Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2026:21611

Dublin Bulgarije. Beroep ongegrond, informatie-uitwisseling over gestelde eerdere mishandeling niet verplicht bij overnameformulier, voor Bulgarije uitgaan van interstatelijk vertrouwensbeginsel, artikel 17, minister heeft aanvraag ook niet op grond van eerste lid, van de Dublinverordening aan zich moeten trekken.

Rechtbank Den Haag 3 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:21611 text/xml public 2026-08-03T10:41:42 2026-08-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-07-31 NL26.18659 en NL26.18660 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Voorlopige voorziening+bodemzaak NL Amsterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21611 text/html public 2026-08-03T09:34:54 2026-08-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:21611 Rechtbank Den Haag , 31-07-2026 / NL26.18659 en NL26.18660
Dublin Bulgarije. Beroep ongegrond, informatie-uitwisseling over gestelde eerdere mishandeling niet verplicht bij overnameformulier, voor Bulgarije uitgaan van interstatelijk vertrouwensbeginsel, artikel 17, minister heeft aanvraag ook niet op grond van eerste lid, van de Dublinverordening aan zich moeten trekken.

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummers: NL26.18659 (beroep)

NL26.18660 (voorlopige voorziening)

V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
<?linebreak?> [eiseres],
geboren op [geboortedag] 1978, van Syrische nationaliteit, eiseres/verzoekster (hierna: eiseres)

(gemachtigde: mr. M. Grigorjan),

en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. W.A. Kleingeld).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van haar asielaanvraag en haar verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Eiseres heeft op 17 december 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 2 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de aanvraag. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank. Ook heeft zij verzocht om een voorlopige voorziening die ertoe strekt haar uitzetting te verbieden totdat op haar beroep is beslist.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 13 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben mr. E.G. Grigorjan, als waarnemer van de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toepasselijk recht
4. Op 12 juni 2026 is de Asiel- en Migratiebeheerverordening (AMBV) in werking getreden. Artikel 83, eerste volzin, van de AMBV bepaalt dat de Dublinverordening op 12 juni 2026 wordt ingetrokken. De rechtbank bespreekt daarom als eerste welk recht in deze zaak van toepassing is.

5. Artikel 84, tweede lid, van de AMBV bepaalt dat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een vóór 12 juni 2026 ingediend verzoek om internationale bescherming, wordt bepaald volgens de in de Dublinverordening vastgelegde criteria.

6. Het verzoek van eiseres om internationale bescherming is vóór 12 juni 2026 ingediend. Dat betekent dat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is, op grond van het overgangsrecht wordt bepaald volgens de in de Dublinverordening vastgelegde criteria.

7. Het besluit gaat ook over de toepassing van de discretionaire bevoegdheid van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Op grond van dat artikel kan elke lidstaat besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht. Artikel 35, eerste lid, van de AMBV kent eenzelfde discretionaire bevoegdheid aan de lidstaten toe. In zoverre brengt de inwerkingtreding van de AMBV geen wijziging in de bevoegdheid van een lidstaat. Gelet op het hierna te bespreken nationale overgangsrecht, kan in het midden blijven of artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening van toepassing is onder de werking van artikel 84, tweede lid, van de AMBV of dat artikel 35 van de AMBV van toepassing is op grond van de onmiddellijke werking van de AMBV.

8. Op grond van artikel IX van de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 blijven – voor zover hier relevant – de voorschriften gesteld bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 van vóór 12 juni 2026 van toepassing. Dat betekent ook dat het beleid van de minister in C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 over de toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening van toepassing blijft. Dit beleid geldt ook als artikel 35, eerste lid, van de AMBV van toepassing is.

9. Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank bij de beoordeling van dit beroep uit van het beleid dat is opgenomen in C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000, zoals dat luidde voor 12 juni 2026.

Totstandkoming van het besluit

10. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Bulgarije een verzoek om terugname gedaan. Bulgarije heeft dit verzoek op 12 februari 2026 aanvaard.

Beroepsgronden

Informatie-uitwisseling door middel van het terugnameformulier

11. Voor zover de gemachtigde van eiseres ter zitting heeft aangevoerd dat de minister was gehouden om de eerdere gestelde mishandeling te vermelden op het formulier ten behoeve van het claimverzoek, volgt de rechtbank dit standpunt niet. De minister heeft op de zitting terecht aangevoerd dat in het kader van het verzoek tot terugname enkel informatie wordt opgenomen die relevant is voor de beoordeling welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Dit volgt ook uit artikel 21, derde lid, van de Dublinverordening. De minister heeft de informatie over de gestelde mishandeling tijdens de eerdere overdracht aan Bulgarije dus niet hoeven delen met de Bulgaarse autoriteiten in het kader van het claimverzoek. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Interstatelijk vertrouwensbeginsel

12. Eiseres heeft aangevoerd dat ten aanzien van Bulgarije niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiseres is in Bulgarije door politieagenten mishandeld en is daar meer dan twee maanden gedetineerd geweest waarbij zij onder druk werd gezet om terug te keren naar Syrië. Dat zij in een detentiecontext door overheidsfunctionarissen is mishandeld, duidt volgens eiseres op een gebrek aan effectieve bescherming.
12.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat in het geval van Bulgarije niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Volgens rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) mag de minister op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel aannemen dat Bulgarije zijn verdragsverplichtingen nakomt. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken, indien de vreemdeling aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem in Bulgarije dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij of zij bij overdracht aan Bulgarije een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres dit niet aannemelijk gemaakt nu zij dit niet nader heeft onderbouwd en ook niet is gebleken dat zij geen bescherming heeft kunnen inroepen bij de Bulgaarse autoriteiten vanwege de gestelde mishandeling.

Artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening

13. Eiseres betoogt dat de minister haar asielverzoek had moeten behandelen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Eiseres loopt in Bulgarije zowel een direct alsook een indirect refoulement risico. Verder heeft eiseres medische klachten die maken dat zij niet kan worden overgedragen. Er is dus sprake van een situatie als bedoeld in het arrest C.K.. Bovendien had de minister een medisch onderzoek moeten opstarten bij Bureau Medische Advisering (BMA). De minister heeft onvoldoende gemotiveerd dat deze bijzondere individuele omstandigheden geen aanleiding geven tot toepassing van de discretionaire bevoegdheid zoals vastgelegd in artikel 17 van de Dublinverordening.
13.1.
Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening kan de minister elke asielaanvraag inhoudelijk behandelen, ongeacht of de minister hiervoor verantwoordelijk is op grond van de in de Dublinverordening neergelegde criteria. In paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 heeft de minister beleid opgenomen voor de toepassing van deze bevoegdheid. De minister maakt onder andere gebruik van deze bevoegdheid als (1) er concrete aanwijzingen zijn dat de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt of (2) bijzondere, individuele omstandigheden met zich meebrengen dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt.
13.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Voor zover eiseres een beroep doet op de situatie onder (1), is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat in het geval van Bulgarije niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan zoals in rechtsoverweging 12.1. al overwogen.
13.3.
Voor zover eiseres aanvoert dat sprake is van een situatie onder (2), heeft zij dat niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit al inhoudelijk heeft gereageerd op de door eiseres aangevoerde persoonlijke omstandigheden. De minister heeft gemotiveerd uiteengezet waarom deze omstandigheden niet maken dat artikel 17 van de Dublinverordening van toepassing is. Ten aanzien van de medische situatie van eiseres heeft de minister voldoende gemotiveerd waarom haar situatie niet maakt dat sprake is van bijzondere individuele omstandigheden. Eiseres heeft immers niet met documenten onderbouwd dat zij van medische zorg afhankelijk is en dat deze behandeling in Bulgarije niet aanwezig zou zijn. Anders dan eiseres betoogt, heeft de minister geen BMA-advies hoeven in te winnen. Eiseres heeft immers niet met stukken onderbouwd dat de Dublinoverdracht onomkeerbare gevolgen heeft voor haar gezondheidstoestand. De minister heeft daarom in redelijkheid kunnen beslissen dat geen sprake is van een situatie zoals bedoeld in het arrest C.K. en dat geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan hij de asielaanvraag aan zich zou moeten trekken.
Conclusie en gevolgen
14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en zij aan Bulgarije mag worden overgedragen.

15. Omdat de rechtbank op het beroep heeft beslist, bestaat geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Evenmin bestaat er aanleiding om de proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank, in de zaak NL26.18659:

- verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter, in de zaak NL26.18660:

- wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.C. Bakx, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

EU 2024/1351 en EU 2025/90929 rectificatie.

Verordening (EU) nr. 604/2013.

Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

Zie o.a. de uitspraken van de Afdeling van 20 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2133; van 6 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4765; van 26 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2387; van 14 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1080; van 27 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2647.

Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden.

Handvest van de Grondrechten van de EU.

Het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127 (C.K. tegen Slovenië).

Artikel delen