Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2026:21663

Bewaring, artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw. Gegrond. De rechtbank oordeelt evenwel dat de minister bij zijn overweging of met een lichter middel had moeten worden volstaan, onvoldoende is ingegaan op de door eiser gestelde medische omstandigheden. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat de minister de door eiser naar voren gebrachte omstandigheden uitdrukkelijk bij zijn ...

Rechtbank Den Haag 3 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:21663 text/xml public 2026-08-03T15:45:42 2026-08-03 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-08-03 NL26.41447 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Groningen Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21663 text/html public 2026-08-03T15:42:57 2026-08-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:21663 Rechtbank Den Haag , 03-08-2026 / NL26.41447
Bewaring, artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw. Gegrond. De rechtbank oordeelt evenwel dat de minister bij zijn overweging of met een lichter middel had moeten worden volstaan, onvoldoende is ingegaan op de door eiser gestelde medische omstandigheden. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat de minister de door eiser naar voren gebrachte omstandigheden uitdrukkelijk bij zijn beoordeling dient te betrekken. Dat zorg feitelijk aanwezig was en eiser hier ook van op de hoogte was, laat onverlet dat dit uit het oogpunt van kenbaarheid en uit het oogpunt van toetsbaarheid uit de maatregel dient te blijken.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.41447
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser,
V-nummer: [v-nummer],

(gemachtigde: mr. H. Postma),

en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. I. van Es).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring aan eiser. Eiser is het hier niet mee eens. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van bewaring is onrechtmatig. De minister heeft bij de beoordeling van de vraag of met een lichter middel kon worden volstaan, de door eiser aangevoerde medische omstandigheden onvoldoende kenbaar bij zijn afweging betrokken. Er is reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. De minister heeft eiser op 22 juli 2026 op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw in bewaring gesteld en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.1.
De rechtbank heeft het beroep op 31 juli 2026 en met behulp van telehoren op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum Rotterdam. De gemachtigde van eiser is verschenen op de rechtbank in Groningen. Ook is daar een tolk verschenen. De minister heeft zich op de rechtbank laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
3. De minister heeft in de maatregel van bewaring overwogen dat deze wordt opgelegd, omdat er een onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Hiertoe overweegt de minister dat eiser:

a. a) Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;

c) eiser niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;

h) te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;

p) zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;

r) geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s) niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
3.1.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Voorts heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (een lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.

Voortraject

4. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.

Grondslag

5. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft nu aan eiser op

9 april 2026 een terugkeerbesluit is opgelegd. Die beslissing staat in rechte vast; eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.

Gronden

6. De rechtbank stelt vast de maatregel is gemotiveerd en er ten minste twee van de gronden, bedoeld in het tweede lid van artikel 5.6, van het Vb 2000 aanwezig zijn. Daarmee is voldaan aan de in artikel 5.6 neergelegde voorwaarde voor inbewaringstelling en is er voldoende reden om aan te nemen dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, dan wel dat hij de voorbereiding van vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De rechtbank laat de beoordeling van de individuele gronden onbesproken.

Lichter middel

7. De minister heeft op de zitting erkend dat het besluit geen overwegingen omvat ten aanzien van de vraag of de gestelde medische omstandigheden in de weg staan aan de inbewaringstelling. Volgens de minister leidt dit echter niet tot een schending van de belangen van eiser, nu zorg in het detentiecentrum feitelijk wel aanwezig was en bovendien gelijk aan de zorg in de vrije maatschappij. Uit het proces-verbaal van gehoor volgt ook dat dit aan eiser kenbaar is gemaakt.

8. De rechtbank oordeelt evenwel dat de minister bij zijn overweging of met een lichter middel had moeten worden volstaan, onvoldoende is ingegaan op de door eiser gestelde medische omstandigheden. De rechtbank volgt de minister niet in zijn standpunt. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat de minister de door eiser naar voren gebrachte omstandigheden uitdrukkelijk bij zijn beoordeling dient te betrekken. Dat zorg feitelijk aanwezig was en eiser hier ook van op de hoogte was, laat onverlet dat dit uit het oogpunt van kenbaarheid en uit het oogpunt van toetsbaarheid uit de maatregel dient te blijken. Niet deugdelijk is daarom gemotiveerd dat in het geval van eiser niet met een lichter middel had moeten worden volstaan.
8.1.
Het beroep is gegrond. De overige beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 3 augustus 2026.

10. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen, omdat eiser onrechtmatig in bewaring heeft gezeten. Deze schadevergoeding bedraagt

€ 1.640,-.

11. Eiser krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank stelt deze kosten vast op € 934,-.
Beslissing
De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 3 augustus 2026;

veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.640,- te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;

veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van mr.D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Hierna: de bewaring.

Op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

Vreemdelingenwet 2000.

Op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

Vreemdelingenbesluit 2000.

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 13 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1593, Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 29 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1908, en Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 5 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:959.

Op grond van artikel 106 van de Vreemdelingenwet 2000.

2 dagen verblijf politiecel x € 160,- en 11 dagen in een detentiecentrum x € 120,-.

Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht. 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1.

Artikel delen