Bewaring – artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw – gehoor voorafgaand ibs – gronden – lichter middel – voortvarendheid – beroep ongegrond.
Rechtbank Den Haag 3 August 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:21642
Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-08-2026
Datum publicatie
03-08-2026
Zaaknummer
NL26.40792
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBDHA:2026:21642text/xmlpublic2026-08-03T14:06:132026-08-03Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2026-08-03NL26.40792UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLUtrechtBestuursrecht; VreemdelingenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21642text/htmlpublic2026-08-03T14:05:412026-08-03Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2026:21642 Rechtbank Den Haag , 03-08-2026 / NL26.40792 Bewaring – artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw – gehoor voorafgaand ibs – gronden – lichter middel – voortvarendheid – beroep ongegrond.
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.40792
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg), en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. W. Vrooman). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. 1.2. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving: Vw: Vreemdelingenwet 2000 Vb: Vreemdelingenbesluit 2000 Procesverloop 2. Met het bestreden besluit van 20 juli 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. 2.1. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 27 juli 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, I.M. de Groot-Silkora als tolk en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Toetsingskader
3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. Gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling
4. Eiser voert aan dat tijdens het gehoor voorafgaande aan de inbewaringstelling geen vragen aan hem zijn gesteld met betrekking tot het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van vreemdelingenbewaring. Er is ook geen zienswijze gegeven. Desondanks concludeert de minister in de maatregel dat eiser geen omstandigheden heeft aangevoerd die zouden moeten leiden tot het opleggen van een minder dwingende maatregel. 5. De rechtbank overweegt dat eiser in zijn gehoor voorafgaande aan de inbewaringstelling op 20 juli 2026 heeft verklaard dat hij niets wil verklaren en geen zin heeft om vragen te beantwoorden. Op pagina 3 van het gehoor staat dat is gevraagd naar bijzondere omstandigheden waarmee rekening moet worden gehouden en die aanleiding zouden kunnen geven om af te zien van de oplegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring. Hier heeft eiser niet op geantwoord. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat eiser in de gelegenheid is gesteld om omstandigheden aan te voeren waarom zou moeten worden afgezien van het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring, maar dat hij hier geen gebruik van heeft gemaakt. De rechtbank merkt hierbij nog op dat het in de eerste plaats aan eiser is om hierbedoelde feiten en omstandigheden aan te voeren, maar nu hij hiertoe door de minister in voldoende mate in de gelegenheid is gesteld en hiervan geen gebruik heeft gemaakt, komt het voor zijn rekening dat de minister bij de oplegging van de maatregel met eventuele relevante feiten en omstandigheden geen rekening kon houden. Naar het oordeel van de rechtbank mocht de minister daarom in de maatregel opnemen dat door de vreemdeling geen omstandigheden zijn aangevoerd die zouden moeten leiden tot het opleggen (of voortzetten) van een minder dwingende maatregel. De beroepsgrond slaagt niet. De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
6. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat een onderduikrisico bestaat. 6.1. In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser: a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;g. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van de Vw dan wel toepassing is gegeven aan artikel 67a van de Wet, of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van die wet;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. 7. De minister heeft ter zitting de grond onder 2c laten vallen. 8. De rechtbank stelt vast dat de overige gronden van de maatregel van vreemdelingenbewaring niet zijn betwist. De rechtbank oordeelt dat de gronden feitelijk juist en voor zover nodig voldoende gemotiveerd zijn om een onderduikrisico aan te nemen en daarmee de maatregel van vreemdelingenbewaring te kunnen dragen. Lichter middel
9. Eiser stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van vreemdelingenbewaring. Hiertoe voert eiser aan dat de minister in de maatregel enkel gebruik heeft gemaakt van standaardoverwegingen. 10. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat niet
kon worden volstaan met het opleggen van een lichter middel. Allereerst blijkt uit de niet-betwiste gronden van de maatregel en de motiveringen al dat een onderduikrisico bestaat. Hierbij wijst de rechtbank er onder meer op dat eiser bij besluit van 23 juni 2017 tot ongewenst vreemdeling is verklaard, geen melding heeft gemaakt van zijn onrechtmatig verblijf in Nederland, geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en dat niet is gebleken dat eiser over voldoende middelen van bestaan beschikt. Verder verwijst de rechtbank naar overweging 5 van deze uitspraak waarin is opgenomen dat eiser geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd die aanleiding zouden kunnen geven om af te zien van de oplegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring. Ter zitting heeft eiser evenmin omstandigheden naar voren gebracht die aanleiding zouden moeten geven voor het opleggen van een lichter middel. Voor zover eiser ter zitting stelt een zoon in België te hebben, merkt de rechtbank op dat eiser hierover in het gehoor van 20 juli 2026 niets heeft verklaard en hij dit niet nader heeft onderbouwd en geen afhankelijkheidsrelatie heeft gesteld of aangetoond. De beroepsgrond slaagt niet. Voortvarend handelen
11. Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Eiser zit sinds 20 juli 2026 in bewaring en is nog steeds niet uitgezet. Eiser beschikt over een geldige identiteitskaart en had al lang uitgezet kunnen worden gelet op de beschikbare identiteitskaart. Daarbij vertrekken er meerdere vluchten per dag naar Polen. Overigens kan eiser ook op de trein worden gezet naar België, omdat hij enkel de verplichting opgelegd heeft gekregen om Nederland te verlaten. 12. De rechtbank stelt vast dat eiser op 20 juli 2026 in vreemdelingenbewaring is
gesteld. Op 22 juli 2026 is een vertrekgesprek met eiser gevoerd en op 23 juli 2026 is een vlucht voor eiser aangevraagd. Ter zitting heeft de minister verklaard dat op 26 juli 2026 een vluchtakkoord is ontvangen voor een vlucht op 3 augustus 2026 en dat dit de eerste mogelijkheid was om eiser gecontroleerd uit te zetten. Uit deze handelingen blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De enkele stelling van eiser ter zitting dat er meerdere vluchten per dag naar Polen gaan, wil niet zeggen dat de minister ook de mogelijkheid heeft om eiser daadwerkelijk eerder dan op 3 augustus 2026 uit te zetten. Met betrekking tot eisers stelling dat hij ook met de trein naar België uitgezet kan worden, overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat eiser rechtmatig verblijf in België heeft of in de periode na zijn ongewenstverklaring pogingen heeft gedaan om in België legaal verblijf te verkrijgen. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is het in eerste instantie aan de regievoerder van DT&V om te bepalen welke handelingen noodzakelijk zijn om een vreemdeling te kunnen uitzetten en in dit geval heeft de regievoerder bepaald dat eiser naar Polen zal worden uitgezet en niet is gebleken dat dit onredelijk is. Bovendien is eiser zesmaal eerder uitgezet en heeft hij er steeds voor gekozen om terug te keren naar Nederland, in plaats van naar een ander EU-land. Voor zover eiser beoogt zich in België te vestigen, wijst de rechtbank erop dat hij daartoe ook na een uitzetting naar Polen in de gelegenheid is. De beroepsgrond slaagt niet. Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
13. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. Conclusie en gevolgen 14. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Bruins, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 3 augustus 2026 Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw. Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw. Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Dit volgt uit artikel 59c van de Vw. Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb. Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb. Bijvoorbeeld de uitspraak van 4 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2415. Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.