Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2026:21081

vrijheidsbeperkende maatregel, art. 56, eerste lid van de Vw, ongegrond.

Rechtbank Den Haag 28 July 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:21081 text/xml public 2026-07-28T10:24:13 2026-07-28 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-07-28 NL26.36312 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Groningen Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21081 text/html public 2026-07-28T10:20:52 2026-07-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:21081 Rechtbank Den Haag , 28-07-2026 / NL26.36312
vrijheidsbeperkende maatregel, art. 56, eerste lid van de Vw, ongegrond.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.36312
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , eiser,
v-nummer: [v-nummer],

(gemachtigde: mr. B. Snoeij),

en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).
Procesverloop
1. Bij besluit van 24 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd, als bedoeld in artikel 56, eerste lid van de Vw (hierna: de vrijheidsbeperkende maatregel).
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank merkt het beroep ook aan als een verzoek om schadevergoeding.
1.2.
Eiser heeft op 13 juli 2026 beroepsgronden ingediend.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 24 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door een gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Overwegingen
2. De rechtbank overweegt dat de minister door middel van de vrijheidsbeperkende maatregel aan eiser heeft verplicht om met ingang van 24 juni 2026 te verblijven in de HTL in Hoogeveen. Daarmee hangt samen het plaatsingsbesluit van het COa van 24 juni 2026. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser geen beroep heeft ingesteld tegen het plaatsingsbesluit en dat de termijn daarvoor inmiddels is verstreken. Daarom staat het plaatsingsbesluit in rechte vast en dient de rechtbank uit te gaan van de rechtmatigheid daarvan.

3. De oplegging van de onderhavige vrijheidsbeperkende maatregel houdt verband met het in rechte onaantastbaar geworden COa-plaatsingsbesluit. Nu de rechtbank moet uitgaan van de rechtmatigheid van het plaatsingsbesluit, kan niet geoordeeld worden dat de vrijheidsbeperkende maatregel, waaraan het plaatsingsbesluit ten grondslag ligt, ten onrechte of op onjuiste grondslag is genomen. Enkel de beroepsgronden die gericht zijn op of verband houden met de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel liggen daarom ter toetsing voor.

Beroepsgronden eiser

4. Eiser stelt dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld bij het opleggen van de vrijheidsbeperkende maatregel. Eiser stelt dat hem voorafgaand aan het gehoor van 24 juni 2026 alleen is medegedeeld dat het plan bestond om hem een maatregel op te leggen waardoor hij in zijn bewegingsvrijheid zou worden beperkt. Eiser is vervolgens gevraagd of er medische, persoonlijke, individuele of andere beletselen zijn die zouden kunnen leiden tot het afzien van deze beperking in vrijheid. Eiser stelt dat hij deze vragen met nee heeft beantwoord, zonder dat hij wist welke gevolgen dit zou hebben. Daarnaast stelt eiser dat hij er voorafgaand aan het gehoor niet op is gewezen dat hij zich tijdens dit gehoor kon laten bijstaan door een advocaat, dan wel zich voorafgaand daaraan door een advocaat kon laten adviseren.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank volgt eiser niet in zijn beroepsgrond dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld bij het opleggen van de vrijheidsbeperkende maatregel. Uit het proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan het opleggen van de maatregel blijkt dat eiser is uitgelegd wat het doel is van het gehoor en wat de vrijheidsbeperkende maatregel inhoudt. Bovendien blijkt uit het beroepschrift van eiser niet welke medische, persoonlijke, individuele of andere beletselen hij niet naar voren heeft kunnen brengen en welke omstandigheden hij kenbaar had willen maken. Daarnaast blijkt uit het proces-verbaal dat eiser erop is gewezen dat hij recht heeft op kosteloze rechtsbijstand. Nu eiser ook daadwerkelijk beroep heeft ingesteld, is niet gebleken dat hij op enig moment van zijn recht op rechtsbijstand is verstoken gebleven.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van

mr. N. Wetterauw, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Vreemdelingenwet 2000.

Handhavings- en Toezichtlocatie.

Centraal Orgaan opvang asielzoekers.

Artikel delen