Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2026:21058

Eerste beroep bewaring – lichter middel - beroep ongegrond.

Rechtbank Den Haag 27 July 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:21058 text/xml public 2026-07-27T15:54:52 2026-07-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-07-27 NL26.40717 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Middelburg Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21058 text/html public 2026-07-27T15:54:33 2026-07-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:21058 Rechtbank Den Haag , 27-07-2026 / NL26.40717
Eerste beroep bewaring – lichter middel - beroep ongegrond.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.40717
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser,
V-nummer: [V-nummer] ,

(gemachtigde: mr. E. El Assrouti),

en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. G. Cambier).
Procesverloop
Met het bestreden besluit van 20 juli 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en e, van de Vw en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling. Eiser heeft op 22 juli 2026 gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft op 24 juli 2026 een reactie op de beroepsgronden ingediend. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 27 juli 2026 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

1. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en e, van de Vw. In de maatregel heeft verweerder overwogen dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag (b-grond) en dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is ten behoeve van de handhaving van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel, bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Vw in het geval de vreemdeling die maatregel niet naleeft en het onderduikrisico blijft bestaan (e-grond).

In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:

b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond; n. zich niet heeft gehouden aan een hem opgelegde maatregel ter beperking van beweging van de vrijheid, bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Vw; o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf; p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid; r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

2. De rechtbank stelt vast dat de gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen niet zijn betwist door eiser. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden juist zijn en voor zover nodig voldoende zijn toegelicht in de maatregel. Deze gronden zijn voldoende om de maatregel van vreemdelingenbewaring te kunnen dragen. Dit maakt dat een risico op onderduiken gegeven is.

Lichter middel

3. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, omdat vreemdelingenbewaring als ultimum remedium geldt. Dat hij zich eerder aan het toezicht heeft onttrokken, maakt niet dat er reden is om aan te nemen dat dit nu weer het geval zal zijn. Hij zal meewerken aan de voorwaarden en gedurende de meldplicht verblijven bij zijn vader in [plaats] , waardoor hij traceerbaar zal zijn. Ook is hij voornemens een asielaanvraag in te dienen en dan kan hij in een AZC verblijven gedurende de asielprocedure.

4. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kan worden toegepast om het onderduikrisico te ondervangen. De enkele stelling dat hij zich nu aan de voorwaarden zal houden doet niet af aan het risico op onderduiken. Daarbij is verder van belang dat eiser eerder met onbekende bestemming is vertrokken uit de VBL. Tot slot is ook niet gebleken van feiten en omstandigheden die de maatregel onevenredig bezwarend maken voor eiser.

Ambtshalve toets

5. Met inachtneming van de ambtshalve toets ziet de rechtbank geen grond om te komen tot het oordeel dat de maatregel op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie

6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

7. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 27 juli 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Vreemdelingenwet 2000.

Asielzoekerscentrum.

Vrijheidsbeperkende locatie.

Artikel delen