Vovo hangende beroep. GVVA. De voorzieningenrechter treft een voorlopige voorziening
Rechtbank Den Haag 3 August 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:21595
Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-08-2026
Datum publicatie
03-08-2026
Zaaknummer
NL26.26900
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBDHA:2026:21595text/xmlpublic2026-08-03T10:45:152026-08-03Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2026-07-31NL26.26900UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigVoorlopige voorzieningNLAmsterdamBestuursrecht; VreemdelingenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21595text/htmlpublic2026-08-03T08:15:272026-08-03Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2026:21595 Rechtbank Den Haag , 31-07-2026 / NL26.26900 Vovo hangende beroep. GVVA. De voorzieningenrechter treft een voorlopige voorziening
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL26.26900 V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker], geboren op [geboortedag] 1978, van Indiase nationaliteit, verzoeker
(gemachtigde: mr. B.D. Lit), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. M.L.A. Berkelmans). Inleiding1.1. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor verlenging van zijn gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA). Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 21 november 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 7 mei 2026 op het bezwaar van verzoeker is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Omdat het beroep geen schorsende werking heeft, mag verzoeker hangende het beroep niet werken. 1.2. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat de vertrekplicht van verzoeker wordt opgeschort en dat het hem wordt toegestaan te werken totdat op zijn beroep is beslist. 1.3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 21 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de werkgever van verzoeker ([de persoon 1]), mr. J. van Putten als waarnemer van de gemachtigde van verzoeker, S. Atwal als tolk, de gemachtigde van verweerder en [de persoon 2] als [functie] van het UWV. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Spoedeisend belang 3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat sprake is van spoedeisend belang. Het is verzoeker nu namelijk niet toegestaan om te werken en de werkgever heeft aangegeven momenteel te weinig koks te hebben om de onderneming draaiende te kunnen houden. Redelijke kans van slagen 4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het oordeel in deze zaak een voorlopig karakter heeft en dat dit de rechtbank in de beroepszaak niet bindt. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat deze spoedprocedure zich niet leent voor een diepgaand inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van het besluit. 5. Op het moment van de zitting zijn meerdere zaken aanhangig bij de Afdeling over onderwerpen die ook relevant zijn voor onderhavige procedure. Daarom is, in overleg met partijen, ook besloten de connexe beroepszaak aan te houden tot de Afdeling een uitspraak heeft gedaan over deze onderwerpen. Bij deze stand van zaken en gelet op de uiteenlopende jurisprudentie over de afschaffing van de Regeling voor de Aziatische horeca, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het beroep een redelijke kans van slagen op dit moment niet kan worden ontzegd. Belangenafweging 6. Het belang van verzoeker en de werkgever is erin gelegen dat verzoeker weer legaal kan werken voor zijn werkgever. Daarmee zou weer uitvoering kunnen worden gegeven aan de arbeidsovereenkomst en zouden de problemen in de bedrijfsvoering niet langer aanhouden. Daartegenover staat het uitgangspunt dat het instellen van beroep geen schorsende werking heeft en het belang van verweerder dat de wet wordt gevolgd. Het is volgens verweerder niet de bedoeling dat een situatie ontstaat waarbij illegale tewerkstelling legaal wordt gemaakt en een arbeidsplaats van een werkzoekende in feite wordt ingenomen door verzoeker. 7. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter valt de belangenafweging in het voordeel van verzoeker en referent uit. De voorzieningenrechter kan verweerder volgen in zijn belang dat de regels worden nageleefd, maar voor de voorzieningenrechter weegt zwaarder dat verzoeker, na een eerder positief UWV-advies, al enkele jaren legaal arbeid heeft verricht en dat afwijzing van het verzoek in dit geval directe gevolgen heeft voor verzoeker en referent, terwijl het beroep een redelijke kans van slagen niet kan worden ontzegd. Conclusie en gevolgen 8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening die ertoe strekt dat de vertrekplicht van verzoeker wordt opgeschort en dat het hem wordt toegestaan te werken totdat op zijn beroep is beslist. 8.1. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet verweerder het griffierecht aan verzoeker vergoeden en krijgt verzoeker ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-. Beslissing De voorzieningenrechter:
- treft een voorlopige voorziening die ertoe strekt dat de vertrekplicht van verzoeker wordt opgeschort en dat het hem wordt toegestaan te werken totdat op zijn beroep is beslist;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoeker. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak El Idrissi, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A.H. Gonera, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. NL26.26899.