Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2026:21594

Dublin Frankrijk, interstatelijk vertrouwensbeginsel, arrest C.K., geslaagd beroep op arrest Tarakhel. Op grond van voorgaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank dan ook van oordeel dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor hij als bijzonder kwetsbaar kan worden aangemerkt. Dit betekent dat de minister, ond...

Rechtbank Den Haag 3 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:21594 text/xml public 2026-08-03T10:36:13 2026-08-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-07-31 NL26.31006 en NL26.31007 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening+bodemzaak NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21594 text/html public 2026-08-03T08:06:35 2026-08-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:21594 Rechtbank Den Haag , 31-07-2026 / NL26.31006 en NL26.31007
Dublin Frankrijk, interstatelijk vertrouwensbeginsel, arrest C.K., geslaagd beroep op arrest Tarakhel. Op grond van voorgaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank dan ook van oordeel dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor hij als bijzonder kwetsbaar kan worden aangemerkt. Dit betekent dat de minister, ondanks het bestaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, ten onrechte geen aanvullende garanties aan Frankrijk heeft gevraagd. Het beroep is gegrond.

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummers: NL26.31006 (beroep)

NL26.31007 (voorlopige voorziening)

V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
<?linebreak?> [eiser],
geboren op [geboortedag] 1983, van Nigeriaanse nationaliteit, eiser en verzoeker, hierna: eiser

(gemachtigde: mr. M. Terpstra),

en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Inleiding
1. Bij besluit van 2 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de

aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling

genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en daarnaast verzocht

om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat hij de beslissing op het beroep

in Nederland mag afwachten.
1.2.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 23 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde, K. Koyuncu als tolk in de Engelse taal en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of verweerder op goede gronden eiser zijn asielaanvraag niet in behandeling heeft genomen.
2.1.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Toepasselijk recht

3. Op 12 juni 2026 is de AMBV in werking getreden. Artikel 83, eerste volzin, van de AMBV bepaalt dat de Dublinverordening op 12 juni 2026 wordt ingetrokken. De rechtbank bespreekt daarom als eerste welk recht in deze zaak van toepassing is.
3.1.
Artikel 84, tweede lid, van de AMBV bepaalt dat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een vóór 12 juni 2026 ingediend verzoek om internationale bescherming, wordt bepaald volgens de in de Dublinverordening vastgelegde criteria. Het verzoek van eiser om internationale bescherming is vóór 12 juni 2026 ingediend. Dat betekent dat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is, op grond van het overgangsrecht wordt bepaald volgens de in de Dublinverordening vastgelegde criteria.
3.2.
Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank bij de beoordeling van dit beroep uit van het beleid dat is opgenomen in C2/5 van de Vreemdelingencirculaire, zoals dat luidde vóór 12 juni 2026.

Besluitvorming

4. Eiser heeft op 3 april 2026 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze asielaanvraag met het bestreden besluit niet in behandeling genomen, omdat de autoriteiten van Frankrijk volgens verweerder verantwoordelijk zijn voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Uit Eurodac is gebleken dat eiser in Frankrijk een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Daarom heeft Nederland op 23 april 2026 de autoriteiten van Frankrijk verzocht eiser terug te nemen. Op 8 mei 2026 zijn de autoriteiten van Frankrijk hiermee akkoord gegaan op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, van de Dublinverordening.

Interstatelijk vertrouwensbeginsel

5. Allereerst stelt eiser dat ten aanzien van Frankrijk niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Er zijn immers concrete aanwijzingen dat Frankrijk zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Eisers voormalig begeleider in Frankrijk, [de persoon], heeft namelijk bevestigd dat als hij zal worden overgedragen aan Frankrijk, hij drie maanden moet wachten voordat hij een ziektekostenverzekering kan verkrijgen en voor hij psychische hulp kan krijgen. Wanneer hij opnieuw asiel zal aanvragen in Frankrijk, vindt er eerst een beoordeling plaats en in afwachting daarvan heeft hij geen recht op opvang in een asielzoekerscentrum, geen recht op een financiële voorzieningen en zeker geen recht op een gesubsidieerde advocaat. Dit komt overeen met de informatie uit het AIDA-rapport, update 2024 van juni 2025, waar ook uit volgt dat er bij een opvolgend asielverzoek in de regel niet gehoord zal worden, er geen schorsende werking wordt verleend aan een beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring of afwijzing van een opvolgend asielverzoek en eiser hangende een opvolgend asielverzoek kan worden aangezegd Frankrijk te verlaten. Dit beeld wordt in het meest recente AIDA-rapport, update 2025 van juni 2026, bevestigd.
5.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder mag er in het algemeen op vertrouwen dat de lidstaten die partij zijn bij de Dublinverordening, waaronder ook Frankrijk, hun internationale verplichtingen nakomen. Dit betekent dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat de behandeling van eiser na overdracht aan Frankrijk in overeenstemming is met de bepalingen uit het EVRM, het Handvest en het Vluchtelingenverdrag. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat in zijn geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan omdat de asielprocedure in Frankrijk een fundamentele systeemfout bevat die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt als bedoeld in het arrest Jawo.
5.2.
De rechtbank stelt voorop dat volgens Afdelingsrechtspraken ten aanzien van Frankijk nog altijd kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In deze uitspraken heeft de Afdeling geoordeeld dat alhoewel er wel kan worden aangenomen dat sprake was van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in Frankijk, niet is gebleken dat die problemen dusdanig structureel en ernstig zijn, dat bij overdracht aan Frankrijk op voorhand sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Het beroep van eiser op het meest recente AIDA-rapport, update 2025 van juni 2026, maakt dat niet anders. De Afdeling heeft bij uitspraak van 31 juli 2025 geoordeeld dat het AIDA-rapport, update 2024 van juni 2025, geen wezenlijk ander beeld schetst dan de landeninformatie die de Afdeling bij de uitspraak van 30 augustus 2024 heeft betrokken. De rechtbank is van oordeel dat het AIDA-rapport, update 2025 van juni 2026, tevens geen wezenlijk ander beeld schetst en ziet daarom geen aanleiding hier anders over te oordelen. Als eiser toch problemen ervaart in het kader van de opvangvoorzieningen, dan ligt het op zijn weg om daarover de Franse autoriteiten te benaderen. Niet is gebleken dat klagen of het vragen van hulp bij de Franse autoriteiten voor eiser niet mogelijk is of dat dit bij voorbaat zinloos zal zijn. De beroepsgrond slaagt niet.

Arrest C.K.

6. Verder stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder onvoldoende heeft onderkend dat hij een kwetsbare vreemdeling is. Hij doet een beroep op het arrest C.K. en stelt dat overdracht aan Frankrijk een reëel en bewezen risico oplevert van een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn medische situatie. Eiser heeft met medische stukken aangetoond dat hij in Frankrijk diverse episodes heeft doorgemaakt met suïcidepogingen en opname. Ook heeft eiser zijn patiëntendossier Nederland overgelegd. Eiser is in Frankrijk uitgeprocedeerd en heeft een removal order gekregen ondanks dat hij heeft aangegeven te behoren tot de LHBTI-gemeenschap, als gevolg daarvan diverse keren ernstig is mishandeld in Nigeria en op die grond te vrezen heeft voor vervolging in geval van terugkeer. Volgens eiser had de minister dan ook een BMA-advies moeten opvragen. Op 4 juni 2026 is hij in Nederland gezien door een arts en heeft hij medicatie voorgeschreven gekregen. Eiser is op 17 juli 2026 doorverwezen naar Kleur GGZ en is nog in afwachting van een afspraak.
6.1.
Uit het arrest C.K. volgt dat wanneer een asielzoeker objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen aantonen waartoe een overdracht zelf zou kunnen leiden, verweerder bij het nemen van het overdrachtsbesluit moet beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen.
6.2.
De rechtbank oordeelt als volgt. De rechtbank stelt vast dat eiser geen medische documenten heeft overgelegd waaruit volgt dat sprake is van een suïciderisico of dat dit risico als gevolg van eisers overdracht reëel of hoog is ingeschat. Uit de stukken die eiser heeft overgelegd volgt weliswaar dat er sterke aanwijzingen zijn dat hij kampt met PTSS-gerelateerde klachten, hij medicatie krijgt, een suïcidepoging in Frankrijk heeft gedaan en dat hij op dit moment een verwijzing heeft voor behandeling bij de specialistische GGZ, maar dat deze behandeling nog niet is aangevangen. Hierdoor komt de minister niet toe aan de vergewisplicht, aangezien het suïciderisico als gevolg van de overdracht niet als reëel of hoog is ingeschat door een medisch deskundige. Om die reden heeft de minister geen aanleiding hoeven zien om een BMA-advies op te vragen. De beroepsgrond slaagt niet.

Arrest Tarakhel

7. Tot slot stelt eiser zich op het standpunt dat hij als bijzonder kwetsbaar aangemerkt moet worden in de zin van het arrest Tarakhel en dat de minister aanvullende garanties aan Frankrijk had moeten vragen.
7.1.
In het Tarakhel-arrest heeft het EHRM overwogen dat de verzoekende lidstaat voor bijzonder kwetsbare personen voorafgaand aan de overdracht aanvullende garanties moet vragen aan de ontvangende lidstaat, indien de vreemdeling aantoont dat hij zonder die garanties geen toereikende zorg- en opvangvoorzieningen zal kunnen krijgen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 3 december 2015 volgt dat het Tarakhel-arrest ook van toepassing kan zijn op andere bijzondere kwetsbare personen indien aannemelijk is gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden, waarbij het geslacht, de leeftijd en de gezondheidstoestand van de vreemdelingen ook van belang kunnen zijn. Verder ligt de bewijslast dat er sprake is van betreffende bijzondere kwetsbaarheid bij de vreemdeling.
7.2.
De rechtbank oordeelt als volgt. Eiser heeft de volgende bijzondere omstandigheden aangevoerd. Eiser is in zijn jeugd geslagen door onder andere een leerkracht. In 2011 is hij op het feest aangevallen en in elkaar geslagen vanwege zijn seksuele geaardheid. Hij werd ervan beschuldigd een gay party te hebben bijgewoond. Vanwege zijn medisch letsel mocht hij behandeld worden, en erna moest hij zich melden bij de politie. Hij heeft zich niet gemeld uit angst gedetineerd te worden. Erna ontving hij een brief van de kerk dat hij door de kerkelijke gemeenschap in de gaten zou worden gehouden. In 2020 is hij weer mishandeld vanwege zijn seksuele geaardheid waarbij zijn schouder en duim zijn gebroken. Hij is hierna verhuisd en durfde daar weer een relatie aan te gaan. In februari 2024 zijn hij en zijn partner mishandeld door een groep die achter hun seksuele geaardheid kwam. Zijn partner is door deze groep voor de ogen van eiser vermoord. De familie van zijn partner is boos op eiser en heeft aangifte gedaan tegen hem omdat volgens de familie sprake was van een onnatuurlijke (gay) relatie tussen eiser en zijn partner. Eiser is hierna uit Nigeria naar Frankrijk gevlucht om asiel aan te vragen. Uit de informatie die eiser over Frankrijk heeft overgelegd blijkt dat hij een suïcidepoging heeft gedaan nadat zijn asielaanvraag daar werd afgewezen. Eiser is hierna op straat beland en kreeg geen medicatie meer. Ook is hij aangevallen op het station waarbij zijn koffers gestolen zijn. Omdat eiser geen opvang meer had, is hij naar Nederland gekomen. Op 12 mei 2026, ten tijde van het voornemen in de onderhavige procedure, is er een calamiteitenmelding gedaan dat eiser suïcidegedachten heeft. Eiser stelt niet terug te kunnen keren naar Frankrijk vanwege zijn psychische problemen, angst voor groepen mensen en het risico dat hij op straat zal belanden. Uit het AIDA-rapport, update 2025 van juni 2026, blijkt namelijk dat eiser de eerste drie maanden geen recht heeft op psychische hulp en met een opvolgende aanvraag geen garantie heeft dat hij opvang zal krijgen. Verder heeft eiser zijn patiëntendossier uit Nederland overgelegd waaruit blijkt dat hij kampt met PTSS-gerelateerde klachten, hiervoor medicatie heeft gekregen van de huisarts, is doorverwezen naar de specialistische GGZ en op de wachtlijst staat voor een behandeling. Doordat eiser nog niet onder behandeling van de GGZ staat, kan hij nog geen verklaring van een arts overleggen over zijn psychische klachten en het suïciderisico bij overdracht. Op de zitting heeft eiser aangegeven dat hij bang is voor groepen mensen en dat hij niet meer buiten komt ondanks dat hij medicatie heeft. Ook heeft eiser op de zitting een suïcide uiting gedaan. Op grond van voorgaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank dan ook van oordeel dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor hij als bijzonder kwetsbaar kan worden aangemerkt. Dit betekent dat de minister, ondanks het bestaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, ten onrechte geen aanvullende garanties aan Frankrijk heeft gevraagd. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet, gelet op de aard van de gebreken, geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten, om zelf in de zaak te voorzien of om een bestuurlijke lus toe te passen. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
8.1.
Omdat de rechtbank nu beslist op het beroep van eiser, is er voor het treffen van de

voorlopige voorziening geen reden meer. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
8.2.
De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. De

proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de

door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het

indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt

voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer: NL26.31006,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 2 juni 2026;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een

nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.

De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer: NL26.31007,

- wijst het verzoek af.

De rechtbank, in alle zaken:

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000.

Asiel- en Migratiebeheerverordening.

EU 2024/1351 en EU 2025/90929 rectificatie.

Verordening (EU) nr. 604/2013.

Asylum Information Database.

AIDA Country Report on France – Update on 2024, 12 juni 2025, p. 104.

AIDA Country Report on France – Update on 2025, 2 juni 2026.

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.

Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.

Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019 in de zaak C-163/17,

ECLI:EU:C:2019:218.

Zie de uitspraken van 31 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3623 en 7 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3724.

ECLI:NL:RVS:2025:3623.

ECLI:NL:RVS:2024:3552.

Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127 (C.K. tegen Slovenië).

Bureau Medische Advisering.

Geestelijke Gezondheidszorg.

Zoals volgt uit WI 2026/17.

Arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 4 november 2014 in de zaak Tarakhel tegen Zwitserland, nr. 29217/12, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.

Europese Hof voor de Rechten van de Mens.

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

ECLI:NL:RVS:2015:3806.

ECLI:NL:RVS:2020:223.

Zie p. 140 van het AIDA-rapport.

Zie p. 108 van het AIDA-rapport.

Conform artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Conform artikel 3:2 van de Awb.

Artikel delen