Bewaring – artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw – bekenmaking tkb – gronden – voortvarendheid – beroep ongegrond.
Rechtbank Den Haag 3 August 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:21626
Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-08-2026
Datum publicatie
03-08-2026
Zaaknummer
NL26.38726
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBDHA:2026:21626text/xmlpublic2026-08-03T10:41:122026-08-03Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2026-07-23NL26.38726UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLUtrechtBestuursrecht; VreemdelingenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21626text/htmlpublic2026-08-03T10:40:452026-08-03Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2026:21626 Rechtbank Den Haag , 23-07-2026 / NL26.38726 Bewaring – artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw – bekenmaking tkb – gronden – voortvarendheid – beroep ongegrond.
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.38726
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. F.W. Verweij), en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. M.K. Ruijzendaal). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. 1.2. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving: Vw: Vreemdelingenwet 2000 Vb: Vreemdelingenbesluit 2000 Procesverloop 2. Met het bestreden besluit van 10 juli 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. 2.1. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 20 juli 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, H. Barzizaoua als tolk en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Toetsingskader
3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. Bekendmaking van het terugkeerbesluit
4. Eiser stelt dat de maatregel van vreemdelingenbewaring van begin af aan onrechtmatig is. Eiser is op 7 maart 2026 met onbekende bestemming vertrokken. Ook heeft eiser uitgelegd dat dit geen vrijwillige keuze was, omdat hij slechts vertrok voor een bezoek aan familie in België, maar onderweg een ongeluk kreeg en in coma belandde. Hierdoor heeft eiser het terugkeerbesluit nooit ontvangen, zodat hem niet kan worden verweten dat hij zich in Nederland ophield. 5. De rechtbank oordeelt dat de maatregel van bewaring rechtmatig is opgelegd. Eiser heeft op 4 februari 2026 asiel aangevraagd welke bij beschikking van 6 mei 2026 buiten behandeling is gesteld. In die beschikking werd aan eiser ook een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn opgelegd. Omdat eiser met onbekende bestemming was vertrokken, is de beschikking aan zijn toenmalige gemachtigde gezonden. Dit blijkt ook uit de beschikking van 6 mei 2026 welke geadresseerd is aan eisers toenmalige gemachtigde en is verzonden via het Portaal voor Advocaten. Hiermee is het in de beschikking van 6 mei 2026 vervatte terugkeerbesluit op juiste wijze bekend gemaakt en in werking getreden, zodat eiser geacht wordt ervan op de hoogte te zijn dat zijn verblijf in Nederland niet rechtmatig was. De beroepsgrond slaagt niet. De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
6. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. 6.1. In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser: a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. 7. De rechtbank stelt vast dat eiser alle gronden die aan de maatregel van vreemdelingenbewaring ten grondslag zijn gelegd heeft betwist. Eiser stelt ten aanzien van de grond onder 2a dat hij zich na grensoverschrijding direct heeft gemeld voor een asielaanvraag en dat het onredelijk is om van hem te verwachten dat hij een paspoort bij zich heeft in een vluchtsituatie. Ten aanzien van de grond onder 2c stelt eiser dat zijn identiteit en nationaliteit niet in geschil zijn en dat dit niet relevant is voor een onttrekkingsrisico. Ook stelt eiser ten aanzien van de grond onder 2p dat de enkele feitelijke juistheid van deze grond niet zonder meer een onttrekkingsrisico aantoont. Verder is eiser van mening dat de gronden onder 2r en 2s standaard gronden zijn die altijd worden tegengeworpen door de minister. 8. De rechtbank oordeelt dat de gronden feitelijk juist en voor zover nodig voldoende zijn gemotiveerd, zodat hieruit volgt dat een risico bestaat dat eiser zich aan zijn uitzetting zal onttrekken en deze gronden de maatregel van vreemdelingenbewaring kunnen dragen. Eiser is tijdens zijn asielprocedure met onbekende bestemming vertrokken zonder daarvan mededeling te doen en heeft na terugkomst in Nederland geen melding gedaan van zijn onrechtmatig verblijf. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de gronden 2a en 2c feitelijk juist zijn. Hij beschikt niet over een geldig identiteitsdocument en heeft geen activiteiten ondernomen om aan een vervangend document te komen. Verder heeft eiser verklaard dat hij verblijft bij een stichting om te slapen en te douchen. Maar hij staat niet ingeschreven in de BRP en beschikt over 22 euro wat onvoldoende is om aan te nemen dat hij beschikt over een vaste woon- of verblijfplaats en in staat is om in zijn levensonderhoud te voorzien en terugkeer te bekostigen. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de minister de gronden onder 2p, 2r en 2s ook aan de maatregel ten grondslag heeft mogen leggen. De beroepsgrond slaagt niet. Voortvarend handelen
9. Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Sinds de oplegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring op 10 juli 2026 had ten minste contact gelegd moeten worden met de autoriteiten van het land van herkomst. Ook stelt eiser nog dat het voeren van een vertrekgesprek geen handeling in het kader van de uitzetting is, waardoor een vertrekgesprek van weinig betekenis is voor zijn uitzettingstraject. 10. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De maatregel van vreemdelingenbewaring is op 10 juli 2026 aan eiser opgelegd en op 15 juli 2026 is een vertrekgesprek met eiser gevoerd. De stelling van eiser dat een vertrekgesprek niet van betekenis is voor het uitzettingstraject, wordt niet gevolgd. De rechtbank verwijst hierbij naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin is geoordeeld dat het voeren van een vertrekgesprek een handeling is die van directe betekenis is voor de uitzetting of overdracht van een vreemdeling. De beroepsgrond slaagt niet. Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
11. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond voor het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. Conclusie en gevolgen 12. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Bruins, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 23 juli 2026 Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw. Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw. Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Dit volgt uit artikel 59c van de Vw. Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb. Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb. Bijvoorbeeld de uitspraak van 4 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2028:1505. Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.