Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2026:21652

Dublin. Beroep ongegrond.

Rechtbank Den Haag 3 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:21652 text/xml public 2026-08-03T16:08:12 2026-08-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2026:9516 Rechtbank Den Haag 2026-07-23 NL26.20409 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21652 text/html public 2026-08-03T15:07:47 2026-08-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:21652 Rechtbank Den Haag , 23-07-2026 / NL26.20409
Dublin. Beroep ongegrond.

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.20409
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
<?linebreak?> [eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. B. Temeltasch),

en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 9 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De rechtbank heeft het beroep, tezamen met het verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer NL26.20410, op 16 juli 2026 op zitting behandeld. Beide partijen zijn niet op de zitting verschenen. De gemachtigde van verweerder heeft zich afgemeld.
Overwegingen
Inleiding

1. Eiser stelt de Syrische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] . Hij heeft zijn asielaanvraag in Nederland op 16 februari 2026 ingediend.

2. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 19 juni 2023 in Oostenrijk een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Nederland heeft op 2 maart 2026 aan Oostenrijk verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Oostenrijk heeft dit verzoek op 3 maart 2026 op dezelfde grondslag aanvaard.

Het bestreden besluit

3. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 niet in behandeling genomen, omdat Oostenrijk op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Oostenrijk een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) of artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om de asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.

Beroepsgronden van eiser

4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of een overdracht aan Oostenrijk kan leiden tot indirect refoulement. Volgens eiser blijkt uit de overgelegde stukken dat aan eiser eerder bescherming is verleend, deze is ingetrokken en een terugkeerbesluit is genomen. Onder deze omstandigheden is niet zonder meer gewaarborgd dat eiser na overdracht opnieuw toegang heeft tot een effectieve beoordeling van zijn beschermingsbehoefte, terwijl overdracht kan leiden tot verwijdering naar Syrië. Daarom stelt eiser dat het besluit in strijd met artikel 3 van het EVRM is genomen.

Beoordeling door de rechtbank

Ontvankelijkheid van het beroep

5. De rechtbank ziet zich allereerst ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang bij zijn beroep heeft.

6. Als een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, moet er in beginsel van uit worden gegaan dat hij geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland. Op basis van een melding dat de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken (‘mob-melding’) mag het beroep dus in beginsel niet-ontvankelijk worden verklaard wegens gebrek aan procesbelang. Dit is anders als een vreemdeling na die melding nog contact met zijn gemachtigde onderhoudt. In dat geval wordt in beginsel aangenomen dat hij nog wel prijs stelt op bescherming in Nederland. Het voorgaande volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 1 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2662)

7. Bij brief van 30 april 2026 heeft verweerder de rechtbank bericht dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. De rechtbank heeft aan de gemachtigde van eiser op 30 april 2026 een bericht gestuurd waarin is gevraagd of hij nog contact onderhoudt met eiser en weet waar eiser verblijft. Op 9 juni 2026 heeft de gemachtigde van eiser aan de rechtbank laten weten dat hij contact onderhoudt met eiser en dat eiser zijn procedure wil voortzetten. Gelet hierop ziet de rechtbank, hoewel eiser en zijn gemachtigde zonder bericht niet op de zitting zijn verschenen, onvoldoende grond voor het oordeel dat eiser geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland. Eiser heeft dus procesbelang bij zijn beroep en wordt daarom ontvankelijk geacht in zijn beroep.

Indirect refoulement

8. De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat ten aanzien van Oostenrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, waardoor mag worden verondersteld dat Oostenrijk zich aan alle internationale verplichtingen houdt. Voor zover eiser een beroep doet op indirect refoulement naar Syrië bij overdracht aan Oostenrijk, wijst de rechtbank op de uitspraak van Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359, in navolging van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934. In die uitspraak is geoordeeld dat, wanneer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement. De rechtbank overweegt hierbij dat de Oostenrijkse autoriteiten middels het claimakkoord hebben gegarandeerd het (opvolgende) verzoek van eiser om internationale bescherming in behandeling te nemen met inachtneming van de internationale verplichtingen. De enkele stelling van eiser dat hij niet zonder meer toegang heeft tot een effectieve beoordeling van zijn beschermingsbehoefte, kan hier niet aan af doen. Als eiser toch problemen ondervindt, mag van hem worden verwacht dat hij klaagt bij de Oostenrijkse autoriteiten. Er is niet gebleken dat klagen bij de Oostenrijkse autoriteiten voor eiser niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. E.P.S. Wessels, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

De rechtbank gaat in deze uitspraak uit van de Dublinverordening en de nationale wet- en regelgeving zoals geldend ten tijde van het bestreden besluit

Artikel delen