ECLI:NL:RBDHA:2026:20786text/xmlpublic2026-08-04T07:50:342026-07-24Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2026-07-10NL26.19996UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLRotterdamBestuursrecht; VreemdelingenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:20786text/htmlpublic2026-08-04T07:47:572026-08-04Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2026:20786 Rechtbank Den Haag , 10-07-2026 / NL26.19996 Dublin/Kroatië. Voornemen onzorgvuldig voorbereid, interstatelijk vertrouwensbeginsel, artikel 17 Dublinverordening, onevenredige hardheid, ongegrond.
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL26.19996
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. K. Kana). Procesverloop Bij besluit van 9 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling ervan. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank heeft het beroep, tezamen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.19997), op 1 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn ter zitting verschenen. Als tolk is verschenen de heer S. Chakmak. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser stelt van Turkse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1997. Eiser heeft op 6 januari 2026 een asielaanvraag in Nederland ingediend. 1.1. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 5 september 2025 het Dublin grondgebied illegaal is binnengekomen via Kroatië. Hij heeft daar op dezelfde dag een verzoek tot internationale bescherming ingediend. Op 23 januari 2026 heeft Nederland aan Kroatië verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Kroatië heeft dit terugnameverzoek op 5 februari 2026 op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening aanvaard. Totstandkoming van het besluit 2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Kroatië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen. Beoordeling van de beroepsgronden door de rechtbank Voornemen onzorgvuldig voorbereid 3. Eiser stelt zich op het standpunt dat het voornemen onzorgvuldig is voorbereid. Een bestuursorgaan moet het voorgenomen besluit op grond van artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) deugdelijk motiveren en ingaan op alle argumenten en bezwaren van eiser. Daarnaast is het voornemen een voorbereidingshandeling en moet een besluit op grond van artikel 3:2 van de Awb zorgvuldig worden voorbereid. Dat is hier onvoldoende gebeurd. 3.1. Het voornemen is een voorbereidingshandeling en een mededeling van feitelijke aard, die niet is gericht op enig rechtsgevolg. Hierbij verwijst de rechtbank naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 23 november 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:4348) en van 11 april 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1642). Verweerder heeft eiser in kennis gesteld van het voornemen om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Kroatië daarvoor verantwoordelijk wordt geacht. Het voornemen bevat alle dragende overwegingen. Eiser heeft door middel van het indienen van de zienswijze de gelegenheid gehad om op het voornemen te reageren. Verweerder heeft vervolgens alle argumenten uit de zienswijze en de verklaringen van eiser in het Dublingehoor betrokken in het bestreden besluit. De rechtbank vindt deze handelswijze niet onzorgvuldig en ziet geen aanleiding om af te wijken van de Afdelingsjurisprudentie op dit punt. De beroepsgrond slaagt niet. Interstatelijk vertrouwensbeginsel 4. Eiser stelt dat ten aanzien van Kroatië niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser heeft duidelijke en consistente verklaringen afgelegd die bovendien in lijn zijn met wat bekend is over de behandeling van migranten in Kroatië. Bewijs vragen van deze behandeling en situatie is onredelijk omdat eiser dit niet heeft en hier ook niet aan kan komen. Nu eiser reeds is blootgesteld aan een onmenselijke behandeling in Kroatië heeft hij terecht vrees dat dit hem bij terugkeer weer zal gebeuren. Het betreffen systematische schendingen die afdoen aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel, zoals ook geoordeeld door zittingsplaats Zwolle op 21 oktober 2024 (ECLI:NL:RBOVE:2024:5401). Er is gebleken dat het voor eiser niet mogelijk en zeker niet zinvol is om een klacht in te dienen. Hij werd gedetineerd in een politiecel en had geen enkele mogelijkheid ergens (anders) zijn beklag te doen. Bovendien was communicatie niet mogelijk omdat niemand hem verstond. 4.1. De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). De Afdeling heeft in onder meer de uitspraken van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4037, bevestigd op onder meer 24 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1869 en 21 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5635, geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. De uitspraak van zittingsplaats Zwolle waar eiser naar verwijst doet daaraan niet af nu deze dateert van voor de meest recente Afdelingsjurisprudentie hieromtrent. 4.2. Het vorenstaande betekent dat verweerder in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Kroatië zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat eiser bij overdracht aan Kroatië geen risico loopt op een met artikel 3 EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Kroatië, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichting door de Kroatische autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve (landen)informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Kroatië overleggen of verklaringen afleggen over zijn eigen ervaringen ten aanzien van het asiel- en opvangsysteem in Kroatië. Niet elke tekortkoming in het asiel- en opvangsysteem van de verantwoordelijke lidstaat levert een schending op van artikel 4 van het Handvest. Daarvan is pas sprake als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest Jawo). 4.3. Naar oordeel van de rechtbank is eiser niet in zijn bewijslast geslaagd. Eiser heeft geen objectieve landeninformatie over de asielprocedure of opvangvoorzieningen in Kroatië overgelegd. Met zijn verklaringen over zijn ervaringen in Kroatië heeft hij evenmin aannemelijk gemaakt dat in Kroatië sprake is van zodanig ernstige tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest of artikel 3 van het EVRM. Tijdens zijn aanmeldgehoor heeft eiser verklaard dat hij achternagezeten werd door de Afghaanse maffia (zie pagina 3), dat zijn paspoort is afgenomen, dat de Kroatische politie alle communicatiemiddelen heeft afgenomen en dat andere mensen zijn geslagen (zie pagina 6). Hij verklaart dat hij niet kon klagen omdat hij illegaal was (zie pagina 6). Dat eiser bij zijn illegale binnenkomst in Kroatië door de Kroatische autoriteiten slecht werd behandeld, betekent nog niet dat hij ook als Dublinclaimant bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met voormelde bepalingen. De verklaringen van eiser gaan over de wijze waarop hij bij eerste aankomst in Kroatië is behandeld en niet over de situatie dat eiser als Dublinclaimant aan Kroatië zal worden overgedragen (zie bijvoorbeeld de Afdelingsuitspraak van 29 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1645, en het arrest van het Hof van 29 februari 2024, ECLI:EU:C:2024:195, punt 64). Over dit laatste kan eiser ook niet verklaren, nu hij niet eerder als Dublinclaimant is overgedragen aan Kroatië. Eiser heeft niet met landeninformatie onderbouwd dat Dublinclaimanten, die gereguleerd op het vliegveld worden overgedragen aan de Kroatische autoriteiten, na overdracht aan Kroatië een reëel risico lopen om in eenzelfde situatie terecht te komen als eiser eerder in Kroatië heeft meegemaakt. Daarbij komt dat Kroatië met het claimakkoord heeft gegarandeerd eisers asielaanvraag in behandeling te nemen met inachtneming van de internationale verplichtingen. Als eiser vindt dat Kroatië zijn verplichtingen niet nakomt, ligt het op zijn weg om daarover in Kroatië te klagen bij de (hogere) autoriteiten of de daartoe geëigende instanties. Dat dit voor hem niet mogelijk, uiterst moeilijk of bij voorbaat zinloos is, is niet aannemelijk gemaakt. Te meer nu eiser heeft verklaard dat hij geen klacht heeft ingediend bij de autoriteiten (zie aanmeldgehoor pagina 6). Er is niet gebleken dat de autoriteiten van Kroatië hem niet zouden kunnen of willen helpen. 4.4. De beroepsgrond slaagt niet. Artikel 17 Dublinverordening 5. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat zijn ervaringen, die traumatiserend zijn, bijzondere en individuele omstandigheden vormen die reden hadden moeten vormen voor verweerder om de behandeling van de aanvraag aan zich te trekken, al dan niet op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. Medische stukken zijn overgelegd waaruit volgt dat eiser last heeft van hartritmestoornissen, dat hij tremadol krijgt voorgeschreven en dat hij onder behandeling staat in het HMC Antoniushove ziekenhuis voor onder meer een nekvernauwing. Ter zitting attendeert eiser op een verwijzingsuitspraak van zittingsplaats Roermond (ECLI:NL:RBDHA:2025:19325) en betoogt dat daaruit volgt dat bij een Dublinoverdracht mogelijk een bredere toets moet worden gedaan dan alleen het risico van de feitelijke overdracht. 5.1. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) trekt verweerder een asielaanvraag onverplicht aan zich indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. In paragraaf C2/5 van de Vc staat verder dat verweerder terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening, als Nederland daartoe op grond van de Dublinverordening niet verplicht is. De Afdeling heeft over deze bepaling eerder overwogen dat de rechter de beoordeling van verweerder terughoudend moet toetsen. Vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717, onder 7. 5.2. De rechtbank overweegt dat verweerder in de door eiser aangevoerde omstandigheden – te weten zijn traumatiserende ervaringen en fysieke en psychische situatie – geen aanleiding heeft hoeven zien om te concluderen dat overdracht naar Kroatië zou leiden tot een onevenredige hardheid. Voor zover eiser een beroep doet op het arrest C.K. van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127, overweegt de rechtbank dat uit de overgelegde medische stukken niet valt te herleiden dat een overdracht zal leiden tot een aanzienlijke onomkeerbare achteruitgang van eisers gezondheidssituatie. De rechtbank merkt op dat eiser tijdens het aanmeldgehoor heeft verklaard dat hij geen gezondheidsklachten heeft behalve een hernia (zie pagina 4). Uit de medische stukken blijkt dat eiser onderzoek heeft gehad wegens nekklachten en dat hij een pijnstiller heeft gekregen. Verder blijkt uit de medische stukken enkel dat een hartfilmpje is gemaakt. Van de gestelde hartproblemen en een behandeling daarvoor blijkt niet. De overgelegde medische informatie is daarom onvoldoende om te concluderen dat er sprake is van een situatie zoals bedoeld in het CK-arrest. Eisers situatie is gelet op de medische stukken ook niet vergelijkbaar met die van de vreemdeling in de door eiser ter zitting genoemd verwijzingsuitspraak van zittingsplaats Roermond, zodat de rechtbank op eisers beroep op die uitspraak niet verder ingaat. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om de asielaanvraag van eiser onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vc. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Op den Kamp, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. De rechtbank gaat in deze uitspraak uit van de Dublinverordening en de wet- en regelgeving zoals geldend ten tijde van het bestreden besluit.