Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2026:21412

Veroordeling voor het vervoeren van N-ethylpentedron (designerdrug NEP), een poging doodslag door met een personenauto in te rijden op een verkeersregelaar alsmede overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet. Oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek. Toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de d...

Rechtbank Den Haag 3 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:21412 text/xml public 2026-08-03T13:30:26 2026-07-31 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-08-03 09-036641-26 en 10-258562-24 (tul) Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig Op tegenspraak NL Den Haag Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21412 text/html public 2026-08-03T07:53:13 2026-08-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:21412 Rechtbank Den Haag , 03-08-2026 / 09-036641-26 en 10-258562-24 (tul)
Veroordeling voor het vervoeren van N-ethylpentedron (designerdrug NEP), een poging doodslag door met een personenauto in te rijden op een verkeersregelaar alsmede overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet. Oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek. Toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden. Gehele toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummers: 09/036641-26 en 10/258562-24 (tul)

Datum uitspraak: 3 augustus 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] ( [land] ),

BRP-adres: [adres]

op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] .
<nr>1</nr>Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 15 mei 2026 (pro forma) en 20 juli 2026 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. P.T. Verweijen, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. I.A.C. Cools, naar voren is gebracht.
<nr>2</nr>De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
<nr>3</nr>De bewijsbeslissing 3.1.
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde feiten.
3.2.
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 en het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder 3 primair ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft in de bijlage II opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.4.
Bewijsoverweging ten aanzien van feit 2

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken voor de onder 2 ten laste gelegde poging tot doodslag dan wel de poging tot zware mishandeling, nu bij de verdachte geen opzet is geweest op het aanrijden van de verkeersregelaar.

De rechtbank stelt op basis van de gebezigde bewijsmiddelen vast dat de verdachte op 3 februari 2026 met hoge snelheid op het slachtoffer is afgereden. Het slachtoffer heeft vervolgens haar arm in de lucht gestoken om de verdachte tot stoppen te manen, wat ook door de verdachte is waargenomen. De verdachte is vervolgens doorgereden in de richting van het slachtoffer, waarna zij opzij moest springen om een aanrijding te voorkomen.

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of het opzet van de verdachte gericht was op het doden van het slachtoffer. De rechtbank acht onvoldoende bewijs aanwezig om te kunnen vaststellen dat de verdachte vol opzet op de dood had. Daarom komt de rechtbank toe aan de vraag of er sprake is geweest van voorwaardelijk opzet. Die vraag beantwoordt zij bevestigend.

De verdachte is met hoge snelheid en zonder te remmen op het slachtoffer afgereden en is daarna doorgereden. Het ging hier om een wegafsluiting, zodat voorzichtigheid des te meer geboden was. De rechtbank is van oordeel dat de manier waarop de verdachte reed de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer tot gevolg had. De verdachte heeft immers niet kunnen voorzien wat het slachtoffer in een reactie op zijn handelen zou doen. Indien het slachtoffer niet opzij was gesprongen en was blijven staan, terwijl de verdachte met hoge snelheid op haar afreed, had de verdachte haar daadwerkelijk omver kunnen rijden. De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm zodanig zijn gericht op de dood van het slachtoffer, dat hij de aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard. Zo heeft hij verklaard gezien te hebben dat de verkeersregelaar haar arm in de lucht stak om hem zo tot stoppen te manen. De verdachte is toen niet gestopt, omdat hij wilde wegkomen. Van contra-indicaties is niet gebleken.

De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, de onder 2 primair ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen.
3.5.
De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

1

hij op 3 februari 2026 te Gouda opzettelijk een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst IA, te weten een hoeveelheid N-ethylpentedron, heeft vervoerd;

2

hij op 3 februari 2026 te Gouda ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] , van het leven te beroven,

- met een veel te hoge snelheid dan voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, als bestuurder in een personenauto in de richting van die [slachtoffer] is gereden en

- zijn auto niet tijdig tot stilstand heeft gebracht, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] voor de auto van verdachte weg moest springen om een aanrijding te voorkomen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3

hij op 3 februari 2026 te Gouda als bestuurder van een personenauto met kenteken [kenteken] , daarmee rijdende op de weg, waaronder het Bolwerk en de Nieuwe Gouwe O.Z. en de Van Strijenstraat en de Burgemeester Jamessingel en de Goudse Poort en de Burgemeester Van Reenensingel en de Extra Gouwekruising, zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door

- een stopteken te negeren, en vervolgens

- terwijl hij de verkeerslichten op de Extra Gouwekruising en de kruising van het Bolwerk met de Van Strijenstraat en de kruising van de Nieuwe Gouwe O.Z. met de Burgemeester Jamessingel en de kruising van de Goudse Poort met de Burgemeester Van Reenensingel naderde, meermalen in strijd met een voor hem geldend rood uitstralend verkeerslicht die kruising is opgereden, waardoor andere weggebruikers moesten stoppen om een aanrijding te voorkomen, en

- op de Nieuwe Gouwe O.Z. te rijden terwijl de verkeerssituatie aldaar door wegwerkzaamheden en een wegafzetting onoverzichtelijk was met een te hoge snelheid dan voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en daarbij onvoldoende rekening te houden met personen ter plaatse, te weten meerdere medewerkers van Pro-Verkeer waaronder [slachtoffer] , en vervolgens zijn voertuig niet tijdig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover deze vrij was, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] voor de auto van verdachte weg moest springen om een aanrijding te voorkomen door welke verkeersgedragingen van verdachte levensgevaar voor een ander te duchten was.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
<nr>4</nr>De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
<nr>5</nr>De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
<nr>6</nr>De strafoplegging 6.1.
De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en als bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling, dagbesteding en ambulante begeleiding. Daarnaast heeft de officier van justitie de oplegging gevorderd van een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 maanden.
6.2.
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht rekening te houden met het advies van de reclassering. De reclassering heeft aangegeven de verdachte een laatste kans te willen bieden, waarbij diverse bijzondere voorwaarden worden gekoppeld aan een voorwaardelijke straf. De verdachte staat volledig achter de geadviseerde bijzondere voorwaarden en is gemotiveerd om hiermee aan de slag te gaan.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich op één dag schuldig gemaakt aan drie strafbare feiten, te weten het vervoeren van verdovende middelen, een poging doodslag en het zich opzettelijk zodanig in het verkeer gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden.

Met het vervoeren van ruim een kilo aan verdovende middelen heeft de verdachte bijgedragen aan de instandhouding van het criminele drugscircuit. Door het vervoeren en het op die manier in de markt brengen van drugs wordt het gebruik daarvan bevorderd. Drugs zijn schadelijk voor de volksgezondheid. Bovendien leidt de handel in en het gebruik van drugs veelal tot vele andere vormen van criminaliteit, waaronder ernstige geweldscriminaliteit. Dit neemt de rechtbank de verdachte kwalijk. Voorts is de verdachte met hoge snelheid ingereden op een verkeersregelaar, die op de betreffende dag nietsvermoedend aan het werk was bij een wegafzetting. De verkeersregelaar heeft door opzij te springen ternauwernood kunnen voorkomen dat zij dodelijk getroffen werd. Daarbij heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan zeer gevaarlijk rijgedrag in een poging om aan de politie te ontkomen. Tijdens deze rit, die door de officier van justitie terecht is omschreven als een ‘dodemansrit’, heeft de verdachte de verkeersregels in ernstige mate geschonden door onder meer met een (veel) te hoge snelheid te rijden, stoptekens van de politie te negeren en veelvuldig door rood te rijden, ten gevolge waarvan andere weggebruikers moesten stoppen of wegspringen om een aanrijding te voorkomen. De verdachte heeft daarbij zeer gevaarlijke situaties veroorzaakt, nu deze gedragingen plaatsvonden op een druk kruispunt, in een smalle straat binnen een woonwijk en op een onoverzichtelijke weg. De politieagenten hebben zelfs overwogen om de achtervolging af te breken, gelet op de gevaarzetting die door de verdachte werd veroorzaakt. De verdachte heeft met zijn handelen het voertuig waarin hij reed als wapen gebruikt en heeft zijn eigen belang om zich aan zijn aanhouding te onttrekken, laten prevaleren boven het fysieke welzijn van anderen. Dergelijke feiten brengen in het algemeen gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving mee. De rechtbank weegt dan ook het hiervoor genoemde in strafverzwarende zin mee.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 16 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaren onder andere is veroordeeld voor een Opiumwetfeit. De verdachte liep zelfs nog in de proeftijd van die veroordeling. De rechtbank neemt dit gegeven ook in strafverzwarende zin mee.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 15 juli 2026, waaruit volgt dat sprake is van problematiek op verschillende leefgebieden, waaronder op het gebied van financiën, sociaal netwerk, de beïnvloedbaarheid van de verdachte en het ontbreken van een structurele dagbesteding. De reclassering heeft ingeschat dat er sprake is van een hoog recidiverisico. De reclassering ziet tevens een delictpatroon aangaande gewelds- en vermogensdelicten. De verdachte is daarnaast vaker in beeld geweest wegens het rijden zonder rijbewijs. De reclassering ziet in dat kader bij de verdachte beperkte probleemoplossende- of cognitieve vaardigheden. Ondanks dat hierop in het verleden al vaker is ingezet middels reclasseringsinterventies, lijkt dit de verdachte niet te weerhouden om opnieuw met politie en justitie in aanraking te komen.

De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem op te leggen een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden.

De rechtbank ziet, anders dan door de reclassering is geadviseerd, geen aanleiding tot de oplegging van een voorwaardelijk strafdeel, nu de verdachte in het verleden meermaals voorwaardelijke straffen met reclasseringstoezicht heeft gehad, maar zich desondanks weer schuldig heeft gemaakt aan het plegen van ernstige strafbare feiten. Eerder reclasseringstoezicht heeft de kans op recidive kennelijk niet doen verminderen. Ook is door de reclassering meermaals ingezet op de beperkte probleemoplossende- of cognitieve vaardigheden, wat niet tot het beoogde resultaat heeft geleid. De verdachte heeft ter terechtzitting weinig verantwoordelijkheid genomen voor zijn gedrag en lijkt de ernst van zijn acties nog steeds niet goed in te zien. De rechtbank ziet derhalve op dit moment geen meerwaarde in hernieuwd reclasseringstoezicht.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. De rechtbank acht, alles afwegend, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 30 maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Eventuele voorwaarden kunnen te zijner tijd worden gesteld als de verdachte in aanmerking komt voor een voorwaardelijke invrijheidstelling. Deze uitkomst brengt mee dat het verzoek om opheffing van de voorlopige hechtenis zal worden afgewezen.

Anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, zal de rechtbank geen ontzegging van de rijbevoegdheid motorrijtuigen te besturen opleggen, nu de verdachte niet in het bezit is van een rijbewijs. Daarbij staat vast dat de verdachte zijn rijbewijs ook niet op korte termijn zal halen, gelet op de langdurige gevangenisstaf die hij in het kader van deze strafzaak zal moeten uitzitten.

7. De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 3.919,58, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 1.619,58 aan materiële schade en € 2.300,- aan immateriële schade.
7.1.
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2.
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft namens de verdachte verzocht de vordering af te wijzen voor zover deze ziet op de gevorderde materiële schade. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de raadsman verzocht deze primair af te wijzen en subsidiair het gevorderde bedrag te matigen.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de posten ‘behandelingen fysiotherapie’ en ‘verlies van arbeidsvermogen’, is namens de verdachte onvoldoende gemotiveerd betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 2 primair bewezen verklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag van € 1.619,58. De rechtbank zal de gevorderde materiële schadevergoeding dan ook geheel toewijzen.

Immateriële schade

Voor de toewijzing van immateriële schadevergoeding moet op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) - voor zover hier relevant - sprake zijn van een aantasting in de persoon op andere wijze, veroorzaakt door het bewezen verklaarde gedrag van de verdachte.

Aantasting in de persoon op andere wijze

Van de bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen (vlg. ECLI:NL:HR:2019:793).

De rechtbank overweegt dat in het onderhavige geval van dit laatste sprake is. Daaraan legt de rechtbank in de kern ten grondslag dat de benadeelde slachtoffer is geworden van een poging doodslag, doordat er met een personenauto met hoge snelheid op haar af is gereden terwijl zij op dat moment nietsvermoedend aan het werk was. De aard en de ernst van de normschending zijn zodanig dat ook zonder onderbouwing een aantasting in de persoon op andere wijze kan worden aangenomen. Er is dus een wettelijke grondslag voor toekenning van immateriële schadevergoeding.

Gelet op het voorgaande kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 2 primair bewezen verklaarde feit. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, acht de rechtbank het gevorderde bedrag van € 2.300,- billijk.

Conclusies

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 3.919,58, bestaande uit € 1.619,58 aan materiële schade en € 2.300,- aan immateriële schade. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 3 februari 2026, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De verdachte zal voor het bewezen verklaarde feit onder 2 primair worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 3.919,58, bestaande uit € 1.619,58 materiële schade en € 2.300,- immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 3 februari 2026 tot de dag waarop dit bedrag is betaald ten behoeve van [slachtoffer] .
<nr>8</nr>De vordering tot tenuitvoerlegging 8.1.
De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij vordering van 9 april 2026 gevorderd dat de bij parketnummer 10/258562-24 door de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam op 19 november 2024 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, ten uitvoer wordt gelegd wegens het niet naleven van de algemene voorwaarde.
8.2.
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen en in plaats daarvan de proeftijd te verlengen. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat hij zich voor het einde van de proeftijd wederom schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten, waaronder ook een Opiumwetfeit.
<nr>9</nr>De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 36 f, 45, 57, 62, 63, 287 van het Wetboek van Strafrecht;

- 5 a, 176 van de Wegenverkeerswet 1994;

- 2 a, 10b Opiumwet, en de daarbij behorende lijst IA.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
<nr>10</nr>De beslissing
De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, onder 2 primair en onder 3 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2a, eerste lid, onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

ten aanzien van feit 2 primair:

poging tot doodslag;

ten aanzien van feit 3 primair:

overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis;

de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] (feit 2 primair)

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 3.919,58, bestaande uit € 1.619,58 materiële schade en € 2.300,- immateriële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 3 februari 2026 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer] ;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.919,58, bestaande uit € 1.619,58 materiële schade en € 2.300,- immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 3 februari 2026 tot de dag waarop dit bedrag is betaald ten behoeve van [slachtoffer] ;

bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 39 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;

bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.

de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf;

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam van 19 november 2024, gewezen onder parketnummer 10/258562-24, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.P. van der Weide, voorzitter,

mr. J.R.K.A.M. Waasdorp, rechter,

mr. T. Ketelaars, rechter,

in tegenwoordigheid van mrs. E. Assies en E. Özsoy, griffiers,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 augustus 2026.

Bijlage I - tenlastelegging

1

hij op of omstreeks 3 februari 2026 te Gouda al dan niet opzettelijk een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst IA en/of een preparaat daarvan, te weten een hoeveelheid N-ethylpentedron heeft bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of heeft vervoerd, vervaardigd, in elk geval aanwezig heeft gehad;

2

hij op of omstreeks 3 februari 2026 te Gouda ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven, immers heeft verdachte

- met 100 kilomter per uur, althans met een (veel te hoge) snelheid dan voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, in de richting van die [slachtoffer] en/of

- zijn voertuig niet tijdig tot stilstand gebracht, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] voor de auto van verdachte weg moest springen om een aanrijding te voorkomen terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 3 februari 2026 te Gouda ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, immers heeft verdachte

- met 100 kilomter per uur, althans met een (veel te hoge) snelheid dan voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, in de richting van die [slachtoffer] en/of

- zijn voertuig niet tijdig tot stilstand gebracht, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] voor de auto van verdachte weg moest springen om een aanrijding te voorkomen terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3

hij op of omstreeks 3 februari 2026 te Gouda als bestuurder van een voertuig (personenauto met kenteken [kenteken] ), daarmee rijdende op de weg, waaronder maar niet uitsluitend het Bolwerk en/of de Nieuwe Gouwe O.Z. en/of de Van Strijenstraat en/of Burgemeester Jamessingel en/of de Goudse Poort en/of de Burgemeester Van Reenensingel en/of de Extra

Gouwekruising en/of de Extra Gouwekruising, zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door

- een stopteken te negeren, en/of (vervolgens)

- terwijl hij de verkeerslichten op de Extra Gouwekruising en/of de kruising van het Bolwerk met de Van Strijestraat en/of de kruising van de Nieuwe Gouwe O.Z. met de Burgemeester Jamessingel en/of de kruising van de Goudse Poort met de Burgemeester Van Reenensingel naderde, extra gas heeft gegeven en vervolgens meermalen in strijd met een voor hem geldend rood uitstralend verkeerslicht die kruising is opgereden, waardoor andere weggebruikers moesten stoppen om een aanrijding te voorkomen, en/of

- op de Nieuwe Gouwe O.Z. te rijden (terwijl het donker was en/of de verkeerssituatie aldaar door wegwerkzaamheden en/of een wegafzetting onoverzichtelijk was) met een (veel te hoge) snelheid dan voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en/of daarbij onvoldoende rekening te houden met en/of geanticipeerd op het overige verkeer en/of personen ter plaatse, te weten een of meerdere medewerkers van Pro-Verkeer (waaronder [slachtoffer] ), en/of (vervolgens)

zijn, verdachtes, voertuig niet tijdig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en/of waarover deze vrij was, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] voor de auto van verdachte weg moest springen om een aanrijding te voorkomen door welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 3 februari 2026 te Gouda als bestuurder van een voertuig (personenauto met kenteken [kenteken] ), daarmee rijdende op de weg, waaronder maar niet uitsluitend het Bolwerk en/of de Nieuwe Gouwe O.Z. en/of de Van Strijenstraat en/of Burgemeester Jamessingel en/of de Goudse Poort en/of de Burgemeester Van Reenensingel en/of de Extra Gouwekruising en/of de Extra Gouwekruising

- een stopteken te negeren, en/of (vervolgens)

- terwijl hij de verkeerslichten op de Extra Gouwekruising en/of de kruising van het Bolwerk met de Van Strijestraat en/of de kruising van de Nieuwe Gouwe O.Z. met de Burgemeester Jamessingel en/of de kruising van de Goudse Poort met de Burgemeester Van Reenensingel naderde, extra gas heeft gegeven en vervolgens meermalen in strijd met een voor hem geldend rood uitstralend verkeerslicht die kruising is opgereden, waardoor andere weggebruikers moesten stoppen om een aanrijding te voorkomen, en/of

- op de Nieuwe Gouwe O.Z. te rijden (terwijl het donker was en/of de verkeerssituatie aldaar door wegwerkzaamheden en/of een wegafzetting onoverzichtelijk was) met een (veel te hoge) snelheid dan voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en/of daarbij onvoldoende rekening te houden met en/of geanticipeerd op het overige verkeer en/of personen ter plaatse, te weten een of meerdere medewerkers van Pro-Verkeer (waaronder [slachtoffer] ), en/of (vervolgens) zijn, verdachtes, voertuig niet tijdig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en/of waarover deze vrij was, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] voor de auto van verdachte weg moest springen om een aanrijding te voorkomen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Artikel delen