Artikel 6, derde lid, van de Vw – grondslag – gronden – belangenafweging/lichter middel – voortvarendheid – beroep ongegrond.
Rechtbank Den Haag 3 August 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:21627
Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-08-2026
Datum publicatie
03-08-2026
Zaaknummer
NL26.38730
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBDHA:2026:21627text/xmlpublic2026-08-03T10:52:422026-08-03Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2026-07-24NL26.38730UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLUtrechtBestuursrecht; VreemdelingenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21627text/htmlpublic2026-08-03T10:52:032026-08-03Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2026:21627 Rechtbank Den Haag , 24-07-2026 / NL26.38730 Artikel 6, derde lid, van de Vw – grondslag – gronden – belangenafweging/lichter middel – voortvarendheid – beroep ongegrond.
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.38730
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. M.J.A. Rinkes), en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. M.K. Ruijzendaal). Procesverloop Bij besluit van 11 juli 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 20 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Eiser heeft op 17 juli 2026 schriftelijke gronden ingediend. De rechtbank heeft de behandeling ter zitting geschorst om de minister de gelegenheid te geven om een nader standpunt in te nemen. Bij brief van 21 juli 2026 heeft de minister van deze gelegenheid gebruik gemaakt, waarna de rechtbank op diezelfde dag het onderzoek heeft gesloten. Overwegingen Toetsingskader
1. De minister kan een vreemdeling die aan de grens te kennen heeft gegeven een asielaanvraag te willen indienen en die niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden, zolang er nog geen definitieve beslissing is genomen, verplichten zich op te houden in een ruimte of plaats die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek, in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang of in het kader van de toepassing van de screeningsprocedure. Deze maatregel wordt opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang en wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken. De grondslag van de maatregel 2. Eiser stelt dat de vrijheidsontnemende maatregel van begin af aan onrechtmatig is. Eiser heeft op grond van de Asiel- en Migratiebeheer Verordening (AMbV) rechtmatig verblijf waardoor geen grond bestaat voor de maatregel. 3. De rechtbank stelt vast dat tijdens een toegangscontrole na aankomst op [luchthaven] vanuit Thailand is gebleken dat eiser over een door Frankrijk afgegeven visum beschikte met als doel toerisme. Hij verklaarde echter asiel te willen aanvragen. Daarmee heeft eiser met zijn inreis een ander doel beoogd dan waar zijn visum voor is afgegeven. Eiser heeft daarmee niet voldaan aan de voorwaarden van de Schengengrenscode en zijn visum is daarmee op voorhand ongeldig. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister daarom terecht geconstateerd dat eiser niet aan de toegangsvoorwaarden voldeed, waardoor aan eiser terecht een (uitgestelde) weigering tot toegang is opgelegd en de minister mocht overgaan tot toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw. Omdat aan eiser een (uitgestelde) toegangsweigering is opgelegd, is geen sprake van rechtmatig verblijf in Nederland. Dat er sprake zou zijn van indicaties dat de AMbV op eiser van toepassing is, maakt dit niet anders. De beroepsgrond slaagt niet. De aan eiser opgelegde vrijheidsontnemende maatregel
4. Eiser is op 11 juli 2026 aangekomen op de luchthaven [luchthaven] en heeft een asielaanvraag ingediend. De minister heeft vervolgens het besluit over de toegang van eiser tot Nederland uitgesteld op grond van artikel 3, vierde lid, van de Vw en hem een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd. 5. In deze maatregel staat dat er aanknopingspunten zijn om te veronderstellen dat eiser onder de reikwijdte van de Asiel- en migratiebeheerverordening valt omdat er een zogenoemde EU-Vis treffer is in verband met de afgifte van een visum door Frankrijk. Verder staat in de maatregel dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat. 6. In de maatregel heeft de minister als gronden voor dit onderduikrisico vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij eiser zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat of een aan hem verstrekt visum voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor dit is verleend;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. 7. De rechtbank stelt vast dat eiser alle gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd heeft betwist. Eiser stelt ten aanzien van de grond onder a dat er onvoldoende concrete feiten zijn waaruit blijkt dat hij zich aan het toezicht zal onttrokken of zonder toestemming tussen lidstaten heeft gereisd. Het enkele ontbreken van een geldig reisdocument maakt niet dat hij zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken. Ten aanzien van de grond onder d stelt eiser dat niet is gemotiveerd welke verklaringen van eiser onjuist of tegenstrijdig zouden zijn. Hierbij verwijst eiser naar een uitspraak van Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 november 2025. Verder voert eiser ten aanzien van de gronden onder r en s aan dat onvoldoende inzichtelijk is gemotiveerd waarom uit deze gronden een actueel en reëel risico op onderduiken volgt. 8. De rechtbank oordeelt dat de gronden onder a, d en r feitelijk juist en voor zover nodig voldoende gemotiveerd zijn. Uit de stukken blijkt dat eiser heeft gepoogd Nederland binnen te komen met een ander doel dan waarvoor het verstrekte visum was afgegeven. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de gronden onder a en d feitelijk juist zijn. Ook is de rechtbank van oordeel dat de minister de grond onder r voldoende gemotiveerd heeft om een onderduikrisico aan te nemen. Door het niet beschikken over een vast adres, is eiser voor de minister niet traceerbaar. De beroepsgrond slaagt niet. 9. Deze gronden mochten de minister naar het oordeel van de rechtbank voldoende aanleiding geven om aan te nemen dat ten aanzien van eiser een onderduikrisico bestaat, zodat deze gronden de vrijheidsontnemende maatregel kunnen dragen. De rechtbank laat de overgebleven door eiser betwiste grond om die reden verder onbesproken. Lichter middel, belangenafweging en voortvarend handelen
10. Eiser stelt zich op het standpunt dat in de maatregel is volstaan met een standaardformulering dat de maatregel berust op het grensbewakingsbelang en dat een minder dwingende maatregel niet kan worden toegepast. De minister heeft niet kenbaar onderzocht waarom in het geval van eiser geen minder dwingende maatregel mogelijk was zoals verblijf op een aangewezen locatie of een meldplicht. Daarbij heeft eiser – anders van de minister stelt – wel degelijk bezwaren geuit tegen de grensdetentie. Zo heeft hij verklaard dat hij een hoge bloeddruk en chronische darmontsteking heeft, op grond waarvan hij van mening is dat een lichter middel had moeten worden toegepast. Een beoordeling over het vorenstaande, ontbreekt. 11. Eiser doet ook een beroep op uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 17 juli 2026. Hiertoe voert eiser aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het grensbewakingsbelang in zijn individuele geval zwaarder weegt dat zijn belang om de asielprocedure in vrijheid af te wachten. Lichter middel
12. Bij de beantwoording van de vraag of de minister met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregel dan de vrijheidsontnemende maatregel doeltreffend konden worden toegepast. 13. De minister heeft eiser voorafgaand aan de vrijheidsontnemende maatregel gehoord. Aan eiser zijn vragen gesteld over het voornemen om aan hem de toegang tot Nederland te weigeren en zijn asielaanvraag te behandelen in de asielgrensprocedure. De rechtbank is van oordeel dat de minister eiser met de in dat gehoor gestelde vragen voldoende in de gelegenheid heeft gesteld om alle relevante feiten en omstandigheden naar voren te brengen. In reactie op deze vragen heeft eiser verklaard dat hij een hoge bloeddruk en chronische darmproblemen heeft, maar hiervoor geen medicatie gebruikt en niet direct medische zorg nodig heeft. In het verslag van gehoor van 15 juni 2026 is vermeld dat eiser heeft verklaard dat zijn bloeddruk is opgemeten, maar deze normaal was. Ook is erop gewezen dat er in het detentiecentrum voldoende medische voorzieningen zijn. Eiser heeft niet onderbouwd dat hij medische of psychische klachten heeft die zo ernstig zijn dat aanleiding bestond voor nader medisch onderzoek voor de beoordeling of de maatregel onevenredig zwaar is of dat de medische zorg in het detentiecentrum voor deze klachten ontoereikend is, of dat hij detentieongeschikt zou zijn. Verder heeft eiser onder meer verklaard dat hij de maatregel accepteert en het geen probleem vindt om in bewaring te worden gesteld. De rechtbank stelt vast dat het in de eerste plaats aan de vreemdeling is om redenen aan te geven waarom van oplegging van de maatregel moet worden afgezien en dat eiser tijdens het gehoor voorafgaande aan de oplegging van de maatregel op de vraag of er redenen zijn om hem alsnog toegang te verlenen tot Nederland en hem de gelegenheid te geven om zijn asielaanvraag in vrijheid te doorlopen, heeft geantwoord dat die redenen er niet zijn. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de minister, onder verwijzing naar het grensbewakingsbelang, voldoende heeft gemotiveerd dat geen aanleiding bestond om een lichter middel toe te passen of dat een belangenafweging ertoe had moeten leiden dat moest worden afgezien van oplegging van de maatregel. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hiermee niet ook een proportionaliteitsbeoordeling heeft plaatsgevonden. De beroepsgrond slaagt niet. Belangenafweging
14. Met betrekking tot eisers beroep op de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 17 juli 2026, overweegt de rechtbank als volgt. 15. De rechtbank overweegt allereerst dat het uitgangspunt is dat de oplegging van de maatregel van grensdetentie geen verplichting is, maar een bevoegdheid. 16. De grensdetentie kan worden toegepast op het moment dat een vreemdeling – die niet voldoet aan de voorwaarden voor toegang tot Nederland – aan de grens te kennen geeft dat hij een asielaanvraag wenst in te dienen. In die situatie heeft de minister met het oog op het grensbewakingsbelang de bevoegdheid om de maatregel van grensdetentie op te leggen, maar laat hij toepassing van deze bevoegdheid achterwege als individuele omstandigheden daaraan in de weg staan. Hierbij mag de minister het grensbewakingsbelang als zwaarwegend laten meewegen, maar naar het oordeel van de rechtbank is voldoende gewaarborgd dat per individueel geval de afweging gemaakt wordt of de maatregel kan of moet worden opgelegd. 17. De rechtbank verwijst naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) waaruit volgt dat de Procedurerichtlijn zich er niet tegen verzet om in beginsel alle aan de buitengrens gedane asielverzoeken in de grensprocedure te behandelen. Daarnaast vereist het grensbewakingsbelang in beginsel steeds het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel, omdat een minder dwingende maatregel tot gevolg heeft dat toegang tot Nederland wordt verkregen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat dit na inwerkingtreding van het Asiel- en Migratiepact per 12 juni 2026 anders zou zijn. 18. Zoals eerder overwogen voldeed eiser niet aan de voorwaarden voor toelating en heeft hij aan de grens asiel aangevraagd. Daarom was de minister bevoegd om zijn asielaanvraag te behandelen in de grensprocedure en hem de maatregel van grensdetentie op te leggen. 19. In de uitspraak met zaaknummer eindigend op ECLI-nummer 19756 is volgens deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, sprake van individuele, kwetsbare omstandigheden. De vreemdeling in die zaak heeft gesteld tot de LHBTIQ+-gemeenschap te behoren en te vrezen voor suïcide in detentie. In eisers geval is in het gehoor voorafgaande aan oplegging van de maatregel gevraagd naar zijn medische situatie en overige relevante feiten en omstandigheden. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat eiser bijzonder kwetsbaar is. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de minister niet alle relevante feiten of omstandigheden bij zijn besluitvorming heeft betrokken waardoor het beroep op deze uitspraak niet slaagt. 20. Verder is de rechtbank van oordeel dat eisers beroep op de uitspraken eindigend op de ECLI-nummers 19757 en 19758 ook niet slaagt. Ook in dit concrete geval heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank om niet af hoeven te zien van het opleggen van de maatregel van grensdetentie. Naast dat eiser is zijn gehoor voorafgaande aan de oplegging van de maatregel is gevraagd naar zijn medische situatie, is ook gevraagd waarom de minister zou moeten volstaan met een lichter middel of een ander minder dwingend alternatief. Eiser heeft hierop geen bezwaren naar voren gebracht en verklaarde dat hij het goed vond dat niet werd gekozen voor een lichter middel of een ander alternatief. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hiermee voldoende in de gelegenheid gesteld om individuele feiten en omstandigheden naar voren te brengen waarom van detentie zou moeten worden ingezien. De minister heeft hierop voldoende gereageerd door in de maatregel gemotiveerd te vermelden waarin in het geval van eiser niet werd volstaan met een lichter middel dan grensdetentie. Voor zover eiser betoogt dat de minister niet alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken bij de totstandkoming van het besluit tot oplegging van de maatregel overweegt de rechtbank dat eiser niet heeft aangegeven op welke feiten en omstandigheden wordt gedoeld en waarom die tot het achterwege laten van de maatregel zouden hebben moeten leiden. Deze beroepsgrond slaagt niet. Voortvarend handelen
21. Om ervoor te zorgen dat de grensdetentie zo kort mogelijk duurt, moet de minister het asielverzoek in de grensprocedure voldoende voortvarend behandelen. Dit betekent echter niet dat de rechtbank in deze procedure over de rechtmatigheid van de grensdetentie mag oordelen over het besluit van de minister om de asielprocedure van eiser te behandelen in de asielgrensprocedure. De rechtbank verwijst naar vaste jurisprudentie van de Afdeling. 22. Eiser stelt dat de minister ten aanzien van de grensprocedure onvoldoende voortvarend werkt. Wegens het Franse visum waarover eiser beschikt, is overduidelijk dat een claim gelegd moet worden op Frankrijk, hetgeen nog niet is gebeurd. 23. De rechtbank stelt vast dat de vrijheidsontnemende maatregel op 11 juli 2026 aan eiser is opgelegd. In verband met de asielaanvraag ven eiser diende hij eerst te worden gehoord. Dit is gebeurd op 15 juli 2026. Op diezelfde dag heeft de minister een claimverzoek aan de Franse autoriteiten gezonden. Uit deze handelingen blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de minister onvoldoende voortvarend handelt om de periode van grensdetentie zo kort mogelijk te houden. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie
24. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 25. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Bruins, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 24 juli 2026 Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Dit volgt uit artikel 6, derde lid, van de Vw. Dit volgt uit artikel 5.5, tweede lid, van het Vb. Verordening (EU) 2024/1351 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 betreffende asiel- en migratiebeheer, tot wijziging van de Verordeningen (EU) 2021/1147 en (EU) 2021/1060 en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 604/2013. ECLI:NL:RVS:2025:5262. ECLI:NL:RBDHA:2026:19756, ECLI:NL:RBDHA:2026:19757 en ECLI:NL:RBDHA:2026:19758. ECLI:NL:RBDHA:2026:19756, 19757 en 19758. Bijvoorbeeld de uitspraak van 3 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1451 en 1452. Bijvoorbeeld de uitspraak van 22 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW6799. Bijvoorbeeld de uitspraak van 1 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4014.