Bewaring – zonder zitting - grensdetentie – artikel 6, derde lid, Vw. – uitspraak rechtbank Amsterdam – lichter middel – ongegrond – geen schadevergoeding.
Rechtbank Den Haag 3 August 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:21664
Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-08-2026
Datum publicatie
03-08-2026
Zaaknummer
NL26.41448
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBDHA:2026:21664text/xmlpublic2026-08-03T15:47:422026-08-03Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2026-08-03NL26.41448UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLMiddelburgBestuursrecht; VreemdelingenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21664text/htmlpublic2026-08-03T15:47:032026-08-03Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2026:21664 Rechtbank Den Haag , 03-08-2026 / NL26.41448 Bewaring – zonder zitting - grensdetentie – artikel 6, derde lid, Vw. – uitspraak rechtbank Amsterdam – lichter middel – ongegrond – geen schadevergoeding.
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL26.41448
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseresV-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. M.L. Hoogendoorn), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. G. Cambier ). Procesverloop Bij besluit van 21 juli 2026 (het bestreden besluit) is aan eiseres met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Verweerder heeft de rechtbank op 23 juli 2026 van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Dit beroep wordt tevens aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Eiseres heeft zich akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Zij heeft op 24 juli 2026 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft op 27 juli 2026 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek op 3 augustus 2026 gesloten. Overwegingen Eiseres is geboren op [geboortedag] 2007 en heeft de Colombiaanse nationaliteit. Eiseres is op 21 juli 2026 aangekomen op Schiphol en heeft aldaar om 15:50 uur te kennen gegeven dat zij een asielaanvraag wenst in te dienen. Verweerder heeft op 22 juli 2026 een besluit over de toegangsweigering uitgesteld en aan eiseres een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd. Onderhavig beroep ziet uitsluitend op de vrijheidsontnemende maatregel, nu tegen de uitgestelde toegangsweigering geen beroep openstaat.
3. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
4. Eiseres heeft op 22 juli 2026 te kennen gegeven dat zij haar asielaanvraag wenst in te trekken, waarna de maatregel van 21 juli 2026 is opgeheven. Omdat de maatregel is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiseres schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiseres een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
De beroepsgronden
5. Eiseres voert in beroep het volgende aan. Verweerder trekt ten onrechte een grotere verantwoordelijkheid naar zich toe bij het bewaken van de buitengrens dan het Unierecht voorschrijft voor mensen die aan de buitengrens hun asielwens kenbaar maken. Verweerder legt een niet door het Unierecht voorgeschreven automatische koppeling tussen het grensbewakingsbelang en het opleggen van grensdetentie. Verder sluit verweerder ten onrechte categorisch de mogelijkheid van het opleggen van een lichter middel uit en betrekt hij ten onrechte standaard niet alle mogelijke relevante feiten en omstandigheden bij zijn oordeel of het evenredig is om grensdetentie op te leggen. Eiser beroept zich in dit kader op de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 juli 2026. 6. Verder voert eiseres aan dat verweerder voorafgaand aan de opheffing had moeten volstaan met een lichter middel dan de vrijheidsontnemende maatregel. Eiseres is potentieel slachtoffer van mensenhandel en verweerder heeft deze omstandigheden niet betrokken bij de beoordeling. Eiseres dacht door een man uit Duitsland te zijn uitgenodigd om hem te bezoeken en samen hun (vriendschappelijke) relatie verder uit te bouwen. Bij de controle op de luchthaven op Schiphol kreeg zij te horen dat deze man niet zo jong is als hij stelde en meerdere criminele antecedenten op zijn naam heeft staan. Eiseres stelt te zijn voorgelogen en dat deze man mogelijk andere plannen met haar had dan waarvoor zij naar Nederland is gekomen. Nader onderzoek van verweerder had tot andere keuzes en omstandigheden kunnen leiden nu eiseres na op de eerste dag te zijn geïnformeerd haar asielaanvraag heeft ingetrokken. Het oordeel van de rechtbank 7. De rechtbank stelt vast dat eiseres niet heeft betwist dat zij aan de grens een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend terwijl zij niet aan de toegangsvoorwaarden voldeed en dat zij daarmee voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw. De rechtbank volgt het beroep van eiseres op de uitspraak van de zittingsplaats Amsterdam niet. Verweerder heeft in reactie op het beroepschrift meegedeeld dat hij tegen deze uitspraak in hoger beroep is gegaan. Zoals verweerder opmerkt, rechtvaardigt het grensbewakingsbelang naar zijn aard dat een vrijheidsbenemende maatregel wordt toegepast. Het grensbewakingsbelang is in dit geval aan de orde nu nog moet worden geoordeeld over het verlenen van toegang tot het grondgebied van een vreemdeling die niet aan alle toegangsvoorwaarden voldoet. De bewaring is in overeenstemming met artikel 10, vierde lid, van de Opvangrichtlijn. 8. De vaststelling dat de grensdetentie nodig is om het grensbewakingsbelang daadwerkelijk te dienen, betekent niet dat ieder individueel geval automatisch een vrijheidsontnemende maatregel wordt opgelegd. verweerder dient steeds te beoordelen of met een lichter middel moet worden volstaan, ook al geeft hij dan het grensbewakingsbelang prijs. Uit de maatregel blijkt dat verweerder die beoordeling heeft verricht. Daarbij heeft verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat wat eiseres heeft aangevoerd onvoldoende aanleiding is om te spreken van mogelijke mensenhandel. Hiertoe heeft verweerder kunnen betrekken dat eiseres zelfstandig naar Nederland is gereisd, de betreffende Duitse man niet op Schiphol was en dat geenszins blijkt dat eiseres aan deze man een wederdienst heeft moeten verlenen. Ook heeft verweerder kunnen betrekken dat eiseres haar asielaanvraag heeft ingetrokken en te kennen heeft gegeven zo spoedig mogelijk terug naar haar land van herkomst te willen keren. Daarnaast heeft verweerder kunnen betrekken dat eiseres tijdens het gehoor voorafgaand aan de maatregel heeft verklaard geen bezwaren te hebben tegen de maatregel en is niet gebleken van individuele omstandigheden op grond waarvan de bewaring achterwege dient te blijven.
9. Ook is overigens niet gebleken dat de vrijheidsontnemende maatregel op enig moment tot de opheffing onrechtmatig was.
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan op 3 augustus 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw. Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 3 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1451. Met het zaaknummer NL26.37603. Zie artikel; 43, eerste lid van de Asielprocedureverordening (Verordening (EU) nr. 2024/1348) in samenhang met artikel 6 van de Schengengrenscode (Verordening (EU) nr. 2016/399).