Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2026:21266

Vrijspraak voor ontucht met kleinzoon wegens gebrek aan steunbewijs (feit 1). Tevens vrijspraak voor verkrachting dan wel ontuchtige handelingen van minderjarige wegens onvoldoende steunbewijs (feit 2). Vrijspraak voor het vervaardigen van kinderporno. Veroordeling voor het verwerven, in bezit hebben en zich toegang verschaffen tot kinderporno. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangeniss...

Rechtbank Den Haag 30 July 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:21266 text/xml public 2026-07-30T15:00:27 2026-07-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-07-30 09/053312-25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig Op tegenspraak NL Den Haag Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21266 text/html public 2026-07-30T14:14:14 2026-07-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:21266 Rechtbank Den Haag , 30-07-2026 / 09/053312-25
Vrijspraak voor ontucht met kleinzoon wegens gebrek aan steunbewijs (feit 1). Tevens vrijspraak voor verkrachting dan wel ontuchtige handelingen van minderjarige wegens onvoldoende steunbewijs (feit 2). Vrijspraak voor het vervaardigen van kinderporno. Veroordeling voor het verwerven, in bezit hebben en zich toegang verschaffen tot kinderporno. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen, waarvan 133 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden, en een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 240 uren. Dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en toezicht door de reclassering. Benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vordering.
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/053312-25

Datum uitspraak: 30 juli 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1957 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] .
<nr>1</nr>Het onderzoek op de terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 4 juni 2025 (pro forma) en 16 juli 2026 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. S. Sleeswijk Visser en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. O.E. de Jong naar voren is gebracht.
<nr>2</nr>De tenlastelegging
Aan de verdachte is, kort samengevat, ten laste gelegd:

het plegen van ontucht met zijn minderjarige kleinzoon [slachtoffer 1] in de periode van 13 maart 2023 tot en met 6 mei 2024 in Waddinxveen,

primair verkrachting van [slachtoffer 2] in de periode van 25 november 2003 tot en met 24 november 2006 in Capelle aan den IJssel/Waddinxveen en subsidiair het plegen van ontuchtige handelingen met [slachtoffer 2] , die de leeftijd van twaalf jaar maar nog niet die van zestien jaar had bereikt, in de periode van 25 november 2003 tot en met 24 november 2006 in Capelle aan den IJssel/Waddinxveen, en

het vervaardigen, verwerven, in bezit hebben van en/of zich daartoe de toegang verschaffen tot kinderporno in de periode van 25 november 2003 tot en met 27 mei 2024 in Capelle aan den IJssel/Waddinxveen.

De volledige tekst van de tenlastelegging is vermeld in de dagvaarding, die is gewijzigd op de terechtzitting van 16 juli 2026. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
<nr>3</nr>De bewijsbeslissing 3.1.
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden. Verdere standpunten van de officier van justitie komen hierna aan de orde voor zover van belang voor een door de rechtbank te nemen beslissing.
3.2.
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de ten laste gelegde feiten. Verdere standpunten van de verdediging komen hierna aan de orde voor zover van belang voor een door de rechtbank te nemen beslissing.
3.3.
Vrijspraak feit 1 en 2

Bewijs in zedenzaken

De beoordeling van het bewijs in zedenzaken laat zich doorgaans kenmerken door de aanwezigheid van slechts twee personen bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Bij een ontkennende verdachte, zoals in deze zaak het geval is, brengt dit in veel gevallen mee dat slechts de verklaringen van het vermeende slachtoffer als wettig bewijsmiddel voorhanden zijn.

Op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ertoe de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige genoemde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.

De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad over zedenzaken volgt dat niet is vereist dat de ten laste gelegde seksuele handelingen waarover een vermeend slachtoffer verklaart volledige bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal. Voldoende is als de verklaring op bepaalde punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen. Die bewijsmiddelen moeten dan wel afkomstig zijn uit een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd en er mag tussen de belastende verklaring en het overige bewijs niet een te ver verwijderd verband bestaan.

Vrijspraak feit 1

De rechtbank is van oordeel dat voor de verklaring van [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) – de minderjarige kleinzoon van de verdachte – over de ten laste gelegde ontuchtige handelingen van de verdachte onvoldoende steunbewijs aanwezig is. Voor dit oordeel is het volgende redengevend.

Verklaring van [slachtoffer 1]

Op 6 mei 2024 heeft de toen vierjarige [slachtoffer 1] in een gesprek met zijn moeder en later ook met de partner van zijn moeder onder meer verteld dat de verdachte zijn billen opeet als hij uit bad komt, dat de verdachte de piemel van [slachtoffer 1] in de mond heeft gestopt, dat dit gebeurde in de woonkamer en de keuken en dat de verdachte de buik van zijn zusje [slachtoffer 3] opeet. Op verzoek van zijn moeder en haar partner heeft [slachtoffer 1] met speelgoed laten zien wat de verdachte deed. Daarbij maakte [slachtoffer 1] een smakkend geluid bij de billen van een Spider-Man-pop, deed hij de staart van een dinoknuffel in zijn mond en maakte hij tegelijkertijd bewegingen die zijn moeder als aftrekbewegingen heeft omschreven. Verder likte [slachtoffer 1] het kruis van de Spider-Man-pop en zei hij dat het nu nat is. De volgende dag heeft [slachtoffer 1] verteld dat de verdachte een vinger in de kont van [slachtoffer 1] had gestoken en dat [slachtoffer 1] dingen bij [slachtoffer 3] moest doen.

Op 31 mei 2024 is [slachtoffer 1] gehoord in een studioverhoor. In dat verhoor heeft hij onder meer verteld dat de verdachte de piemel van [slachtoffer 1] in de mond stopt als hij uit de douche stapt, dat de verdachte ook zijn kontje in de mond heeft gedaan, dat de verdachte in binnenspeeltuin Monkey Town de piemel van [slachtoffer 1] in de mond heeft gestopt, dat de verdachte helpt als [slachtoffer 1] naar de wc moet en dan de piemel van [slachtoffer 1] in zijn mond stopt, dat de verdachte zit en [slachtoffer 1] op de bank ligt als de verdachte de piemel van [slachtoffer 1] in de mond stopt en dat de verdachte niets bij [slachtoffer 3] heeft gedaan.

De verdachte ontkent dat hij deze handelingen bij [slachtoffer 1] heeft gepleegd.

Overwegingen

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verklaring van [slachtoffer 1] over de ten laste gelegde handelingen van de verdachte voldoende steun vindt in het volgende, ook door de officier van justitie als steunbewijs aangevoerde:

verklaringen van de moeder van [slachtoffer 1] en haar partner over de hiervoor beschreven handelingen van [slachtoffer 1] met de Spider-Man-pop en dinoknuffel,

verklaringen van de moeder van [slachtoffer 1] , haar partner en de vader van [slachtoffer 1] over een gedragsverandering bij [slachtoffer 1] , en

bevindingen in het kader van de behandeling van [slachtoffer 1] bij [instelling] , een instelling voor geestelijke gezondheidszorg.

De rechtbank zal hieronder de voornoemde mogelijkheden tot steunbewijs bespreken.

Voor wat betreft de handelingen van [slachtoffer 1] met de Spider-Man-pop en de dinoknuffel overweegt de rechtbank dat deze handelingen op zichzelf niet kunnen dienen als steunbewijs. Daarvoor laat [slachtoffer 1] ’s verklaring teveel vragen onbeantwoord over de manier waarop, de plaats of plaatsen waar en het moment of de momenten waarop de handelingen van de verdachte zouden hebben plaatsgevonden. De rechtbank betrekt daarbij dat die handelingen niet (ook) in Monkey Town hebben kunnen plaatsvinden, omdat uit het dossier blijkt dat de verdachte daar niet met [slachtoffer 1] is geweest. Weliswaar zijn de handelingen van [slachtoffer 1] met de Spider-Man-pop en de dinoknuffel in samenhang met zijn verklaring op zijn minst zeer opvallend voor een kind van vier jaar oud, maar die omstandigheid is, bij gebrek aan steunbewijs, op zichzelf onvoldoende om op basis daarvan tot een bewezenverklaring te komen. Ook als de handelingen van [slachtoffer 1] met het speelgoed worden beschouwd in samenhang met het hiervoor genoemde is de rechtbank van oordeel dat sprake is van onvoldoende steunbewijs om de hierna volgende redenen.

Ten aanzien van de gedragsverandering bij [slachtoffer 1] overweegt de rechtbank dat uit het dossier onvoldoende blijkt in hoeverre een gedragsverandering heeft plaatsgevonden en in hoeverre die gedragsverandering verband houdt met ontuchtige handelingen van de verdachte. Uit de verklaringen van de moeder van [slachtoffer 1] , haar partner en de vader van [slachtoffer 1] kan worden afgeleid dat [slachtoffer 1] op enig moment vóór 6 mei 2024, de dag waarop hij voor het eerst over de ten laste gelegde handelingen vertelde, ander gedrag vertoonde door niet of minder over de verdachte te praten en (veel) meer frustratie te tonen. Uit die verklaringen en de overige stukken in het dossier kan de rechtbank echter onvoldoende afleiden in hoeverre dat gedrag afweek van het eerdere gedrag van [slachtoffer 1] en in hoeverre dat afwijkende gedrag het gevolg is van ontuchtige handelingen van de verdachte. In dit verband is van belang dat uit de verklaring van [slachtoffer 1] en de overige stukken in het dossier ook onvoldoende kan worden afgeleid op welk moment of op welke momenten in de ten laste gelegde periode van ruim een jaar de handelingen van de verdachte zouden hebben plaatsgevonden. Een gedragsverandering in de ten laste gelegde periode kan daarom niet zonder meer in (causaal) verband worden gebracht met ontuchtige handelingen van de verdachte. Voor zover de officier van justitie heeft aangevoerd dat het gedrag van [slachtoffer 1] van na 6 mei 2024, waaronder het maken van aftrekbewegingen bij een hond, steun kan bieden aan zijn verklaring, volgt de rechtbank dit niet. Ook hiervoor geldt dat onvoldoende is gebleken in hoeverre dit gedrag verband houdt met ontuchtige handelingen van de verdachte, te meer omdat op en na 6 mei 2024, hoe begrijpelijk ook, gesprekken met [slachtoffer 1] hebben plaatsgevonden over seksuele gedragingen.

Als laatste, voor wat betreft de bevindingen in het kader van de behandeling van [slachtoffer 1] bij [instelling] , overweegt de rechtbank dat ook van die bevindingen, in het bijzonder de diagnose PTSS en de emoties van [slachtoffer 1] tijdens de behandelingen, onvoldoende is gebleken in hoeverre deze het gevolg zijn van ontuchtige handelingen van de verdachte. Daarvoor bieden de stukken van die behandelingen en de overige stukken in het dossier onvoldoende aanknopingspunten, gelet ook op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen over een gedragsverandering bij [slachtoffer 1] . In dit verband merkt de rechtbank op dat de tijdens de behandelingen afgelegde verklaringen van [slachtoffer 1] over (seksuele) handelingen van de verdachte geen steun kunnen bieden aan de eerdere verklaring van [slachtoffer 1] , omdat het hier gaat om verklaringen van hemzelf en niet om ander bewijs dat die verklaringen kan ondersteunen.

Conclusie

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat het voorgaande – afzonderlijk en in onderlinge samenhang bezien – geen steunbewijs bevat voor de verklaring van [slachtoffer 1] . Gelet hierop acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en zal hem daar dan ook van vrijspreken.

Vrijspraak feit 2

De rechtbank is ten aanzien van het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde van oordeel dat voor de verklaring van de aangeefster [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) over de ten laste gelegde handelingen (verkrachting of ontucht) van de verdachte onvoldoende steunbewijs aanwezig is. De rechtbank legt dat hieronder uit.

Verklaring van [slachtoffer 2]

Op 5 juni 2024 heeft [slachtoffer 2] bij de politie onder meer het volgende verklaard. Zij maakte als kind gebruik van de computer op de zolder van de woning van de verdachte als zij daar op bezoek was. De verdachte kwam op die momenten wel eens naar de zolder en ging dan aan haar zitten. Hij zat aan haar borsten en ging met zijn vingers in haar vagina. Ze denkt dat ze toen tussen de dertien en vijftien jaar oud was. Op 17 februari 2025 heeft [slachtoffer 2] daarvan aangifte gedaan.

Op 29 oktober 2025 heeft [slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris in de kern hetzelfde verklaard.

De verdachte ontkent deze handelingen met [slachtoffer 2] te hebben gepleegd.

Overwegingen

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of er voldoende steunbewijs is voor de verklaring van [slachtoffer 2] . De rechtbank zal hieronder de verschillende mogelijkheden tot steunbewijs bespreken.

Ten aanzien van de getuigenverklaringen van [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] overweegt de rechtbank als volgt.

[getuige 1] beschrijft hoe de verdachte, toen zij dertien à veertien jaar oud was, op meerdere momenten haar borsten heeft betast onder haar shirt en beha. Hoewel er enige overeenkomsten zijn – bij [slachtoffer 2] gaat het om eenzelfde leeftijd en eveneens het betasten van de borsten – is dit naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om als steunbewijs te dienen. Daarvoor is het verschil in tijd tussen het moment waarop de door [getuige 1] beschreven handelingen en de door [slachtoffer 2] beschreven handelingen zouden hebben plaatsgevonden en het verschil tussen die handelingen te groot. In dit verband overweegt de rechtbank overigens dat, voor zover het betasten van de borsten van [slachtoffer 2] bewezen kan worden, dit niet kan leiden tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde. Daarvoor is namelijk – gelet op de tenlastelegging – ook een bewezenverklaring van het seksueel binnendringen vereist.

De toen veertien jaar oude [getuige 2] heeft verklaard over handtastelijkheden en ongepaste opmerkingen van de verdachte bij de voetbalclub, waaronder het wrijven met een ijsklontje over haar been en een opmerking over ‘sexy benen’. Ook deze verklaring kan niet als steunbewijs dienen, omdat het verschil tussen de door [getuige 2] beschreven handelingen en de door aangeefster beschreven handelingen daarvoor te groot is.

De moeder van [slachtoffer 2] , [getuige 4] , en haar nicht [getuige 3] hebben verklaard over de foto’s die de verdachte van [slachtoffer 2] en [getuige 3] heeft gemaakt toen [slachtoffer 2] dertien jaar oud was en waarop zij onder meer liggend op haar buik op bed met ontbloot bovenlijf is te zien. Weliswaar kunnen die foto’s als (seksueel) grensoverschrijdend worden beschouwd, maar die foto’s of het maken daarvan bieden op zichzelf geen steun voor de verklaring van [slachtoffer 2] over de seksuele handelingen van de verdachte, nu die handelingen veel verder zouden zijn gegaan dan het maken van zulke foto’s.

De rechtbank heeft vervolgens onderzocht of het steunbewijs kan worden gevonden in de verklaring van de verdachte zelf of van zijn zoon [naam] .

De verdachte heeft bevestigd dat [slachtoffer 2] vroeger bij hem op de zolder was om op de computer te spelen en dat hij daar toen ook alleen met haar is geweest. Hoewel deze verklaring de verdachte plaatst op de plek waar de ten laste gelegde handelingen zouden hebben plaatsgevonden, biedt dit eveneens onvoldoende steun voor het verwijt dat daar ook seksuele handelingen hebben plaatsgevonden.

[naam] heeft verklaard over de interesse van de verdachte in jonge vrouwen en de bij de verdachte aangetroffen (kinder)porno. Weliswaar bevat het dossier aanwijzingen voor een bijzondere interesse van de verdachte in jonge vrouwen en voor grensoverschrijdend gedrag van de verdachte in de vorm van handtastelijkheden, maar de ten laste gelegde handelingen gaan aanzienlijk verder dan het bekijken van (kinder)porno of het overschrijden van fatsoensnormen. Ook deze verklaring biedt daarom onvoldoende steunbewijs.

Ook als het hiervoor genoemde mogelijke steunbewijs in hun onderlinge verband worden beschouwd, biedt dit onvoldoende steun voor de verweten verkrachting of ontuchtige handelingen om de hiervoor genoemde redenen.

Conclusie

Het voorgaande leidt ertoe dat zich voor de verklaring van [slachtoffer 2] onvoldoende steunbewijs bevindt in het dossier en dat de verdachte dus van het onder 2 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.
3.4.
Gebruikte bewijsmiddelen ten aanzien van feit 3

De rechtbank heeft in bijlage II opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.5.
Bewijsoverwegingen

De rechtbank overweegt ten aanzien van het kinderpornografisch materiaal als volgt.

Vervaardigen

Allereerst is de rechtbank – met de raadsman – van oordeel dat de verdachte voor wat betreft het vervaardigen van kinderporno moet worden vrijgesproken. Gelet op de conclusie van de verbalisanten dat de foto’s die de verdachte van [slachtoffer 2] heeft gemaakt niet kunnen worden geclassificeerd als kinderporno, is de rechtbank van oordeel dat deze foto’s niet als kinderporno kunnen worden aangemerkt. Voor zover de officier van justitie heeft aangevoerd dat op grond van de verklaring van [getuige 3] wel kan worden bewezenverklaard dat de verdachte kinderporno heeft vervaardigd door de ontblote borsten van [slachtoffer 2] te fotograferen, volgt de rechtbank dit niet. Dat deel van de verklaring vindt immers geen steun in andere bewijsmiddelen.

Foto #09

Verder is de rechtbank – met de raadsman – ten aanzien van foto #09 van oordeel dat niet

is vast te stellen dat het in de afbeelding om een minderjarige gaat. De rechtbank overweegt dat de leeftijd van de persoon op de afbeelding door verbalisanten is geschat op dertien tot zeventien jaar en daarmee dichtbij de leeftijd van achttien jaar ligt. Nu het proces-verbaal (te) summier is in die zin dat niet is uitgelegd op basis van welke uiterlijke kenmerken de persoon op de foto minderjarig zou zijn, kan de rechtbank niet vaststellen dat de persoon minderjarig is. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van het ten laste gelegde voor zover dat deze foto betreft.

Video #04

Ten aanzien van video #04 is de rechtbank – anders dan de raadsman – van oordeel dat deze video wel kinderporno betreft. Het betreft weliswaar een fragment uit de speelfilm Tendres Cousines uit 1980, die destijds in bioscopen is vertoond, maar uit de beschrijving blijkt dat op het fragment is te zien hoe een minderjarige jongen en een volwassen vrouw seksuele handelingen bij elkaar verrichten. Uit de beschrijving van de video kan worden afgeleid dat de video niet de gehele speelfilm betreft, maar enkel voornoemde seksuele scène. Daarnaast is bij de verdachte ook ander kinderpornografisch materiaal aangetroffen. Bij die stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat video #04 in dit concrete geval wel degelijk als kinderporno kan worden aangemerkt. Het enkele feit dat de gehele speelfilm nog steeds vrij verkrijgbaar zou zijn, leidt niet tot een ander oordeel.

Overig (virtueel) kinderpornografisch materiaal

Voor wat betreft de acht foto’s die zijn aangetroffen in het “unallocated cluster” op één van de gegevensdragers van de verdachte, overweegt de rechtbank dat deze foto’s kennelijk op enig moment zijn verwijderd door de verdachte en zodoende niet meer zichtbaar waren. Anders dan de raadsman heeft betoogd leidt dit niet tot vrijspraak. De verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hij sinds 2006 porno heeft gedownload. De verdachte heeft dus op enig moment in de pleegperiode van 1 januari 2006 tot 23 mei 2024 (het moment van inbeslagname van zijn gegevensdragers op), de foto’s verworven en daarmee in zijn bezit gehad.

Verder verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsman dat de kinderporno mogelijk ongewenst als “bijvangst” is meegekomen. De verdachte heeft ten aanzien van de gedownloade virtuele kinderporno verklaard dat hij niet wist dat het strafbaar was. Ten aanzien van de niet-virtuele kinderporno heeft de verdachte verklaard dat hij twijfelde of het om minderjarigen of om volwassenen ging. Desondanks is hij doorgegaan met het downloaden van dit materiaal. Daarmee heeft de verdachte op zijn minst het voorwaardelijk opzet gehad op het ten laste gelegde kinderpornografisch materiaal.

Ten aanzien van de virtuele kinderporno volgt uit vaste rechtspraak dat de omstandigheid dat het gaat om virtuele afbeeldingen niet aan de toepasselijkheid van artikel 240b (oud) Sr in de weg staat wanneer deze afbeeldingen een realistische weergave van een seksuele gedraging omvatten. Dat ondergeschikte onderdelen van een dergelijke afbeelding een niet-werkelijkheidsgetrouwe weergave van een kind zijn doet daar – anders dan de raadsman heeft betoogd – niet aan af. Uit het proces-verbaal van bevindingen dat ziet op de aangetroffen virtuele kinderporno blijkt dat zowel de scènes als de lichamelijke kenmerken van de personages, waaronder de huidskleur, gezichtsuitdrukkingen, lichaamsmaten, spieren, haardracht en sperma, realistisch zijn weergegeven. De enkele omstandigheid dat op de afbeeldingen duidelijk is te zien dat het om computeranimaties gaat, maakt dat niet anders.

Conclusie

De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van het onder 3 ten laste gelegde vervaardigen van kinderporno. De rechtbank zal de verdachte veroordelen voor het verwerven, in bezit hebben en zich de toegang verschaffen tot de ten laste gelegde afbeeldingen van kinderporno, met uitzondering van foto #09, in de periode van 1 januari 2006 tot en met 23 mei 2024.
3.6.
De bewezenverklaring

De rechtbank is met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

3

hij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 23 mei 2024 te Capelle aan den IJssel en/of Waddinxveen, in elk geval in Nederland, meermalen, telkens afbeeldingen, te weten foto’s en video’s en gegevensdragers, bevattende afbeeldingen, te weten foto's en video's van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken,

heeft, verworven, in bezit gehad en/of zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft

welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit:

het met een penis anaal penetreren van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt

en

het met een voorwerp vaginaal penetreren van het lichaam van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt

(zie foto #01 en #02, p. 201)

en

het met de vingers betasten en/of aanraken van het geslachtsdeel van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt

en

het met hand betasten van de borsten en het naakte lichaam door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt

(zie foto #03, overzichtsfoto van video #04 p. 202)

en

het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van/door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij deze persoon schaars gekleed is en/of poseert in een erotisch getinte houding (op een wijze) die niet bij haar leeftijd past en/of door het camerastandpunt, de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze van kleden van deze persoon en/of de uitsnede van de foto's nadrukkelijk het (ontblote) geslachtsdeel, de borsten en/of de anus en/of de billen in beeld gebracht worden waarbij de afbeelding aldus telkens een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling

(zie foto’s #05 tot en met #08, p. 203 t/m 204)

en

seksuele gedragingen van virtuele creaties van een persoon en/of personen die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had(den) bereikt waaronder orale en vaginale penetratie van een ander door een persoon en/of van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en ontuchtige handelingen waaronder het met de vinger/hand betasten/aanraken van de geslachtsdelen en/of borsten van een ander door een persoon en/of van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, en het spuiten van/zichtbaar maken van sperma op het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en het naakt poseren van een virtuele creatie die een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt voorstelt

(zie virtuele afbeeldingen #11 tot en met #24, p. 220 tot en met 226).

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
<nr>4</nr>De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
<nr>5</nr>De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
<nr>6</nr>De strafoplegging 6.1.
De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
6.2.
Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om bij een veroordeling geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de verdediging verzocht om een voorwaardelijk strafdeel op te leggen met daarbij de bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de reclassering. Als de rechtbank tot het oordeel zou komen dat nog een onvoorwaardelijke straf gerechtvaardigd is, heeft de raadsman verzocht dat te doen in de vorm van een taakstraf.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het verwerven, in bezit hebben en zich de toegang verschaffen tot bijna 2000 virtuele en niet-virtuele kinderpornografische afbeeldingen. Dit betreft een zeer ernstig feit. Bij de productie van kinderpornografisch materiaal worden minderjarigen uitgebuit en gedwongen tot het poseren en het ondergaan van handelingen die op ernstige wijze inbreuk maken op hun lichamelijke integriteit. De verdachte heeft met zijn handelen bijgedragen aan de instandhouding van het misbruik van kinderen ten behoeve van dit beeldmateriaal. Dergelijk seksueel misbruik zal in de regel leiden tot ernstige lichamelijke en psychische schade bij de betrokken kinderen. Virtuele kinderporno verbeeldt het misbruik van kinderen op realistische wijze. Ook het bezit daarvan is schadelijk, omdat het een markt voor ‘echte’ kinderporno bevordert of in stand houdt. De verdachte heeft aan dit alles een bijdrage geleverd. Dit rekent de rechtbank de verdachte aan.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 9 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte in het verleden is veroordeeld voor verduistering. De rechtbank weegt dit noch in het voordeel, noch in het nadeel van de verdachte mee.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het Pro Justitia rapport over de verdachte van 30 juli 2025. Daaruit volgt dat bij de verdachte geen sprake is van een psychiatrische stoornis in engere zin en ook niet van een persoonlijkheidsstoornis, een stoornis in het gebruik van middelen, of een stoornis in de intelligentie. Een parafiele stoornis is op basis van het onderzoek niet vast te stellen noch uit te sluiten. Dit was ook ten tijde van het ten laste gelegde het geval. De rapporteur schat het risico op herhaling van seksueel delictgedrag in als laag, mede door de impact die het strafproces heeft op de verdachte en de afschrikwekkende werking daarvan.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 25 juni 2026. Daaruit volgt dat de reclassering de persoonlijke situatie van de verdachte niet meer stabiel acht, omdat zijn sociale netwerk is beperkt en hij – als gevolg van een operatie en van zijn financiële situatie – minder dagbesteding heeft. Ook volgt daaruit dat de reclassering het recidiverisico als laag tot licht verhoogd inschat. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem op te leggen een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden.

Gevangenisstraf en taakstraf

De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is als uitgangspunt vermeld voor het bezit of verwerven van kinderporno een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan een kort deel onvoorwaardelijk en een taakstraf voor de duur van 240 uren. In dit geval acht de rechtbank de lange periode strafverhogend.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.

De rechtbank acht naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest van de verdachte, een voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden, ter voorkoming dat de verdachte weer soortgelijke feiten pleegt alsook om de ernst van het feit tot uitdrukking te brengen. Alles overwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen, waarvan 133 dagen voorwaardelijk passend en geboden. De proeftijd zal worden bepaald op twee jaren met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden van een meldplicht, ambulante behandeling en het vermijden van digitale omgevingen met seksueel kindermisbruik. Het doel daarvan is de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen. De rechtbank zal alleen de hiervoor genoemde bijzondere voorwaarden opleggen en niet de andere door de reclassering geadviseerde voorwaarden, omdat alleen die voorwaarden in relatie staan tot het bewezenverklaarde feit.

Om recht te doen aan de ernst van het door de verdachte gepleegde strafbare feit zal de rechtbank naast voormelde deels voorwaardelijke gevangenisstraf tevens een taakstraf aan de verdachte opleggen voor de duur van 240 uren, indien niet of niet naar behoren verricht te vervangen door 120 dagen hechtenis.

De rechtbank legt aan de verdachte een aanzienlijk lagere straf op dan door de officier van justitie gevorderd, nu de rechtbank de verdachte voor feit 1 en feit 2 vrijspreekt.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen en gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen. Het bezit van kinderporno houdt immers de vraag naar kinderporno – en daarmee het seksueel misbruik van minderjarigen – in stand en zorgt daarmee dus (indirect) voor gevaar voor de onaantastbaarheid van het lichaam van die minderjarigen.

Gelet op de langere periode waarin de verdachte de kinderporno heeft verworven, in combinatie met de omstandigheid dat uit het reclasseringsrapport blijkt dat de verdachte tijdens zijn schorsing mogelijk opnieuw heeft gezocht naar (virtuele) kinderporno, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de voorwaarden en het door de reclassering uit te oefenen toezicht daarop dadelijk uitvoerbaar zijn.

Gezien de op te leggen straffen, zal de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.
<nr>7</nr>De vordering van de benadeelde partijen
[naam] heeft zich als ouder van de benadeelde partij [slachtoffer 1] gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 6.976,20, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 101,20 aan materiële schade en € 6.875,00 aan immateriële schade.

[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 6.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
7.1.
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen kunnen worden toegewezen.
7.2.
Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair verzocht om de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen gezien de bepleitte vrijspraken. Subsidiair heeft de verdediging gevraagd om matiging van de vorderingen.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank

Vordering [slachtoffer 1]

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien

de verdachte van het feit waarop de vordering betrekking heeft, zal worden vrijgesproken.

Vordering [slachtoffer 2]

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien

de verdachte van de feiten waarop de vordering betrekking heeft, zal worden vrijgesproken.

Proceskosten

Dit brengt mee dat de benadeelde partijen moeten worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.
<nr>8</nr>De inbeslaggenomen voorwerpen 8.1.
De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de volgende voorwerpen terug gegeven kunnen worden aan de verdachte:

3146708 Externe harde schijf WD MyBook Defect

3146726 Dongel

3146718 Externe harde schijf Samsung (2 TB)

3146721 Externe harde schijf WD (4 TB)

3146725 USB-stick Verbatim

3146728 Desktop All-in-one Dell

3148765 Harde schijf Samsung, afkomstig uit Dell Desktop

3146729/3146833 Externe harde schijf Fujitsu (80 GB)

3146836 Externe harde schijf Samsung (640 GB)

3146845 Externe harde schijf Toshiba (200 GB)

3282563 Telefoon

Ten aanzien van de overige voorwerpen heeft de officier van justitie geen standpunt ingenomen.
8.2.
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De verdachte heeft verzocht tot teruggave van de telefoons en een laptop van het merk Dell.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 3, 5, 6, 7, 13, 14 en 18 genoemde voorwerpen verbeurdverklaren. Deze voorwerpen zijn voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien deze voorwerpen aan de verdachte toebehoren en met betrekking tot en met behulp van deze voorwerpen het onder 3 bewezenverklaarde feit is begaan. Ook zal de rechtbank het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp en de niet op de beslaglijst genoemde harde schrijven afkomstig uit de laptop van het merk Lenovo verbeurdverklaren. Het onder 3 bewezenverklaarde is met betrekking tot en met behulp van deze voorwerpen begaan. Weliswaar behoren deze voorwerpen niet toe aan de verdachte, maar uit de op 23 mei 2024 afgelegde verklaring van [naam] , aan wie de voorwerpen wel toebehoren, kan worden afgeleid dat hij het gebruik van die voorwerpen in verband met het onder 3 bewezenverklaarde feit redelijkerwijs had kunnen vermoeden. Het gaat dan om de volgende voorwerpen met daarbij behorende goednummers:

Nummer op beslaglijst

Soort voorwerp

Goednummer

1

1 STK Computer (Omschrijving: computer (Notebook), zwart, merk: Lenovo Y700-17isk)

3146697

Geen nummer

Harde schijf, afkomstig uit Lenovo Laptop

3146697

3148410

Geen nummer

Harde schijf, afkomstig uit Lenovo Laptop

3146697

3148412

3

4 STK Computer (Omschrijving: zwart, merk: Toshiba)

3146704

5

1 STK Computer (Omschrijving: zwart, merk: Seagate)

3146709

6

2 STK Computer (Omschrijving: Gegevensdrager, zwart, merk: Seagate)

3146713

7

1 STK Computer (Omschrijving: zwart, merk: Seagate Barracuda)

3146716

13

1 STK Computer (Omschrijving: zwart, merk: Dell)

3146729

14

1 STK Computer (Omschrijving: zwart, merk: Seagate)

3146827

18

1 STK Computer (Omschrijving: harddisk, behoort bij Dell computer 3146728, Seagate)

3148760

21

1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: in doorzichtige

beschermhoes, Apple)

3148826

Nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelasten van de op de beslaglijst onder 4, 8, 9, 10, 12, 15, 16, 17, 19, 20, 22 en 23 genoemde voorwerpen.

Nummer op beslaglijst

Soort voorwerp

Goednummer

4

1 STK Computer (Omschrijving: gegevensdrager, zwart, merk: Western Digital)

3146708

8

1 STK Computer (omschrijving: zwart, merk: Samsung)

3146718

9

1 STK Computer (Omschrijving: Western Digital)

3146721

10

1 STK Computer (Omschrijving: zilverkleurig, merk: onbekend)

3146725

11

1 STK Computer (Omschrijving: zwart, merk: Dell)

3146726

12

1 STK Computer (Omschrijving: zilverkleurig,

merk: Dell)

3146728

15

1 STK Computer (Omschrijving: zwart, merk: Fujitsu)

3146833

16

1 STK Computer (Omschrijving: zwart, merk: Samsung)

3146836

17

1 STK Computer (Omschrijving: zwart, merk: Toshiba)

3146845

19

1 STK Computer (Omschrijving: behoort bij Dell

computer 3146728, Dell)

3148765

20

2 STK Computer: Stroomkabels

3164566

22

1 STK Computer (Omschrijving: zwart, merk: Snoer)

3260792

23

1 STK Telefoontoestel (Omschrijving:

zwart, merk: Apple)

3282563

Bij de vaststelling van deze bijkomende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Tot slot zal de rechtbank de teruggave gelasten van het op de beslaglijst onder 2 genoemde voorwerp aan [naam] .

Nummer op beslaglijst

Soort voorwerp

Goednummer

2

17 STK Drukwerk

3146700
<nr>9</nr>De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 57, 63 en 240b van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
<nr>10</nr>De beslissing
De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

een afbeelding en gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verwerven, in bezit hebben of zich door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang daartoe verschaffen, meermalen gepleegd;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 240 (TWEEHONDERDVEERTIG) DAGEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de eventuele tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 133 (HONDERDDRIEËNDERTIG) dagen, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd meldt op door de reclassering te bepalen tijdstippen en blijft melden, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van De Waag, forensische polikliniek, of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling;

- gedurende de proeftijd:

1. digitale omgevingen vermijdt waarin hij in aanraking kan komen met kinderpornografisch materiaal;

2. digitale omgevingen vermijdt waarin over seksuele handelingen met minderjarigen wordt gecommuniceerd;

3. geen gebruik maakt van virtuele machines, versleutelprogramma’s (zoals Bitlocker, Veracrypt) of applicaties die helpen de identiteit te verbergen (zoals een VPN), tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik (zoals voor werk of voor bankzaken);

4. inzicht geeft in de wijze waarop hij de omgevingen genoemd onder 1. en 2. zal vermijden en bespreekt hoe dit verlopen is voor het verstreken deel van de proeftijd.

Het toezicht op de naleving van de onderdelen 1. tot en met 3. beperkt zich tot geautomatiseerde controles van digitale apparaten (zoals computers, smart devices, USB-sticks, SD-kaarten, externe harde schijven) waarop bestanden kunnen worden opgeslagen en/of waarmee internet kan worden benaderd en die de veroordeelde in gebruik heeft. De veroordeelde werkt mee aan deze controles tijdens (on)aangekondigde huisbezoeken en verschaft toegang tot alle aanwezige digitale apparaten die de veroordeelde in gebruik heeft. Hieronder wordt begrepen het verstrekken van wachtwoorden, codes of andere wijzen van ontgrendeling of ontsluiting zoals vingerafdrukken, die nodig zijn voor toegang. Op verzoek past de veroordeelde de instellingen zodanig aan dat controle mogelijk is. De wijzigingen mogen niet leiden tot definitieve wijzigingen aan het apparaat en worden aan het einde van de controle weer teruggezet. De controles worden uitgevoerd door de reclassering. Indien en voor zover noodzakelijk mag de reclassering voor ondersteuning op technisch en digitaal gebied een specialist, niet zijnde een opsporingsambtenaar meenemen. De controles mogen gedurende de proeftijd maximaal (circa) drie keer per aantal jaren proeftijd plaatsvinden, waarbij de persoonlijke levenssfeer van de veroordeelde zoveel mogelijk wordt geëerbiedigd. De controles strekken er in het bijzonder niet toe een min of meer volledig beeld te krijgen van het persoonlijke leven van de veroordeelde;

geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;

beveelt dat bovengenoemde bijzondere voorwaarden en het - op grond van artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht - uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

veroordeelt de verdachte voorts tot:

een taakstraf voor de duur van 240 (TWEEHONDERDVEERTIG) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (HONDERDTWINTIG) DAGEN;

bepaalt dat de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot schadevergoeding;

veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

verklaart verbeurd de hieronder genoemde voorwerpen, te weten:

Nummer op beslaglijst

Soort voorwerp

Goednummer

1

1 STK Computer (Omschrijving: computer (Notebook), zwart, merk: Lenovo Y700-17isk)

3146697

Geen nummer

Harde schijf, afkomstig uit Lenovo Laptop

3146697

3148410

Geen nummer

Harde schijf, afkomstig uit Lenovo Laptop

3146697

3148412

3

4 STK Computer (Omschrijving: zwart, merk: Toshiba)

3146704

5

1 STK Computer (Omschrijving: zwart, merk: Seagate)

3146709

6

2 STK Computer (Omschrijving: Gegevensdrager, zwart, merk: Seagate)

3146713

7

1 STK Computer (Omschrijving: zwart, merk: Seagate Barracuda)

3146716

13

1 STK Computer (Omschrijving: zwart, merk: Dell)

3146729

14

1 STK Computer (Omschrijving: zwart, merk: Seagate)

3146827

18

1 STK Computer (Omschrijving: harddisk, behoort bij Dell computer 3146728, Seagate)

3148760

21

1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: in doorzichtige beschermhoes, Apple)

3148826

gelast de teruggave aan de veroordeelde van de hieronder genoemde voorwerpen, te weten:

Nummer op beslaglijst

Soort voorwerp

Goednummer

4

1 STK Computer (Omschrijving: gegevensdrager, zwart, merk: Western Digital)

3146708

8

1 STK Computer (omschrijving: zwart, merk: Samsung)

3146718

9

1 STK Computer (Omschrijving: Western Digital)

3146721

10

1 STK Computer (Omschrijving: zilverkleurig, merk: onbekend)

3146725

11

1 STK Computer (Omschrijving: zwart, merk: Dell)

3146726

12

1 STK Computer (Omschrijving: zilverkleurig,

merk: Dell)

3146728

15

1 STK Computer (Omschrijving: zwart, merk: Fujitsu)

3146833

16

1 STK Computer (Omschrijving: zwart, merk: Samsung)

3146836

17

1 STK Computer (Omschrijving: zwart, merk: Toshiba)

3146845

19

1 STK Computer (Omschrijving: behoort bij Dell

computer 3146728, Dell)

3148765

20

2 STK Computer: Stroomkabels

3164566

22

1 STK Computer (Omschrijving: zwart, merk: Snoer)

3260792

23

1 STK Telefoontoestel (Omschrijving:

zwart, merk: Apple)

3282563

gelast de teruggave aan [naam] van het hieronder genoemde voorwerp, te weten:

Nummer op beslaglijst

Soort voorwerp

Goednummer

2

17 STK Drukwerk

3146700

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.A.W. Zijlstra, voorzitter,

mr. C.M. Zandbergen, rechter,

mr. C. Beuze, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. S. ten Voorde, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 juli 2026.

Artikel delen