Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2026:21607

Asiel, Egypte, aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, problemen vanwege de problemen van vader en dat eiser gezocht wordt door Egyptische autoriteiten niet geloofwaardig. Tussenuitspraak. Besluit is onvoldoende zorgvuldig tot stand gekomen omdat de minister ten tijde van nader gehoor onvoldoende rekening heeft gehouden met psychische gesteldheid van eiser. De minister moet onderzoek doen n...

Rechtbank Den Haag 3 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:21607 text/xml public 2026-08-03T10:43:17 2026-08-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-07-31 NL26.17490 T Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Tussenuitspraak NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21607 text/html public 2026-08-03T09:28:54 2026-08-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:21607 Rechtbank Den Haag , 31-07-2026 / NL26.17490 T
Asiel, Egypte, aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, problemen vanwege de problemen van vader en dat eiser gezocht wordt door Egyptische autoriteiten niet geloofwaardig. Tussenuitspraak. Besluit is onvoldoende zorgvuldig tot stand gekomen omdat de minister ten tijde van nader gehoor onvoldoende rekening heeft gehouden met psychische gesteldheid van eiser. De minister moet onderzoek doen naar eisers psychische gesteldheid ten tijde van het nader gehoor.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL26.17490 T

V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser],
geboren op [geboortedag] 2000, van Egyptische nationaliteit, eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. H.A. Koning),

en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. W.A. Kleingeld).
Procesverloop
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Eiser heeft op 20 april 2024 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft met het besluit van 23 maart 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank. Ook heeft hij verzocht om een voorlopige voorziening die ertoe strekt zijn uitzetting te verbieden totdat op zijn beroep is beslist.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 13 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader

2. Per 12 juni 2026 is het Asiel- en Migratiepact inwerking getreden. In dat kader is de Vreemdelingenwet 2000 met de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 (de Uitvoerings- en implementatiewet) gewijzigd. Op grond van artikel IX, zesde lid, onder b, van de Uitvoerings- en implementatiewet, zijn de artikelen van de Vreemdelingenwet 2000 zoals deze gold tot 12 juni 2026 op eisers aanvraag van toepassing omdat deze aanvraag is ingediend vóór 12 juni 2026. In deze uitspraak hebben de verwijzingen naar de Vreemdelingenwet 2000 dan ook betrekking op de wetsversie die geldig was tot 12 juni 2026.

3. Daarnaast zijn er met dit pact diverse richtlijnen omgezet naar verordeningen. Onder meer de Kwalificatierichtlijn is ingetrokken en vervangen door de Kwalificatieverordening. De Kwalificatieverordening kent geen overgangsrecht. Omdat de rechtbank een volledig en ex nunc onderzoek dient te verrichten, zal de rechtbank uitgaan van het recht zoals dat gold ten tijde van het sluiten van het onderzoek. Dit betekent dat de rechtbank zal toetsen aan de Kwalificatieverordening.

Waar gaat deze zaak over?

Het asielrelaas

4. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij problemen heeft ondervonden in Italië vanwege de problemen van zijn vader. Ook wordt eiser gezocht door de Egyptische veiligheidsdienst.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bestaat volgens de minister uit de volgende asielmotieven:

identiteit, nationaliteit en herkomst;

problemen vanwege de problemen van zijn vader; en

hij wordt gezocht door de Egyptische veiligheidsdienst.
5.1.
De minister vindt eisers nationaliteit en herkomst geloofwaardig, maar zijn identiteit niet. Ook vindt de minister het tweede en derde asielmotief niet geloofwaardig. Eiser heeft zijn verklaringen onvoldoende met documenten onderbouwd. Hij krijgt niet het voordeel van de twijfel omdat hij geen oprechte inspanning heeft geleverd om zijn aanvraag te staven. Daarnaast heeft eiser geen goede verklaringen voor het ontbreken van documenten die zijn identiteit onderbouwen. Ook vormen de verklaringen van eiser over zijn identiteit en over het tweede en derde asielmotief volgens de minister geen samenhangend en aannemelijk geheel. Verder kan eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd. Tot slot heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij voor wat betreft het geloofwaardig geachte asielmotief een vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Egypte. De minister heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond omdat hij een identiteits- of reisdocument heeft vernietigd of weggemaakt en hij verklaringen heeft afgelegd die als kennelijk inconsequent en tegenstrijdig zijn beoordeeld. De minister heeft aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar opgelegd.

Wat vindt eiser in beroep?

6. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn asielaanvraag. Hij voert aan dat het besluit niet met de juiste zorgvuldigheid is genomen omdat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn psychische gesteldheid. Dit terwijl in de e-mail van eisers gemachtigde van 4 december 2025 wel concrete informatie hierover is gegeven. aanknopingspunten voor. De minister had deze informatie onder de aandacht moeten brengen van de arts van het medisch onderzoek. Eisers ernstige psychotische klachten en zijn medicatiegebruik hadden namelijk van invloed kunnen zijn op zijn vermogen om volledig te verklaren.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

7. In deze tussenuitspraak komt de rechtbank tot het oordeel dat de minister het bestreden besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid. De rechtbank stelt de minister in de gelegenheid om dit gebrek te herstellen en doet daarom een tussenuitspraak. Hieronder legt de rechtbank haar oordeel uit.

Is het besluit voldoende zorgvuldig tot stand gekomen?

8. Naar het oordeel van de rechtbank is het besluit onvoldoende zorgvuldig tot stand gekomen omdat de minister ten tijde van het nader gehoor onvoldoende rekening heeft gehouden met de psychische gesteldheid van eiser.
8.1.
Uit het medisch advies van 18 augustus 2025 volgt dat eiser gehoord kon worden maar dat wel rekening gehouden moest worden met het feit dat eiser moeite heeft met lezen en schrijven. Op 4 december 2025 heeft de gemachtigde van eiser de IND per e-mail bericht dat het medisch advies van 18 augustus 2025 naar zijn inzicht niet meer actueel is en de IND verzocht om eiser opnieuw door een arts te laten onderzoeken. De gemachtigde had met eiser afgesproken om het nader gehoor voor te bereiden, maar kon geen normaal gesprek met hem voeren. Eiser hoorde namelijk stemmen en sprak over djinn, een bovennatuurlijk, onzichtbaar wezen uit de Arabische mythologie en de islamitische traditie. In diezelfde mail heeft de gemachtigde een foto bijgevoegd van een doosje quetiapine, medicatie tegen psychoses, die eiser zou slikken. Eiser is vervolgens op 26 februari 2026 via een videoverbinding opnieuw gezien voor een medisch onderzoek. De adviserend arts concludeert: “Betrokkene wel horen, met bijzonderheden”. Uit het verslag volgt dat eiser ten tijde van het gesprek een vijandig houding had, wat het beantwoorden van de vragen bemoeilijkte. Van psychische problemen wordt in dit verslag geen melding gemaakt. Op 2 maart 2026 heeft het nader gehoor plaatsgevonden. Eiser heeft toen verklaard dat hij paranoïde is. Op 10 maart 2026 had eiser een vertrekgesprek met de DT&V. In het verslag van dat gesprek staat vermeld dat het niet mogelijk was om eiser te spreken vanwege zijn gedrag. Eiser zou die ochtend zijn gezien door een psychiater en kreeg die avond medicatie aangeboden. Van die afspraak is geen verslag aan het dossier toegevoegd.
8.2.
De rechtbank overweegt allereerst dat er naar haar oordeel tijdens het nader gehoor voor de hoormedewerker voldoende aanknopingspunten waren dat eiser met psychische problemen kampt. Zo heeft eiser verklaard dat hij paranoïde is en niet meer weet wat de reden is van zijn aanvraag. Ook heeft eiser op meerdere momenten verklaringen afgelegd die de stelling dat hij paranoïde is kunnen ondersteunen. Zo verklaart hij op de vraag waarom hij niet terug kan naar Egypte: “Het gaat u niks aan. Het gaat mij persoonlijk aan. Het gaat u niets aan.” Als de hoormedewerker aan eiser vraagt of het klopt dat hij geen vragen wil beantwoorden over zijn broer, antwoordt hij “Ben je nog niet klaar met je vragen?! Heb je een probleem met mij?” Ook verklaart eiser: “Ik heb een paracetamol gekregen. Dit is eigenlijk een zelfmoordactie. Jullie vermoorden mensen, jullie geven paracetamol en vermoorden daarmee mensen.”
8.3.
Daarbij komt dat de minister op de zitting in reactie op de vragen van de rechtbank heeft verklaard dat de medische informatie uit de e-mail van de gemachtigde van 4 december 2025 niet is gedeeld met de arts van medTadvies. Hoewel de minister op de zitting terecht heeft gesteld dat het in beginsel op de weg van eiser lag om informatie over zijn medische situatie te verstrekken en toestemming te geven voor het delen daarvan met de arts van medTadvies, stelt de rechtbank vast dat de gang van zaken onvoldoende zorgvuldig is verlopen. Naar het oordeel van de rechtbank is er onvoldoende zicht op hoe het met eiser is gegaan in de periode vanaf december, tijdens het nader gehoor, tot aan het vertrekgesprek. Zeker nu uit het verslag van het vertrekgesprek, acht dagen na het nader gehoor, blijkt dat eiser is gezien door een psychiater en medicatie heeft gekregen. Het is de rechtbank niet duidelijk welke medicatie is voorgeschreven, waarom, of dit dezelfde medicatie betreft als in december 2025, of zijn medische problematiek zijn vermogen om te verklaren heeft beïnvloed en of de vijandige houding die de adviserend arts rapporteert en de houding van eiser op het nader gehoor verband houden met de medische problematiek. Mede gelet op de indicaties die er voor de minister bestonden ten tijde van het nader gehoor, is rechtbank daarom van oordeel dat het nader gehoor niet zorgvuldig is verlopen.
Conclusie en gevolgen
9. Zoals hiervoor is overwogen onder rechtsoverwegingen 8 tot en met 8.3 is het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid. De rechtbank kan het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen en doet dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet in het belang van een spoedige beslechting van het geschil in dit geval aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:51a van de Awb. Dat betekent dat de minister in de gelegenheid wordt gesteld om het geconstateerde gebrek te herstellen. Dat herstellen kan met een aanvullende motivering of, voor zover nodig, met een nieuw besluit, na of tegelijkertijd met intrekking van het huidige bestreden besluit. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen de minister het gebrek kan herstellen op vier weken na plaatsing van deze tussenuitspraak in het digitale dossier.

10. Om het gebrek te herstellen, dient de minister nader onderzoek te doen naar eisers psychische gesteldheid ten tijde van het nader gehoor. De minister moet allereerst toestemming aan eiser vragen voor het delen van de medische informatie uit de e-mail van de gemachtigde van 4 december 2025 en de medische informatie uit het verslag van het gesprek wat eiser zou hebben gehad met de psychiater op 10 maart 2026. Op basis van die medische stukken moet de minister een arts retrospectief laten beoordelen wat de invloed is geweest van eisers medische situatie en zijn medicijngebruik op zijn vermogen om te verklaren ten tijde van het nader gehoor. Indien daaruit komt dat eiser niet in staat was om te worden gehoord, dient, met inachtneming van het advies van de arts, een nieuw gehoor plaats te vinden.

11. De minister moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om onnodige vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, aan de rechtbank mededelen of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen. Als de minister gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van de minister. In beginsel, ook in de situatie dat de minister de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

12. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht.

13. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat betekent dat zij over het verzoek om een voorlopige voorziening en over de proceskosten nu nog geen beslissing neemt.
Beslissing
De rechtbank:

draagt de minister op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;

stelt de minister in de gelegenheid om binnen vier weken na plaatsing van deze tussenuitspraak in het digitale dossier het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

stelt eiser in de gelegenheid om binnen vier weken op de herstelpoging van de minister te reageren, indien de minister van de gelegenheid gebruik maakt om de gebreken tijdig te herstellen; en,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.C. Bakx, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen

deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d en e, van de Vw 2000.

NL26.17491.

Verordening (EU) 2024/1347 van het Europese Parlement en de Raad van 14 mei 2024 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen, en voor de inhoud van de verleende bescherming, tot wijziging van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2011/95 van het Europees Parlement en de Raad.

Zie artikel 41 van de Verordening (EU) 2024/1347.

Als bedoeld in artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000.

Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.

Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.

Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000.

Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.

Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

Artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000.

Artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000.

Artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.

Immigratie- en naturalisatiedienst.

Verslag van het nader gehoor, p. 2.

Dienst Terugkeer & Vertrek.

Verslag van het nader gehoor, p. 2.

Idem, p. 4.

Idem, p. 6.

Idem, p. 6.

Artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb.

Op grond van artikel 8:80a van de Awb.

Zie de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2853.

Artikel delen