Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2026:21411

Veroordeling voor mishandeling, het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid lachgas, te weten 704 kilogram en de invoer van lachgas over een periode van anderhalve maand. Beroep op noodweer(exces) ten aanzien van de mishandeling verworpen. Het door de verdachte geschetste scenario ten aanzien van het aanwezig hebben en de invoer van lachgas acht de rechtbank niet aannemelijk geworden. Opleggi...

Rechtbank Den Haag 3 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:21411 text/xml public 2026-08-03T13:30:28 2026-07-31 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-08-03 09-132366-26 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig Op tegenspraak NL Den Haag Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21411 text/html public 2026-08-03T08:30:31 2026-08-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:21411 Rechtbank Den Haag , 03-08-2026 / 09-132366-26
Veroordeling voor mishandeling, het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid lachgas, te weten 704 kilogram en de invoer van lachgas over een periode van anderhalve maand. Beroep op noodweer(exces) ten aanzien van de mishandeling verworpen. Het door de verdachte geschetste scenario ten aanzien van het aanwezig hebben en de invoer van lachgas acht de rechtbank niet aannemelijk geworden. Oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Vordering maatregel kostenverhaal ex artikel 13d van de Opiumwet afgewezen, omdat de kosten niet behoorlijk onderbouwd zijn.
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/132366-26

Datum uitspraak: 3 augustus 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] .
<nr>1</nr>Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 20 juli 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R.A. Kamphuis, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. M.D.A. Stam, naar voren is gebracht.
<nr>2</nr>De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 26 april 2026 te ’s-Gravenhage [slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer] met gebalde vuist althans met de hand in het gezicht te slaan;

2

hij in de periode van 7 april 2026 tot en met 10 april 2026 te Nootdorp, gemeente Pijnacker-Nootdorp en/of te ’s-Gravenhage opzettelijk aanwezig heeft gehad een grote hoeveelheid van 352 cilinders en/of 704 kilogram distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3

hij in of omstreeks de periode van 27 februari 2026 tot en met 10 april 2026, te Siebengewald (L) althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermaals, althans eenmaal, opzettelijk binnen het grondgebied van

Nederland heeft gebracht, een grote hoeveelheid distikstofmonoxide (lachgas), in elk geval een hoeveelheid distikstofmonoxide (lachgas), zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
<nr>3</nr>De bewijsbeslissing 3.1.
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.
3.2.
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak bepleit voor de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft in de bijlage I opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.4.
De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte wettig en overtuigend bewezen dat:

1

hij op 26 april 2026 te ’s-Gravenhage [slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer] met gebalde vuist in het gezicht te slaan;

2

hij in de periode van 8 april 2026 tot en met 10 april 2026 te ’s-Gravenhage opzettelijk aanwezig heeft gehad 704 kilogram distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst

II;

3

hij in de periode van 27 februari 2026 tot en met 8 april 2026 te Siebengewald meermaals opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid distikstofmonoxide (lachgas), zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
3.5.
Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van feit 1:

Noodweer(exces)

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1 ten laste gelegde mishandeling, nu hem een beroep op noodweer dan wel noodweerexces toekomt. Ten behoeve van de leesbaarheid van het vonnis bespreekt de rechtbank de beide verweren bij de bewijsbeslissing.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat het de verdachte is geweest die de confrontatie met het slachtoffer heeft opgezocht. De verdachte heeft de aangever na een woordenwisseling een vuistslag in zijn gezicht gegeven. De verdachte heeft ter terechtzitting bekend de aangever een klap te hebben gegeven, maar gesteld dit uit zelfverdediging te hebben gedaan. De door hem gestelde feitelijke toedracht is echter op geen enkele wijze aannemelijk geworden. Het beroep op noodweer en noodweerexces wordt reeds hierom verworpen.

Ten aanzien van feiten 2 en 3:

Aanwezigheid en wetenschap

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft namens de verdachte bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten, nu de aanwezigheid van lachgas en de wetenschap daarvan bij de verdachte niet kunnen worden vastgesteld op grond van het dossier. Daartoe heeft de raadsman allereerst aangevoerd dat in het onderzoek niet is vastgesteld of er daadwerkelijk lachgas aanwezig was. De enige uitzondering daarop is het op 10 april 2026 in een Ford Transit aangetroffen lachgas. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte weliswaar de huurder van de Renault Master met kenteken [kenteken 1] en de Ford Transit met kenteken [kenteken 2] is geweest, maar dat in het dossier de bestuurdersidentificatie ontbreekt. De verdachte verklaart het voertuig niet altijd in zijn macht te hebben gehad. Het dossier weerlegt die verklaring niet. Daarnaast heeft de verdachte zich op het standpunt gesteld dat hij drank, shag en vlees heeft gehaald bij een Duitse supermarkt en dat hij dit in opdracht deed van [naam] .

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank ziet geen enkele aanleiding om te twijfelen aan de vraag of de betreffende aangetroffen goederen lachgas betrof. Dit verweer wordt reeds door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen weerlegd.

Ten aanzien van het door de raadsman gevoerde verweer met betrekking tot het ontbreken van de bestuurdersidentificatie overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt op basis van de gebezigde bewijsmiddelen vast dat het telefoonnummer [telefoonnummer] in de periode van 17 maart 2026 tot en met 11 juni 2026 aan de verdachte toebehoorde en dat de verdachte de Ford Transit met kenteken [kenteken 2] in de periode van 3 april 2026 tot 14 april 2026 heeft gehuurd. Voorts stelt de rechtbank vast dat uit de toekomstige verkeersgegevens is gebleken dat voornoemd telefoonnummer in de periode van 3 tot en met 10 april 2026 meebewoog in het aanstralingsgebied van de Ford Transit, die vanuit Nederland naar Duitsland en weer terug is vertrokken. Op basis van het voorgaande concludeert de rechtbank dat de verdachte in elk geval in de periode van 3 april 2026 tot en met 10 april 2026 de beschikkingsmacht over het voornoemde voertuig heeft gehad en daarmee ook de feitelijke macht heeft gehad over de zich daarin bevindende goederen.

Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de verdachte de Renault Master met kenteken [kenteken 1] in de periode van 23 februari 2026 tot en met 16 maart 2026 heeft gehuurd. Voorts overweegt de rechtbank dat de verdachte in die periode ook de gebruiker was van het telefoonnummer [telefoonnummer] is. Uit het onderzoek naar de historische gegevens van de telefoon van de verdachte is gebleken dat op zeven dagen waarop de Renault Master naar Duitsland heen en weer reed, de telefoon eveneens heen en weer naar Duitsland bewoog. Dit was op 23, 24, 26, 27, 28 februari 2026 en 3 en 4 maart 2026. Op basis van het voorgaande overweegt de rechtbank dat het de verdachte is geweest die ook op voornoemde data de beschikkingsmacht over de Renault Master met kenteken [kenteken 1] heeft gehad en daarmee ook de feitelijke macht heeft gehad over de zich daarin bevindende goederen.

Met betrekking tot de wetenschap van de aanwezigheid van het lachgas overweegt de rechtbank als volgt. Afhankelijk van de omstandigheden kan ook enige wetenschap van de aanwezigheid van de drugs aan de bestuurder van het voertuig worden toegerekend. Immers mag degene die de beschikkingsmacht heeft over een voertuig in beginsel bekend worden verondersteld met wat daarin wordt vervoerd. Dat ligt anders als de verdachte een verklaring aflegt die aannemelijk is en waaruit een ander beeld naar voren komt.

De verdachte heeft ter terechtzitting een verklaring afgelegd, inhoudende dat hij met de Ford Transit naar een supermarkt in Duitsland reed om aldaar drank en shag te kopen en dat hij met de Renault Master naar een supermarkt gelegen aan de Daimlerstraße reed om aldaar vlees te kopen. Dit zou de verdachte hebben gedaan voor [naam] .

De rechtbank overweegt dat in het dossier geen enkel aanknopingspunt te vinden is voor het door de verdachte geschetste scenario. De verdachte is in korte tijd veelvuldig, vaak zelfs op achtereenvolgende dagen, vanuit Nederland naar Duitsland vertrokken. Dat de verdachte met zo een grote regelmaat shag, drank of vlees in Duitsland is gaan halen, acht de rechtbank niet aannemelijk, mede met het oog op de lange reisduur. Daarbij komt dat de verdachte met twee verschillende huurbusjes naar Duitsland is afgereisd en daar in de meeste gevallen niet langer dan een half uur is gebleven. De verdachte heeft verklaard deze boodschappen in opdracht van [naam] te hebben gedaan, maar geeft verder geen informatie over deze persoon, zoals zijn adres of telefoonnummer om dit te kunnen verifiëren. De rechtbank acht de door verdachte alternatieve geschetste gang van zaken dan ook niet aannemelijk geworden en verwerpt het verweer.
<nr>4</nr>De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
<nr>5</nr>De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
<nr>6</nr>De strafoplegging 6.1.
De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd om aan de verdachte de maatregel kostenverhaal, zoals bedoeld in artikel 13d van de Opiumwet, op te leggen voor een bedrag van € 8.800,-, met de daarbij behorende gijzeling indien de verdachte dit bedrag niet dan wel niet tijdig betaalt.
6.2.
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat rechtbanken in zaken waarin het ging om soortgelijke hoeveelheden lachgas, veelal taakstraffen opleggen. De raadsman verzoekt aan de verdachte in ieder geval geen gevangenisstraf op te leggen. Daarnaast verzoekt de raadsman ingeval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van feit 2, de aanwezigheid van lachgas, en feit 3, de invoer van lachgas, eendaadse samenloop dan wel voortgezette handeling aan te nemen. Het aanwezig hebben van lachgas is immers het onmiddellijke gevolg van het invoeren daarvan.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een drietal strafbare feiten, te weten een mishandeling, het aanwezig hebben van 352 cilinders met daarin in totaal 704 kilogram lachgas, alsmede aan het invoeren van een grote hoeveelheid lachgas vanuit Duitsland naar Nederland over een periode van ongeveer anderhalve maand.

Met de mishandeling heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Uit het dossier blijkt ook dat de vrouw en twee vrienden van het slachtoffer getuigen zijn geweest van de mishandeling. Verder heeft de verdachte zich intensief met lachgas beziggehouden. Het wordt steeds bekender hoe schadelijk het gebruik van lachgas werkelijk is. Langdurig gebruik kan grote schade veroorzaken aan de longen. Daarnaast leidt het gebruik van lachgas tot milieuschade, doordat gebruikers ervan de lege cilinders regelmatig achterlaten op straat of in de natuur. Bovendien gaat de handel in en het gebruik van dergelijke verdovende middelen veelal gepaard met verschillende vormen van (ernstige) criminaliteit waarvan anderen overlast ondervinden en waardoor de samenleving schade wordt toegebracht. Om deze redenen staat lachgas sinds 1 januari 2023 op lijst II van de Opiumwet, waardoor onder andere het bezit en de invoer ervan strafbaar is. Verdachte heeft door zijn handelen bijgedragen aan de instandhouding van deze problematiek. Dat rekent de rechtbank de verdachte aan.

Meerdaadse samenloop

De rechtbank is van oordeel dat aan het aanwezig hebben van lachgas en het (daarvoor) invoeren van lachgas in dit geval telkens een apart wilsbesluit ten grondslag lag. Deze gedragingen hebben naar het oordeel van de rechtbank een verschillend karakter, waardoor aan verdachte niet één verwijt kan worden gemaakt. Daarbij speelt een belangrijke rol dat de bewezen verklaarde periode bij de feiten 2 en 3 nagenoeg geheel niet overlappen. Dat betekent dat geen sprake is van eendaadse samenloop of een voortgezette handeling.

Persoonlijke omstandigheden

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 7 juli 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor mishandeling van zijn levensgezel. Daarnaast heeft de rechtbank gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Ter terechtzitting heeft hij geen enkele verantwoording afgelegd.

De straf

De rechtbank heeft gekeken naar de straffen die zijn opgelegd in vergelijkbare gevallen. In dit geval acht de rechtbank strafverhogend dat sprake is van recidive ten aanzien van de mishandeling. Ook de grote hoeveelheid lachgas die de verdachte aanwezig heeft gehad, alsmede de periode waarin de verdachte zich bezig heeft gehouden met de invoer van lachgas, te weten anderhalve maand, neemt de rechtbank in strafverzwarende zin mee.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. De rechtbank acht, alles afwegend, een gevangenisstraf van vierentwintig maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De rechtbank zal een deel van die straf, te weten negen maanden, voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van drie jaren om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken. Deze proeftijd acht de rechtbank nodig, omdat het gemak waarmee de verdachte zich voor geld bereid toonde strafbare feiten te plegen, doet vrezen voor herhalingsgevaar van langere duur.

Maatregel kostenverhaal

Op 1 juli 2022 is artikel 13d van de Opiumwet in werking getreden en van toepassing op strafbare feiten die na de inwerkingtredingsdatum zijn gepleegd. Deze bepaling ziet op de ‘maatregel kostenverhaal’ en maakt het onder de daar vermelde voorwaarden mogelijk dat de kosten die ten laste van de Staat komen in verband met de vernietiging van voorwerpen, die ernstig gevaar opleveren voor de leefomgeving of voor de volksgezondheid, worden verhaald op degene die wordt veroordeeld ter zake van een strafbaar feit dat in verband staat met het voorwerp.

De rechtbank hanteert het uitgangspunt dat de kosten van de vernietiging van de lachgascilinders in beginsel op de veroordeelde kunnen worden verhaald. Immers, anders draait de politie en in bredere zin de samenleving op voor de hoge kosten van het vernietigen van een zeer groot aantal lachgasflessen. De omvang van de kosten van vernietiging en daarmee van de op te leggen maatregel dienen echter wel - in algemene zin - behoorlijk en transparant te worden onderbouwd (vgl. de memorie van toelichting, Kamerstukken II, 2019-2020, 35 564, nr.3, p. 19-20).

De officier van justitie heeft de vordering maatregel kostenverhaal van € 8.800,- gebaseerd op de algemene formulering, zoals in het proces-verbaal van bevindingen van 10 april 2026 (met BVH-nummer 2026055239, p. 103) is vermeld. De rechtbank is van oordeel dat niet aan de vereisten voor oplegging van de maatregel is voldaan. In het dossier zit geen rapport maatregel kostenverhaal en/of een factuur voor het vernietigen van de lachgasflessen opgenomen. Hoewel het voornoemde proces-verbaal van bevindingen een indicatie geeft van de gemaakte dan wel te maken kosten, is de rechtbank - gelet op het ontbreken van de genoemde onderbouwing - van oordeel dat de omvang van de kosten van vernietiging en daarmee van de op te leggen maatregel niet behoorlijk en onvoldoende transparant zijn onderbouwd. Dit klemt te meer, nu het gaat om een aanzienlijk bedrag dat de verdachte zou moeten betalen. De maatregel kostenverhaal zal daarom niet worden opgelegd.
<nr>7</nr>De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 14 a, 14b, 14c, 57, 300 van het Wetboek van Strafrecht;

- 3, 11 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst II.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
<nr>8</nr>De beslissing
De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.4 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

mishandeling;

ten aanzien van feit 2:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 3:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 9 (negen) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 3 (drie) JAREN vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.R.K.A.M. Waasdorp, voorzitter,

mr. R.P. van der Weide, rechter,

mr. T. Ketelaars, rechter,

in tegenwoordigheid van mrs. E. Assies en E. Özsoy, griffiers,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 augustus 2026.

Artikel delen