Visum kort verblijf / doel en omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende aangetoond / ongegrond
Rechtbank Den Haag 3 August 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:21680
Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-08-2026
Datum publicatie
03-08-2026
Zaaknummer
AWB 25-20296
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBDHA:2026:21680text/xmlpublic2026-08-03T18:43:422026-08-03Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2026-08-03AWB 25-20296UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLGroningenBestuursrecht; VreemdelingenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21680text/htmlpublic2026-08-03T18:42:512026-08-03Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2026:21680 Rechtbank Den Haag , 03-08-2026 / AWB 25-20296 Visum kort verblijf / doel en omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende aangetoond / ongegrond
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: AWB 25/20296 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 augustus 2026 in de zaak tussen
[naam 1] , eiseres, V-nummer: [nummer 1] en haar twee minderjarige kinderen
[naam 2] , V-nummer: [nummer 2]
en
[naam 3]
,
V-nummer: [nummer 3] ,
tezamen: eisers
(gemachtigde: mw. [naam 5] ) en de minister van Buitenlandse Zaken, de minister, (gemachtigde: mr. A.E. Geçer). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvragen van eisers tot het verlenen van een visum voor kort verblijf. Zij hebben een visum aangevraagd om het huwelijk van hun nicht [naam 4] (referent) te mogen bezoeken. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvragen. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvragen. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing in stand kan blijven. Eisers krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eisers hebben op 23 mei 2024 aanvragen ingediend om de afgifte van visa voor kort verblijf. De minister heeft deze aanvragen met het besluit van 10 juni 2024 afgewezen. Dit is op 11 juni 2024 aan eisers bekendgemaakt. 2.1. Met de beslissing op bezwaar van 23 september 2025 is de minister bij de afwijzing van de aanvragen gebleven en heeft hij het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld. 2.2. De minister heeft een verweerschrift ingediend. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 11 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de referent en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten. Beoordeling door de rechtbank Beoordelingskader 3. De rechtbank overweegt dat het aan de visumaanvrager is om met documenten en informatie aannemelijk te maken dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor visumverlening. Een visum wordt geweigerd, als er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum maar ook als het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet zijn aangetoond. De weigeringsgronden die zijn opgenomen in artikel 32, eerste lid, van de Visumcode zijn ieder afzonderlijk voldoende om een visum te weigeren. 3.1. Uit het arrest Koushkaki volgt dat de minister bij het onderzoek van een visumaanvraag beschikt over een ruime beoordelingsmarge bij de beoordeling van de relevante feiten om te bepalen of één van deze weigeringsgronden van toepassing is. Dit betekent dat de rechtbank het standpunt van de minister dat zich een weigeringsgrond voordoet, alleen terughoudend kan toetsen. 3.2. Uit de rechtspraak van het Hof volgt ook dat de minister bij de beoordeling of er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de visumaanvrager om het grondgebied van de lidstaten te verlaten voor het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum, een individueel onderzoek van de visumaanvraag moet verrichten waarbij rekening wordt gehouden met, aan de ene kant, de algemene situatie in het land waar de aanvrager woont en, aan de andere kant, zijn persoonlijke omstandigheden. Bij persoonlijke omstandigheden gaat het daarbij met name om zijn gezins-, sociale en economische situatie, het eventuele bestaan van eerdere legale of illegale verblijven in één van de lidstaten en de band met het land waarin hij woont en de lidstaten. Bestreden besluit 4. Met het bestreden besluit van 23 september 2009 heeft de minister de weigering om de visa te verstrekken gehandhaafd omdat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 32, onder a, sub ii en iii) en onder b van de Visumcode. Volgens de minister hebben eisers het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet aangetoond (onder a, sub ii), niet aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken (onder a, sub iii) en onvoldoende aangevoerd om de redelijke twijfel weg te nemen dat zij het grondgebied van de EU-lidstaten tijdig zullen verlaten (onder b).
Heeft de minister kunnen concluderen dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf van eisers niet aangetoond zijn? 5. Eiseres stelt dat zij met haar twee kinderen naar Nederland wilde komen om het huwelijk van haar nicht bij te wonen. Dit doel is altijd duidelijk en concreet geweest. De uitnodiging, het bewijs van garantstelling en de overige documenten zijn correct en op tijd overgelegd. In beroep zijn geboorteakten overgelegd die de familieband tussen eiseres en referent onderbouwen. Daarnaast was ook de moeder van eiseres voor de bruiloft uitgenodigd en heeft zij wel een visum gekregen. In deze identieke situatie zou gelijk besloten moeten worden. 5.1. De minister stelt zich op het standpunt dat de aanvraag terecht is afgewezen omdat het doel en omstandigheden van de reis onvoldoende zijn aangetoond. Eiseres heeft bij haar aanvraag hierover geen verifieerbare of voldoende aannemelijk informatie overgelegd. De uitnodiging waarvan sprake is, is niet overgelegd. De in beroep overgelegde geboorteakten kunnen volgens de minister bij de beoordeling betrokken worden omdat ze een eerder ingenomen standpunt onderbouwen. Daarmee is aangetoond dat eiseres en referent familie van elkaar zijn. Dit wijzigt het standpunt van de minister echter niet nu er nog steeds geen bewijsstukken ten aanzien van de bruiloft zijn overgelegd. Dat de moeder van eiseres wel een visum is verleend is niet relevant omdat elke visumaanvraag op zichzelf staat en individueel beoordeeld wordt. 5.2. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiseres het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende heeft aangetoond, nu de uitnodiging voor het huwelijk nooit is overgelegd. Dat met de in beroep overgelegde geboorteakten wel is aangetoond dat eiseres en referent familie van elkaar zijn, heeft het standpunt van de minister niet hoeven wijzigen omdat er geen verdere bewijsstukken ten aanzien van de bruiloft zijn overgelegd. Dat de moeder van eiseres wel een visum is verleend om het huwelijk bij te wonen heeft de minister niet hoeven betrekken bij de beoordeling van de onderhavige aanvragen omdat elke visumaanvraag op zichzelf staat en individueel beoordeeld wordt. De beroepsgrond slaagt niet. 6. Nu de hiervoor besproken weigeringsgrond de afwijzing van de visa zelfstandig kan dragen, behoeven de andere weigeringsgronden geen bespreking meer. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister op goede gronden een visum kort verblijf aan eisers heeft geweigerd. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van de proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, op 3 augustus 2026, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open, op grond van artikel 84, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000. Op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, sub ii, iii en b van de Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (de Visumcode). Artikel 14 van de Visumcode. Artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de Visumcode. Artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, sub ii), van de Visumcode. Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, Koushkaki tegen Duitsland, ECLI:EU:C:2013:862. Arrest Koushkaki, punt 69.