Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2026:21413

Veroordeling voor het afleveren, verstrekken en vervoeren van een grote hoeveelheid lachgas, te weten 368 lachgascilinders met daarin in totaal 684,48 kilogram lachgas. Oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met een proeftijd van twee jaar alsmede een taakstraf voor de duur 200 uur subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis met aftrek. Oplegging van de maat...

Rechtbank Den Haag 3 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:21413 text/xml public 2026-08-03T13:30:21 2026-07-31 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-08-03 09-107929-26 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig Op tegenspraak NL Den Haag Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21413 text/html public 2026-08-03T07:35:07 2026-08-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:21413 Rechtbank Den Haag , 03-08-2026 / 09-107929-26
Veroordeling voor het afleveren, verstrekken en vervoeren van een grote hoeveelheid lachgas, te weten 368 lachgascilinders met daarin in totaal 684,48 kilogram lachgas. Oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met een proeftijd van twee jaar alsmede een taakstraf voor de duur 200 uur subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis met aftrek. Oplegging van de maatregel kostenverhaal voor een totaalbedrag van € 9.082,24, te betalen aan de Staat ter vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 13d van de Opiumwet. Teruggave van het inbeslaggenomen geldbedrag aan de verdachte.
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/107929-26

Datum uitspraak: 3 augustus 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] .
<nr>1</nr>Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 20 juli 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R.A. Kamphuis, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. G.J. Woodrow, naar voren is gebracht.
<nr>2</nr>De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 10 april 2026 te 's-Gravenhage, althans in Nederland opzettelijk heeft bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd en/of vervaardigd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad 368 lachgascilinders, in elk geval een (grote) hoeveelheid distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
<nr>3</nr>De bewijsbeslissing 3.1.
Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
3.2.
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
De gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank zal voor het feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, volstaan. De verdachte heeft het bewezen verklaarde feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2026045729, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 287).

De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:

1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 20 juli 2026;

2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 11 april 2026 (p. 65-66).
3.4.
De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

hij op 10 april 2026 te ’s-Gravenhage opzettelijk heeft afgeleverd, verstrekt en vervoerd een grote hoeveelheid distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
<nr>4</nr>De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
<nr>5</nr>De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
<nr>6</nr>De strafoplegging en oplegging van een maatregel 6.1.
De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met een proeftijd van drie jaren, en een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd om aan de verdachte de maatregel kostenverhaal, zoals bedoeld in artikel 13d van de Opiumwet, op te leggen voor een bedrag van € 9.082,24, met de daarbij behorende gijzeling indien de verdachte dit bedrag niet dan wel niet tijdig betaalt.
6.2.
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft namens de verdachte primair verzocht een groot deel van de straf in voorwaardelijke zin op te leggen, om zo het recidiverisico in te dammen. Voorts heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat hij het met de officier van justitie eens is dat een taakstraf in deze zaak een passende straf is. De raadsman verzoekt wel om een lagere taakstraf op te leggen dan door de officier van justitie is geëist, nu de verdachte soms tot zestig uur per week werkt en overbelasting dient te worden voorkomen. Ten aanzien van de maatregel kostenverhaal verzoekt de raadsman rekening te houden met het geld (€ 2.600,-) dat bij de verdachte in beslag is genomen en waarover de rechtbank nog een beslissing moet nemen. Indien de rechtbank beslist tot verbeurdverklaring van dat bedrag, verzoekt de raadsman dat bedrag in mindering te brengen op de maatregel kostenverhaal, nu de verdachte deze maatregel ervaart als een boete.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het afleveren, verstrekken en vervoeren van een grote hoeveelheid lachgas, te weten 368 lachgascilinders met daarin in totaal 684,48 kilogram lachgas. Het wordt steeds bekender hoe schadelijk het gebruik van lachgas werkelijk is. Langdurig gebruik kan grote schade veroorzaken aan de longen. Daarnaast leidt het gebruik van lachgas tot milieuschade, doordat gebruikers ervan de lege cilinders achterlaten op straat of in de natuur. Bovendien gaat de handel in en het gebruik van dergelijke verdovende middelen gepaard met verschillende vormen van (ernstige) criminaliteit waarvan anderen overlast ondervinden en waardoor de samenleving schade wordt toegebracht. Om deze redenen staat lachgas sinds 1 januari 2023 op lijst II van de Opiumwet, waardoor onder andere het bezit en vervoer ervan strafbaar is. Verdachte heeft door zijn handelen bijgedragen aan de instandhouding van deze problematiek. Dat rekent de rechtbank de verdachte aan.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 12 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 21 april 2026, waaruit volgt dat het recidiverisico niet kan worden ingeschat, nu de verdachte zich ten tijde van het politieverhoor op zijn zwijgrecht beriep.

De straf

De rechtbank heeft gekeken naar straffen die zijn opgelegd in vergelijkbare gevallen. Gelet op de grote hoeveelheid lachgas zou een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel passend zijn. Ter terechtzitting is echter gebleken dat de verdachte het bewezen verklaarde feit heeft gepleegd in een turbulente tijd in zijn leven. Inmiddels heeft hij de draad weer opgepakt. De rechtbank ziet hierin aanleiding voor een stevige onvoorwaardelijke taakstraf, aangevuld met een voorwaardelijke gevangenisstraf om zo de ernst van het feit tot uitdrukking te brengen. De voorwaardelijke gevangenisstraf dient er ook voor om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken. De rechtbank acht, alles afwegend, na te melden straffen passend en geboden.

Maatregel kostenverhaal

Op 1 juli 2022 is artikel 13d van de Opiumwet in werking getreden en van toepassing op strafbare feiten die na de inwerkingtredingsdatum zijn gepleegd. Deze bepaling ziet op de ‘maatregel kostenverhaal’ en maakt het onder de daar vermelde voorwaarden mogelijk dat de kosten die ten laste van de Staat komen in verband met de vernietiging van voorwerpen die ernstig gevaar opleveren voor de leefomgeving of voor de volksgezondheid worden verhaald op degene die wordt veroordeeld ter zake van een strafbaar feit dat in verband staat met het voorwerp.

De rechtbank heeft bewezen verklaard dat de verdachte gevaarlijke goederen heeft afgeleverd, verstrekt en vervoerd, te weten 368 lachgascilinders met daarin lachgas. Deze voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerd bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang. Lachgasflessen leveren een ernstig gevaar op voor de leefomgeving en voor de volksgezondheid. De verdachte heeft geen afstand gedaan van deze onder hem in beslag genomen voorwerpen. De hulpofficier van justitie heeft op 10 april 2026 beslist tot onttrekking aan het verkeer van de lachgascilinders. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de oplegging van de maatregel kostenverhaal zoals bedoeld in artikel 13d van de Opiumwet gevorderd.

Voorts is vast komen te staan dat er kosten zijn gemaakt om deze goederen te vernietigen. Bij de stukken bevindt zich een Rapport maatregel kostenverhaal van 9 mei 2026, waaruit blijkt dat de totaal te verhalen kosten voor de vernietiging van de 368 lachgascilinders

€ 9.082,- bedraagt. Immers bedragen de te verhalen kosten per lachgascilinder (N2O 0-2kg)

€ 24,68, inclusief 21% BTW. De te verhalen kosten voor de partij van 368 lachgascilinders zijn derhalve als volgt opgebouwd: 368 x € 24,68 = € 9.082,24. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan deze berekening. De kosten zijn voldoende onderbouwd en aan te merken als kosten in de zin van artikel 13d van de Opiumwet.

Gelet op het voornoemde zal de rechtbank aan de verdachte de maatregel kostenverhaal opleggen voor een totaalbedrag van € 9.082,24, te betalen aan de Staat ter vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 13d van de Opiumwet. Indien dit bedrag niet wordt voldaan, kunnen 70 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.

De rechtbank stelt vast dat de rechter-commissaris op 20 juli 2026 een machtiging conservatoir beslag heeft verleend ten aanzien van het bedrag van € 2.600,- dat onder de verdachte in beslag is genomen ten behoeve van bewaring van het recht van verhaal voor de maatregel kostenverhaal. Gelet daarop is reeds voorzien in het verzoek van de raadsman om met dat bedrag bij voornoemde maatregel rekening te houden.
<nr>7</nr>Het in beslag genomen voorwerp 7.1.
De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het op de beslaglijst (bijlage bij dit vonnis) genoemde geldbedrag zal worden verbeurd verklaard.
7.2.
Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen standpunt ingenomen.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank

Nu uit het onderzoek ter terechtzitting niet naar voren is gekomen dat het geldbedrag voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer in aanmerking komt, zal de rechtbank de teruggave gelasten van het op de beslaglijst genoemde voorwerp aan de rechthebbende, te weten de verdachte.
<nr>8</nr>De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d van het Wetboek van Strafrecht;

- 3, 11, 13 d van de Opiumwet en de daarbij behorende lijst II;

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
<nr>9</nr>De beslissing
De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.4 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) MAANDEN;

bepaalt dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 (twee) JAREN vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

veroordeelt de verdachte voorts tot:

een taakstraf voor de tijd van 200 (tweehonderd) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 100 (honderd) DAGEN;

beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag;

legt op als maatregel de verplichting tot vergoeding van het bedrag van 9.082,24 aan de Staat;

bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd op 70 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

gelast de teruggave van het op de beslaglijst genoemde voorwerp, te weten: € 125,00, aan de rechthebbende, te weten de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.R.K.A.M. Waasdorp, voorzitter,

mr. R.P. van der Weide, rechter,

mr. T. Ketelaars, rechter,

in tegenwoordigheid van mrs. E. Assies en E. Özsoy, griffiers,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 augustus 2026.

Artikel delen