Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2026:21274

Kennisgeving -vervolgberoep – geen gronden – ambtshalve toets – ongegrond – geen pkv.

Rechtbank Den Haag 30 July 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:21274 text/xml public 2026-07-30T14:32:25 2026-07-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-07-30 NL26.41515 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Middelburg Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21274 text/html public 2026-07-30T14:32:15 2026-07-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:21274 Rechtbank Den Haag , 30-07-2026 / NL26.41515
Kennisgeving -vervolgberoep – geen gronden – ambtshalve toets – ongegrond – geen pkv.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.41515
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),

en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft op 10 april 2026 aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

De rechtbank heeft op 23 juli 2026 een kennisgeving ontvangen over het voortduren van de maatregel. Daarmee wordt eiser getracht tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep te hebben ingesteld en daarbij te hebben verzocht om een schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 28 juli 2026 gesloten.
Overwegingen
Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1995 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.

Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 19 mei 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Uit de uitspraak van 19 mei 2026 volgt dat de maatregel van vreemdelingenbewaring tot het moment van sluiten van dat onderzoek, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 13 mei 2026.

4. Eiser heeft geen gronden aangevoerd tegen het voortduren van de maatregel van bewaring. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geworden. Daarbij betrekt zij het volgende. De rechtbank stelt voorop dat zicht op uitzetting naar Algerije in het algemeen niet ontbreekt. Dat er tot op heden nog geen lp is verstrekt kan verweerder niet worden verweten. Hiertoe overweegt de rechtbank dat verweerder afhankelijk is van de Algerijnse autoriteiten en daar in beperkte mate invloed op kan uitoefenen. Daarbij rust op eiser een verplichting om volledig en actief mee te werken aan het onderzoek naar zijn identiteit. Niet is gebleken dat eiser gedurende zijn inbewaringstelling enige aantoonbare inspanning heeft verricht om aan documenten te komen die de afgifte van een lp zouden kunnen bevorderen. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend werkt aan eisers uitzetting. Uit het voortgangsrapport blijkt dat verweerder sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure nog verschillende keren, en voor het laatst op 16 juli 2026, schriftelijk heeft gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten. Daarnaast zijn met eiser verschillende vertrekgesprekken gevoerd, waarbij het laatste vertrekgesprek met eiser dateert van 22 juli 2026. Uit dit vertrekgesprek volgt dat eisers identiteit en nationaliteit zijn vastgesteld door de Algerijnse autoriteiten en dat een presentatie van eiser in persoon bij de Algerijnse autoriteiten zal worden ingepland. Gelet op het voorgaande bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat in het geval van eiser geen zicht op uitzetting bestaat of dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting.

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 30 juli 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw.

Dit volgt uit artikel 96, derde lid, van de Vw.

ECLI:NL:RBDHA:2026:12603.

Artikel delen