witwassen) van het Wetboek van Strafrecht;

- partijen spreken ten aanzien van de ontnemingszaak af dat de verdediging uiterlijk 1 juli 2026 een conclusie van antwoord zal aanleveren en het Openbaar Ministerie zich zal inspannen om voor de terechtzitting van 10 juli een conclusie van dupliek aan te leveren.

In de overeenkomst is verder een voorwaardelijk verzoek opgenomen van de verdachte/verdediging en het Openbaar Ministerie tot heropening van het onderzoek ter terechtzitting, indien de rechtbank de procesafspraken zou afwijzen in de volgende gevallen:

indien de rechtbank tot een andere bewezenverklaring zou komen, maar uitsluitend voor zover hierdoor de aard van het delict wezenlijk verandert;

indien de rechtbank van oordeel zou zijn dat de overeengekomen straf niet in een redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak.
3.2.
Het toetsingskader

Bij de beoordeling van deze zaak zijn voor de rechtbank leidend geweest de uitgangspunten verwoord door de Hoge Raad in het arrest van 27 september 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1252). Deze komen op het volgende neer.

Hoewel een wettelijke regeling van procesafspraken op dit moment ontbreekt, verzet het stelsel van strafvordering zich er niet tegen dat de officier van justitie en de verdediging een gezamenlijk standpunt innemen over de beoogde afdoening van een strafzaak. De totstandkoming van procesafspraken doet echter geen afbreuk aan de zelfstandige positie van de rechtbank. De rechtbank behoudt haar eigen verantwoordelijkheid dat de behandeling en de beoordeling van de strafzaak plaatsvinden overeenkomstig de daarvoor geldende wettelijke regeling – in het bijzonder de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) – en de eisen van een eerlijk proces.

Op grond van de artikelen 348 en 350 Sv beslist de rechtbank op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting over de in die bepalingen genoemde vraagpunten. Aan de verplichting die op de rechtbank rust om te beslissen op de in artikelen 348 en 350 Sv genoemde vraagpunten, wordt niet afgedaan door de omstandigheid dat een afdoeningsvoorstel wordt gedaan. Wel moet de rechtbank dat voorstel betrekken bij de beantwoording van de genoemde vraagpunten, maar zij is niet verplicht om overeenkomstig het voorstel te beslissen.

Waar het gaat om de beantwoording van de eerste vraag van artikel 350 Sv brengt de eigen zelfstandige verantwoordelijkheid van de rechtbank met zich dat zij zelf – ongeacht wat de procesafspraken daarover inhouden – dient na te gaan of zij het aan de verdachte ten laste gelegde feit bewezen acht. Artikel 338 Sv dwingt de rechtbank ertoe het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan slechts aan te nemen indien zij daarvan uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen.

Waar het gaat om de beantwoording van de vierde vraag van artikel 350 Sv heeft de rechtbank een eigen zelfstandige verantwoordelijkheid om te komen tot een strafoplegging die zij passend en geboden acht. De rechtbank heeft hierbij een grote vrijheid, zowel in de keuze van de op te leggen straf als de waardering van de factoren die zij daarbij betrekt. Het afdoeningsvoorstel is een relevante factor die de rechtbank moet betrekken bij de keuze van de op te leggen straf. Indien de rechtbank van oordeel is dat wat de procesafspraken over de strafoplegging inhoudt, in een redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak zoals die blijkt uit de processtukken en het verhandelde op de terechtzitting, ligt het in de rede dat zij die straf als passend en geboden oplegt.

Om betekenis toe te kunnen kennen aan de procesafspraken, moet de rechtbank kunnen garanderen dat jegens de verdachte voldaan wordt aan de eisen van een eerlijk proces. In het bijzonder betekent dit dat de rechtbank moet onderzoeken of de verdachte in de concrete omstandigheden van het geval vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan de procesafspraken en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. Dit onderzoek vindt plaats op de terechtzitting.
3.3.
De toetsing in deze zaak

Om voormelde beoordeling te kunnen verrichten, heeft de rechtbank de strafzaak behandeld op de terechtzitting van 10 juli 2026. Deze zitting had het karakter van een inhoudelijke behandeling. Na de voordracht van de zaak door de officier van justitie heeft de rechtbank de verdachte bevraagd over de procesafspraken. De verdachte, die gedurende het hele proces werd bijgestaan door zijn raadsman, heeft er blijk van gegeven dat hij weet wat de procesafspraken inhouden, dat hij begrijpt dat hij bepaalde hem toekomende rechten niet uitoefent en wat de gevolgen daarvan voor hem kunnen zijn en dat hij vrijwillig tot de ondubbelzinnige beslissing is gekomen mee te werken aan de procesafspraken.

Overeenkomstig artikel 301 Sv heeft de rechtbank de korte inhoud meegedeeld van de processtukken die zij relevant acht voor de door haar te nemen beslissingen. Dat is gedaan enerzijds om de verdachte in de gelegenheid te stellen daarop te reageren, anderzijds met het oog op de externe openbaarheid.

Vervolgens heeft de officier van justitie gerekwireerd overeenkomstig de procesafspraken en heeft de verdediging zich daarbij aangesloten. De raadsman heeft het woord gevoerd ter verdediging, waarbij hij de rechtbank heeft verzocht de procesafspraken te volgen conform hetgeen door de officier van justitie is gerekwireerd. Aan de verdachte is het recht gelaten om het laatst te spreken. Hierna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

In het hierna volgende zal de rechtbank de relevante vraagpunten uit de artikelen 348 en 350 Sv beantwoorden.
<nr>4</nr>De bewijsbeslissing 4.1.
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft – overeenkomstig de procesafspraken – gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.
4.2.
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft – overeenkomstig de procesafspraken – geen verweer gevoerd.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel met een opgave daarvan, zal dit plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.
4.4.
De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

1

hij in de periode van 28 november 2019 tot en met 6 maart 2021 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, te weten

- het opzettelijk binnen en buiten het grondgebied van Nederland brengen,

- het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren,

verstrekken en vervoeren, en

- het opzettelijk vervaardigen

van amfetamine, cocaïne en MDMA,

- zich en een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,

- voorwerpen, stoffen en gelden voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,

door

- de aan- en/of verkoopprijs van een of meer hoeveelheden amfetamine, cocaïne,

MDMA en/of methanol, cafeïne en/of zwavelzuur te vragen, te verstrekken en/of uit

te wisselen;

- een of meer hoeveelheden amfetamine, cocaïne en/of MDMA te koop te vragen en

aan te bieden;

- inlichtingen te vragen en/of te verstrekken over de herkomst en/of kwaliteit van

een of meer hoeveelheden amfetamine, cocaïne en/of MDMA;

- inlichtingen te vragen en/of te verstrekken over de beschikbaarheid van een of meer hoeveelheden amfetamine, cocaïne, MDMA en/of cafeïne, methanol en/of zwavelzuur;

- inlichtingen en/of aanwijzingen te vragen en/of geven voor de aflevering van een

of meer hoeveelheden amfetamine, cocaïne en/of MDMA, cafeïne, methanol en/of

zwavelzuur en/of

- ( contante) geldbedragen, PGP-toestellen (met SkyECC en/of EncroChat-applicaties), een vacuümmachine, plastic handschoenen en/of mondmaskers voorhanden te hebben;

2

hij in de periode van 28 november 2019 tot en met 6 maart 2021 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde cocaïne en/of amfetamine en/of MDMA, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3

hij op 2 februari 2021 te 's-Gravenhage een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Walther, type P22, kaliber .22, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool, voorhanden heeft gehad;

4

hij op 4 november 2025, te 's-Gravenhage 19.700,- Euro en 718,50 Euro voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk -

afkomstig waren uit enig misdrijf;

5

hij in de periode van 19 augustus 2025 tot en met 4 november 2025 te

's-Gravenhage, althans in Nederland, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, van cocaïne

- zich en een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,

- voorwerpen, stoffen en gelden voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door

- de aan- en/of verkoopprijs van een of meer hoeveelheden cocaïne te vragen, te verstrekken en/of uit te wisselen;

- een of meer hoeveelheden cocaïne te koop te vragen en aan te bieden;

- inlichtingen te vragen en/of te verstrekken over de herkomst en/of kwaliteit van een of meer hoeveelheden cocaïne;

- ( contante) geldbedragen, een geldtelmachine, een vacuümmachine, handschoenen en/of mondmaskers voorhanden te hebben;

6

hij in de periode van 19 augustus 2025 tot en met 4 november 2025 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
<nr>5</nr>De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
<nr>6</nr>De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
<nr>7</nr>De strafoplegging 7.1.
De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft – overeenkomstig de procesafspraken – gevorderd dat aan de verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van vijftig maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

De officier van justitie heeft toegelicht dat hij zonder de procesafspraken een gevangenisstraf voor de duur van 75 maanden passend en geboden zou achten. Door het maken van procesafspraken is volgens de officier van justitie sprake van een efficiëntere en snellere afdoening, waardoor de strafrechtketen wordt ontlast. Dit is met name gelegen in het uitblijven van een behandeling in hoger beroep en cassatie. Gelet op een en ander acht de officier van justitie de door hem gevorderde straf gerechtvaardigd.
7.2.
Het standpunt van de raadsman

De verdediging heeft – overeenkomstig de procesafspraken – bepleit dat aan de verdachte de door de officier van justitie gevorderde straf wordt opgelegd.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich gedurende twee verschillende periodes van bijna anderhalf jaar respectievelijk tweeënhalve maand schuldig gemaakt aan de handel in harddrugs en op de in- en uitvoer van harddrugs gerichte voorbereidingshandelingen. De verdachte heeft met deze gedragingen een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele circuit voor de handel in verdovende middelen. De grootschalige (internationale) handel in harddrugs heeft een ontwrichtende invloed op de samenleving. Daarnaast gaan – zoals ook blijkt uit de chatgesprekken waaraan de verdachte heeft deelgenomen – in de georganiseerde handel van harddrugs grote sommen geld om, waardoor de financiële belangen van daders vaak groot zijn. Om die belangen te beschermen wordt dikwijls geweld gebruikt. Van de drugshandel gaat bovendien een ondermijnend effect uit. Tevens is algemeen bekend dat het gebruik van drugs een ernstige bedreiging vormt voor de volksgezondheid en kan leiden tot een verslaving aan het gebruik daarvan. De verdachte heeft met zijn gedrag kennelijk slechts zijn eigen financiële gewin voor ogen gehad en zich daarbij niets aangetrokken van de schadelijke effecten voor de maatschappij.

Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een pistool. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee en leidt tot gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. Het voorhanden hebben van vuurwapens leidt immers, vooral in het criminele drugscircuit, al te vaak ook tot het daadwerkelijk gebruik daarvan, met alle gevolgen van dien.

Tot slot heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van geldbedragen. Witwassen heeft een ontwrichtende werking op het financieel en economisch verkeer en faciliteert de onderliggende (drugs)criminaliteit. Ook levert witwassen een aantasting op van de legale economie.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 29 mei 2026. Daaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld, onder meer wegens overtreding van de Opiumwet.

Procesafspraken

De rechtbank heeft acht geslagen op de procesafspraken en de inhoud daarvan met betrekking tot de strafoplegging.

De rechtbank merkt op dat de officier van justitie en de verdediging al in een vroeg stadium in gesprek zijn gegaan over procesafspraken. De rechtbank is van oordeel dat dit heeft geleid tot een voortvarende strafrechtelijke behandeling in eerste aanleg. Verder is veel voordeel behaald door het ontlasten van onderzoeks- en zittingscapaciteit van politie en justitie alsook in het voorkomen van een eventuele behandeling van de zaak in hoger beroep en cassatie. De rechtbank is zich ervan bewust dat de afspraak om geen hoger beroep in te stellen niet als rechtsgeldige afstand van dat rechtsmiddel geldt. Mocht toch hoger beroep worden ingesteld, dan is die afspraak echter wel relevant bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van dat hoger beroep. Uit de omstandigheid dat in eerste aanleg vonnis is gewezen overeenkomstig de procesafspraken zal in de regel voortvloeien dat het belang ontbreekt bij een behandeling van de zaak in hoger beroep. Een volledige behandeling in hoger beroep lijkt daarmee onwaarschijnlijk. Het voorstel dient niet alleen een efficiënte en voortvarende behandeling, maar ook een effectieve afdoening van de zaak, omdat de zaak sneller onherroepelijk wordt en de straf sneller wordt geëxecuteerd. De procesafspraken dragen dus aanzienlijk bij aan een efficiëntere rechtsgang. Dat de verdachte heeft meegewerkt aan de totstandkoming van de procesafspraken en verantwoordelijkheid wil nemen, weegt de rechtbank daarom mee in zijn voordeel.

De op te leggen straf

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.

Dit alles afwegende, is de rechtbank van oordeel dat de in de procesafspraken genoemde straf in een redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak zoals die blijkt uit de processtukken en het verhandelde op de terechtzitting. De met bestraffing te dienen doelen – kort gezegd: vergelding, normbevestiging en voorkoming van recidive – worden in voldoende mate gediend met oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijftig maanden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.
<nr>8</nr>De inbeslaggenomen voorwerpen
Ter terechtzitting is gesproken over de op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen te weten: een geldbedrag van € 19.700,00, een geldbedrag van

€ 718,50, rechten aan toonder en een personenauto van het merk Audi met kenteken [kenteken] .

Over de door de officier van justitie te vorderen beslissing van de rechtbank hierover zijn geen procesafspraken gemaakt. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat in het kader van deze strafzaak kan worden beslist tot teruggave van deze voorwerpen aan de verdachte. De raadsman heeft zich eveneens op dit standpunt gesteld.

De rechtbank zal overeenkomstig dit standpunt beslissen en de teruggave aan de verdachte gelasten van de inbeslaggenomen voorwerpen, nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet. Deze beslissing betreft het klassiek gelegde beslag. De rechtbank merkt op dat inmiddels op deze inbeslaggenomen voorwerpen ook conservatoir beslag is gevestigd, overeenkomstig de procesafspraken en met het oog op een ontnemingsprocedure.
<nr>9</nr>De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 47, 55, 57, 63 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht;

- 2, 10 en 10a van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I;

- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
<nr>10</nr>De beslissing
De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 4.4. bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

om een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich en een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen, meermalen gepleegd;

en

om een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen, stoffen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2:

de eendaadse samenloop van:

medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

en

medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 3:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

ten aanzien van feit 4:

witwassen;

ten aanzien van feit 5:

om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich en een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen, meermalen gepleegd;

en

om een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen, stoffen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 6:

de eendaadse samenloop van:

medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

en

medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 50 (VIJFTIG) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

de inbeslaggenomen voorwerpen;

gelast de teruggave aan de verdachte van de op de beslaglijst genoemde voorwerpen, te weten: een geldbedrag van € 19.700,00, een geldbedrag van € 718,50, rechten aan toonder en een personenauto merk Audi met kenteken [kenteken] .

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.P.M. Meskers, voorzitter,

mr. C.A.W. Zijlstra, rechter,

mr. C. Beuze, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. C.W.I. Ostendorf, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 juli 2026.

Artikel delen