Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2026:21662

bewaring – artikel 59a, eerste lid, van de Vw – voortvarend handelen – overdracht Duitsland – ongegrond – geen pkv.

Rechtbank Den Haag 3 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:21662 text/xml public 2026-08-03T15:41:43 2026-08-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-08-03 NL26.42030 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Middelburg Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21662 text/html public 2026-08-03T15:41:20 2026-08-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:21662 Rechtbank Den Haag , 03-08-2026 / NL26.42030
bewaring – artikel 59a, eerste lid, van de Vw – voortvarend handelen – overdracht Duitsland – ongegrond – geen pkv.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.42030
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. P.H. Hillen),

en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).
Procesverloop
Bij besluit van 24 juli 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd.

Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 30 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1995 en de Algerijnse nationaliteit te hebben. Toetsingskader

Verweerder kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de Asiel- en migratiebeheerverordening. In de Asiel- en migratiebeheerverordening staat dat de lidstaten wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de lidstaten de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.

3. Op grond van het Vb kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.

4. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.

De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

5. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening en een risico bestaat dat eiser zal onderduiken. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

6. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden juist zijn en voor zover nodig voldoende zijn toegelicht in de maatregel. Deze gronden zijn voldoende om de maatregel van vreemdelingenbewaring te kunnen dragen. Dit maakt dat het risico op onderduiken gegeven is.

Handelt de minister voldoende voortvarend?

7. Eiser stelt zich op het standpunt dat door verweerder ten onrechte heeft volstaan met het opnemen van een voornemen tot overdracht van eiser aan de Duitse autoriteiten. Verweerder heeft ten onrechte geen kennisgeving van de overdracht van eiser aan de Duitse autoriteiten aan het digitale dossier toegevoegd. Hierdoor is het voor de rechtbank niet mogelijk om te beoordelen of verweerder voortvarend werkt aan zijn terugkeer naar Duitsland. Eiser verzoekt de rechtbank het onderzoek ter zitting te schorsen tot door verweerder de kennisgeving van eisers overdracht aan de Duitse autoriteiten wordt overgelegd.

8. Verweerder heeft toegelicht dat op 27 juli 2026 toestemming is gevraagd om eiser over te dragen aan de Duitse autoriteiten en dat het Openbaar Ministerie deze toestemming op 28 juli 2026 heeft verleend. Hierna heeft verweerder op 29 juli 2026 een vertrekgesprek gevoerd met eiser waarin hem is verteld dat DT&V op dezelfde dag een verzoek tot een overdracht zal inplannen en de overdrachtsgegevens op korte termijn worden verwacht. Verweerder heeft verder te kennen gegeven dat op dezelfde dag een overdracht is ingepland en dat verweerder voornemens is om eiser op 6 augustus 2026 over te dragen aan Duitsland. Anders dan eiser stelt, volgt hieruit genoegzaam dat verweerder voortvarend werkt aan eisers overdracht. Dat door verweerder geen kennisgeving van de overdracht aan de Duitse autoriteiten in het dossier is opgenomen maakt dit niet anders. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in dit kader enige tijd geboden moet worden om eisers vertrek in gang te zetten en dat ook de Duitse autoriteiten de tijd moet worden geboden om eisers overdracht te faciliteren.

9. Gelet op het bovenstaande ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om het verzoek van eiser tot schorsing van het onderzoek ter zitting te honoreren.

Ambtshalve toets

10. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank geen grond om te komen tot het oordeel dat de maatregel op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie

11. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 3 augustus 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.

Dit volgt uit artikel 59a, eerste lid, van de Vw.

Dit staat in artikel 44, tweede lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening.

Vreemdelingenbesluit 2000.

Dit staat in artikel 5.5, vierde lid, van het Vb.

Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.

Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.

Dienst Terugkeer en Vertrek.

Artikel delen