Kort geding tegen de Staat. Arbeidsrecht. Werknemer vordert nakoming van een vaststellingsovereenkomst en betaling van € 100.000 als voorschot op contractuele boetes. Vorderingen afgewezen.
Rechtbank Den Haag 4 August 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:21730
Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-08-2026
Datum publicatie
04-08-2026
Zaaknummer
K/4502/12303218
Rechtsgebied
Civiel recht; Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
ECLI:NL:RBDHA:2026:21730text/xmlpublic2026-08-04T13:10:362026-08-04Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2026-08-04K/4502/12303218UitspraakKort gedingNLDen HaagCiviel recht; ArbeidsrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21730text/htmlpublic2026-08-04T13:10:192026-08-04Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2026:21730 Rechtbank Den Haag , 04-08-2026 / K/4502/12303218 Kort geding tegen de Staat. Arbeidsrecht. Werknemer vordert nakoming van een vaststellingsovereenkomst en betaling van € 100.000 als voorschot op contractuele boetes. Vorderingen afgewezen.
RECHTBANK DEN HAAG Kantonrechter Zittingsplaats Den Haag MvE (C)
Zaaknummer: 12303218 RL EXPL 26-14757 Vonnis in kort geding van 4 augustus 2026 in de zaak van
[eiser]
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. A.M. Avedissian, tegen De Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) te Den Haag,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de Staat,
gemachtigde: mr. A.E. Schat. 1De procedure1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van [eiser] met producties 1 t/m 27;
- de conclusie van antwoord van de Staat met producties 1 t/m 6;
- de door [eiser] bij akte overgelegde producties 28 t/m 34;- de mondelinge behandeling van 21 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. Tijdens de mondelinge behandeling was [eiser] aanwezig, samen met
mr. Avedissian. Namens de Staat was aanwezig de heer [naam 1] (verder: ‘ [naam 1] ’), werkzaam bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid in de functie Adviseur Integriteit Justitie en Veiligheid, samen met mr. Schat. 2De feiten2.1.
[eiser] is sinds 2013 (met een onderbreking in 2021) werkzaam voor het Rijk op het gebied van strategisch leveranciersmanagement, ook wel aangeduid met de afkorting ‘SLM’. In 2023 is hij als werknemer in dienst gekomen van het Nationaal Cyber Security Centrum (verder: ‘NCSC’), onderdeel van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (verder: het ‘ministerie’). 2.2. In 2024 heeft [eiser] zich binnen het ministerie beklaagd over een te hoge werkdruk, een onveilige werksfeer, pestgedrag en het niet nakomen van toezeggingen over zijn de arbeidsvoorwaarden. In vervolg daarop heeft [eiser] zich ziek gemeld. 2.3. Op 20 februari 2026 hebben [eiser] en de Staat een vaststellingsovereenkomst gesloten (verder: de ‘vaststellingsovereenkomst’). Uit hoofde daarvan is [eiser] per 1 maart 2026 binnen het ministerie overgeplaatst naar de Directie Informatievoorziening en Inkoop (verder: ‘DI&I’). Bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst is namens het ministerie onder anderen [naam 1] betrokken geweest. 2.4. In de vaststellingsovereenkomst staat onder meer: IN AANMERKING NEMENDE:
(…)
C. Er bestaat verschil van inzicht over onder anderen de functie, het schaalniveau en de invulling daarvan als ook het re-integratietraject van Werknemer;
D. Partijen wensen de ontstane situatie nu op te lossen door het aangaan van deze vaststellingsovereenkomst. Onderdeel daarvan is een interne overplaatsing van Werknemer naar de Directie Informatievoorziening en Inkoop (DI&I) binnen het ministerie.
(…)
VERKLAREN HET VOLGENDE TE ZIJN OVEREENGEKOMEN:
1. Interne overplaatsing 1.1. Werknemer wordt per 1 maart 2026 interne overgeplaatst naar de Directie Informatievoorziening en Inkoop (DI&I) van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Zijn functie bij DI&I wordt ingedeeld in het functiegebouw Rijk als volgt:
- Functietitel (= ‘functieroepnaam’): plv Strategisch leveranciersmanager Cloud en Cybersecurity.
- Inschaling in (een persoonlijke) schaal 15.
- Trede in schaal: 10. 1.2 De exacte werkzaamheden van de Werknemer in de functie als ‘Strategisch Adviseur’ bij DI&I zijn beschreven in de kolom ‘DI&I/SLM-Rijk’ van Annex 1 zijnde het document Samenwerkingskader SLM-Rijk en NCSC. Deze Annex 1 is bij deze overeenkomst gevoegd en maakt integraal deel uit van deze overeenkomst. 1.3 Werknemer zal daarnaast, gelet op zijn expertise, desgevraagd en waar mogelijk, bijdragen aan rijksbrede beleidsontwikkeling rondom cloudleveranciers buiten het SLM-domein. 1.4 Werkgever waarborgt dat de functie van Werknemer bij DI&I inhoudelijk en organisatorisch structureel en herkenbaar wordt gepositioneerd en geborgd binnen de DI&I organisatie als ook binnen het Rijk, en dat de verantwoordelijkheden, positie, taken en omvang van de werkzaamheden onverminderd worden gehandhaafd. Dit houdt tevens in dat de Werkgever erop toeziet dat het NCSC onverminderd invulling geeft aan haar deel van de samenwerking zoals omschreven in Annex 1. In kader van het voorgaande stellen partijen vast dat de positionering van SLM-Rijk onderhevig kan zijn aan politieke, bestuurlijke en interdepartementale besluitvorming die buiten het gezagsbereik van Werkgever valt, geen garantie kan bieden ten aanzien van ongewijzigde instandhouding van de functie van Werknemer binnen DI&I. Indien en voorzover deze situatie aan de orde zou zijn, zal Werknemer alle redelijke inspanningen verrichten om Werknemer passende werkzaamheden te (blijven) aanbieden, die zoveel mogelijk aansluiten bij de werkzaamheden van Werknemer in de functie bij DI&I zoals overeengekomen in deze vaststellingsovereenkomst. Werkgever verbindt zich echter onverminderd tot het waarborgen van de voortzetting van het dienstverband van Werknemer (ook) in geval van een dergelijke herpositionering van SLM-Rijk die buiten het gezagsbereik van Werkgever valt, overeenkomstig het bepaalde in artikel 1.13. 1.9 Om samenwerking met de collega’s van de afdeling Operations en Research binnen het NCSC te faciliteren zoals beschreven in Annex 1 zal Werkgever de huidige, nog geldende Verklaring geen Bezwaar (VGB) in stand laten (dat wil zeggen: niet intrekken). (…) 1.12 In de situatie dat de arbeidsongeschiktheid van Werknemer op enig moment in de periode gerekend vanaf 6 februari 2025 tot aan de voor Werknemer geldende AOW-gerechtigde leeftijd langer dan 52 weken duurt, vult de Werkgever het inkomen van Werknemer aan tot 100%. Deze aanvulling op het inkomen van Werknemer verstrekt Werkgever uit coulance en vindt uitsluitend plaats in het kader van deze vaststellingsovereenkomst. (…) De reeds in het kader van de arbeidsongeschiktheid die langer dan 52 weken duurde op de bezoldiging van Werknemer toegepaste korting in februari 2026 wordt door Werkgever gecorrigeerd, dan wil zeggen, zijn inkomen van februari 2026 wordt aangevuld tot 100%, en het verschil wordt uitbetaald tegelijkertijd met zijn reguliere bezoldiging in maart 2026. 1.13 Werkgever garandeert dat het dienstverband met Werknemer, ook na de overplaatsing naar DI&I, wordt voortgezet tot de voor Werknemer geldende AOW-gerechtigde leeftijd, behoudens beëindiging op grond van een dringende reden of ernstig verwijtbaar handelen van Werknemer. Het recht op bezoldiging wordt gedurende deze periode volledig gehandhaafd.
2. Afwikkeling NSCS 2.1 Ten gevolge van zijn ziekteverlof is de Werknemer redelijkerwijs niet in staat geweest om de vakantie-uren die zijn opgebouwd in het kalenderjaar 2025 vóór 31 december 2025 op te nemen. Op grond van paragraaf 4.1 (Vervallen vakantie-uren) van de CAO Rijk, in samenhang met artikel 7:640a en artikel 7:642 Burgerlijk Wetboek, vervallen deze vakantie-uren derhalve niet. Het betreft op het moment van aangaan van deze overeenkomst nog 70 vakantie-uren. De betreffende 70 vakantie-uren worden door de Werkgever uiterlijk op 28 februari 2026 bijgeschreven op het IKB-spaarverlof van de Werknemer. (…)
4. Communicatie
(…) 4.1 (…) Het overeengekomen communicatiebericht dat intern en extern gedeeld zal worden is aangehecht als Annex 2. (…) 4.2 De communicatie zal namens NCSC, DI&I en Werknemer worden gedaan, zoals overeengekomen in Annex 2. (…)
6. Boete 6.1 Indien de Werkgever zich niet houdt aan zijn verplichtingen zoals gesteld is in deze vaststellingsovereenkomst zal Werkgever jegens en ten gunste van Werknemer een onmiddellijk opeisbare boete verbeuren van EUR 5.000,= per overtreding vermeerderd met EUR 500,= voor iedere dag waarop deze overtreding eventueel voortduurt. (…) 2.5. In Annex 1 van de vaststellingsovereenkomst, aangeduid als ‘Samenwerkingskader SLM-Rijk en NCSC’, staat onder meer: Inleiding
Een goede samenwerking tussen DI&I/SLM-Rijk en het NCSC is essentieel voor een veilige, effectieve en rijksbrede omgang met strategische leveranciers.
SLM Rijk en NCSC acteren vanuit hun eigen opdracht en verantwoordelijkheden. Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling om hierin wijzigingen aan te brengen of ‘op elkaars stoel’ te gaan zitten. Echter, het uitwisselen van relevante informatie zal voor zowel SLM Rijk als NCSC toegevoegde waarde hebben en de overheid als geheel verder helpen.
Dit document beschrijft een helder, gezamenlijk en werkbaar samenwerkingskader, zie de tabellen in de bijlage op de volgende pagina’s.
Doel van dit document
Dit document legt het voorgestelde samenwerkingskader vast tussen:
- SLM-Rijk (ondergebracht bij Directie Informatievoorziening & Inkoop (DI&I van JenV)
- NCSC (Nationaal Cyber Security Centrum)
Dit kader beschrijft op een aantal inhoudelijke domeinen de verschillende taken en activiteiten van SLM Rijk en NCSC en de raakvlakken die er zijn. Op die raakvlakken is het belangrijk dat SLM Rijk en NCSC elkaar weten te vinden en bereid zijn om relevante informatie met elkaar uit te wisselen. In de bijlage is dit uitgewerkt.
Governance en overleg
De samenwerking wordt concreet vormgegeven door reguliere overleggen tussen SLM Rijk en NCSC op de in de bijlage beschreven inhoudelijke onderwerpen. Dit overleg zal initieel twee keer per kwartaal plaatsvinden.
Na een halfjaar zal een eerste (tussen)evaluatie plaatsvinden van de samenwerking. Hieraan zal het management van DI&I en NCSC deelnemen. 2.6. In de bijlage bij Annex 1 van de vaststellingsovereenkomst, aangeduid als ‘Inhoudelijke domeinen en raakvlakken SLM-NCSC’, staat: Domein 1 – Strategische samenwerking met leveranciers Subdomein DI&I/SLM-Rijk NCSC 1a – eenduidige rijksbrede identificatie en governance van strategische leveranciers. - Identificeren van strategische leveranciersrelaties (cloud, software, security).
- Vastellen compliance en governance-kaders.
- Opstellen van rijksbrede raamwerken en borging naleving. - Leveren van inhoudelijke risico- en dreigingsanalyses aan doelgroepenorganisaties en ketenpartners vanuit de wettelijke taak.
- Signaleren van technologische ontwikkelingen bij leveranciers die relevant zijn voor de weerbaarheid in het stelsel.
- Inzicht in rol en impact van DSP’s/CSP’s binnen het cybersecuritystelsel Daar waar nodig samenwerking en afstemming met DSP’s/CSP’s/MSSP’s/MSP’s e.d. vanuit de rol van uitvoeringscoördinator binnen het stelsel omvattende ook de totale CBW/WBDWB doelgroepenpopulatie. 1b – uniform en effectief vastgelegde en geteste afspraken voor incidenten en crises. - Vastleggen van BCM- en SIR-afspraken met leveranciers.
- Beheer van de centrale contact- en escalatiedatabase.
- Toetsen en actualiseren van BCM/SIR-vereisten en contracten. - Onderhoudt directe (operationele) contacten met leveranciers tijdens incidenten Domein 2 – Coördinatie en governance van strategische leveranciers Subdomein DI&I/SLM-Rijk NCSC 2a – risico’s verminderen,
kosten verlagen en rijksbrede onderhandelingspositie versterken. - Bundelen van rijksbrede inkoopkracht en strategische governance.
- Integreren van security- en privacyclausules in raamcontracten.
- Voeren van strategisch leveranciersoverleg over roadmaps/innovaties. - Het als onderdeel van de reguliere taak analyseren en beschrijven van dreigings- en technologie-ontwikkelingen die door SLM al dan niet gebruikt kunnen worden in contractuele aandachtspunten.
- Signaleren van risico’s, kwetsbaarheden en innovaties die relevant kunnen zijn voor leveranciersrelaties. 2b – actueel rijksbreed overzicht van contracten, producten en voorwaarden. - Centraal beheer van contract- en productinformatie (JenV + rijksbreed).
- Transparante informatievoorziening richting rijksdeelnemers over leveranciersdomein en ontwikkelingen. - Raadplegen en benutten van SLM-informatie voor inhoudelijke analyses.
- Terugkoppeling van relevante bevindingen uit de uitvoering naar SLM. 2c – gestructureerde inbreng van NCSC-expertise in SLM-processen. - Centraliseren van leveranciersinformatie en contractafspraken.
- Borging van rijksbrede afspraken en inkoopkapers. - NCSC en SLM overleggen (initieel 2x) per kwartaal om ervaringen en vraagstukken uit te wisselen die raken aan elkaars taakvoering met als doel die taakuitvoering onderling te versterken. Het NCSC deelt in deze overleggen de inzichten en ervaringen van de voorgaande periode betrekking hebbend op de voor SLM relevante strategische leveranciers, volgende uit- en passende bij de eigen wettelijke taakuitvoering van het NCSC. Domein 3 – Europese regelgeving en samenwerking Subdomein DI&I/SLM-Rijk NCSC 3a – EU-regelgeving geïntegreerd in rijksbrede contracten en kaders. - Monitoren van analyseren van EU-wetgeving (o.a. EUCS, NIS2, CRA, AI Act).
- Opstellen van EU-impactanalyses voor contracten.
- Integreren van EU-verplichtingen in raamcontracten. - Inhoudelijke input leveren over de (operationele) impact op leveranciers en reisorganisaties, via het onder 2c beschreven overleg.
- Signaleren van relevante Europese ontwikkelingen. 3b – Monitoring en benutting van EU-programma’s
Doel: benutten van Europese subsidie- en kennisprogramma’s ter versterking van de cyberweerbaarheid. - Geen directe rol (tenzij relevant voor strategische leveranciers of contractuele kaders). - Monitoren van EU-subsidieprogramma’s (DG CNECT, ECCC, DEP, Horizon).
- Coördineren van aanvragen en voortgangsrapportages.
- Delen van relevante inzichten met SLM 3c – effectieve vertegenwoordiging van Nederland in EU-organen en gremia. - Adviserende en signalerende rol richting JenV en EZK bij ontwikkeling van nieuwe wet- en regelgeving met raakvlakken aan cybersecurity en leveranciersbeheer, zonder formele beleidsverantwoordelijkheid - Relatiebeheer met DG CNECT, ENISA en ECCC voor wat betreft het cyber security domein
- Vertegenwoordiging in EU-werkgroepen en stuurgremia zoals ENISA en ECCC
- Terugkoppelen van inzichten aan SLM voor contractuele integratie. 2.7. In maart 2026 heeft [eiser] een document opgesteld met de titel ‘Strategie- en inrichtingsplan (‘SLM Cloud en Cybersecurity’)’. In dit document beschrijft [eiser] onder meer hoe in zijn visie – ter uitvoering van de vaststellingsovereenkomst en Annex 1 – zijn functie en taakstelling binnen DI&I moet worden gepositioneerd. [eiser] beschrijft twee teams: een team ‘SLM Cloud’ onder leiding van de heer [naam 2] (verder: ‘ [naam 2] ’) en een team ‘SLM Cloud en Cybersecurity’ onder leiding van [eiser] . In het document gaat [eiser] in op de taakverdeling tussen de onderscheiden teams, de onderlinge samenwerking, ‘samenwerkingsprincipes’ en werkafspraken. Hij schrijft hierover onder meer: Positionering binnen DI&I
Het SLM Cloud en Cybersecurity-team opereert zelfstandig naast het SLM Cloud-team en werkt daarmee samen volgens het principe van twee complementaire perspectieven op dezelfde leveranciers: het cloud-commerciële perspectief (SLM Cloud) en het cybersecurity-risicoperspectief (SLM Cloud en Cybersecurity). Het team maakt gebruik van juridische expertise binnen SLM Cloud voor de vertaling van cybersecurity-eisen naar contractclausules. 2.8. Naar aanleiding van dit document heeft overleg plaatsgevonden tussen [eiser] en [naam 2] . [naam 2] heeft daarbij voorstellen gedaan tot aanpassing van het document, onder meer ten aanzien van de functietitel en de taakverdeling tussen de teams. In vervolg daarop zijn nadere versies van het document uitgewisseld. De meest actuele versie van het document heeft [eiser] aangeduid als versie 1.8. 2.9. In een e-mail van 15 april 2026 aan [naam 1] heeft [eiser] aanspraak gemaakt op betaling van contractuele boetes als bedoeld in artikel 6.1 van de vaststellingsovereenkomst. In de e-mail stelt [eiser] dat het ministerie de artikelen 1.1, 1.8, 1.9, 1.12 en 2.1 van de vaststellingsovereenkomst niet correct nakomt. 2.10. In een e-mail van 22 april 2026 heeft [eiser] bij [naam 1] zijn beklag gedaan over de positionering van zijn functie binnen DI&I. In de e-mail schrijft [eiser] dat [naam 2] aanstuurt op een invulling van zijn functie die afwijkt van de vaststellingsovereenkomst en Annex 1. 2.11. Op diezelfde datum heeft [naam 1] per e-mail aan [eiser] onder meer geschreven: Afgaande op het commentaarregister krijg ik de voorzichtige indruk dat de opmerkingen van [naam 2] de intentie hebben opbouwend te zijn en een behoefte aan verduidelijking weerspiegelen. Zo op het eerste gezicht is een aantal opmerkingen oplosbaar zonder de afspraken in VSO en Appendix geweld aan te doen. Maar ik kan me vergissen.
Laten we er zorgvuldig doorheen lopen. (…)
Ik bevestig hierbij dat de reikwijdte van de functie plv. Strategisch Leveranciersmanager Cloud en Cybersecurity, zoals vastgelegd in kolom ‘DI&I/SLM-Rijk van Annex 1 bij de VSO van 20 februari 2026, het uitgangspunt is voor de uitvoering en de onderliggende documenten. 2.12. In vervolg daarop zijn er tussen [eiser] en [naam 1] diverse contacten geweest over de voortgang van het overleg met [naam 2] over de positionering van de functie van [eiser] binnen DI&I. 2.13. Nadien heeft [eiser] (meermalen) aan [naam 1] gemeld dat de door hem geclaimde boetes verder oplopen en dat hij inmiddels ook aanspraak maakt op een boete vanwege de omstandigheid dat zijn functie niet in overeenstemming met de vaststellingsovereenkomst en Annex 1 wordt gepositioneerd binnen DI&I. 2.14. Per e-mail 23 juni 2026 heeft [naam 1] aan [eiser] een voorstel overgebracht ter afwikkeling van de gevorderde boetes. Verder staat in deze e-mail onder meer: Werkgever voert thans gesprekken met NCSC en de directeur Strategische Inkoop ter nadere afbakening van de afspraken uit Appendix 1, in het bijzonder over de verhouding tussen de wettelijke taak van NCSC ten aanzien van Frontier AI-modellen en de taken en verantwoordelijkheden van SLM Rijk Cloud en Cyber. Werkgever streeft ernaar deze afbakening zo spoedig mogelijk schriftelijk vast te leggen. Verder is mij vanuit NCSC toegezegd om te komen tot een herstel van de VGB. De 70 verlofuren mogen, zoals je weet, niet worden bijgeschreven bij de IKB-uren. Ze worden bijgeschreven bij je normale verlof met een vervaltermijn van 5 jaar. Ten aanzien van de communicatieberichten uit Annex 2 wordt door werkgever feitelijk geverifieerd of en in welke vorm deze zijn verzonden. Eventuele aanvullende communicatie wordt afgestemd zodra het bovengenoemde nadere document over taak- en werkverdeling beschikbaar is. 2.15. Het door [naam 1] overgebrachte voorstel tot afwikkeling van de gevorderde boetes heeft [eiser] niet aanvaard. 2.16. Op 24 juni 2026 heeft [eiser] zich ziek gemeld. 2.17. Per e-mail van 26 juni 2026 heeft [eiser] aan zijn leidinggevende een toelichting gegeven op de ziekmelding. Daarin staat onder meer: Sinds mijn terugkeer op 1 maart is geen van de wezenlijke afspraken uit de VSO nagekomen. Opgelost zijn alleen drie kleine, administratieve punten — precies de zaken die de werkgever niets kosten. De afspraken die er werkelijk toe doen, om te beginnen die over mijn functie, zijn niet uitgevoerd. Erger nog: vier maanden later is er nog steeds geen duidelijkheid over wanneer en hoe dat wél gebeurt. Wie de makkelijke punten afvinkt en de afspraken die ertoe doen laat liggen, komt de VSO niet na. Hij kiest uit. Tegelijk ontdek ik steeds nieuwe niet nakomingen. Het is een herhaling van zetten: de eerder toegezegde middelen voor mijn functie worden mij opnieuw onthouden, en ook ervaar ik opnieuw uitsluiting. In bijlage 1 vind je hiervan een illustratie.
Ik wil benadrukken waar de afspraken over mijn functie over gaan. Zowel de VSO als mijn latere compromisvoorstel (zie punt 1 in bijlage 1) komen neer op het bundelen en verdelen van verantwoordelijkheden, taken en resultaatverplichtingen, en de afstemming daarover. Die volgen rechtstreeks uit de strategische visie van het Rijk op zijn rol en taken voor de cybersecurity van Nederland, het gebruik van Al en het betrekken van de BigTech daarin. Ze passen ook binnen de bestaande verantwoordelijkheden, verplichtingen en mandaten van de betrokken Rijksonderdelen. Kortweg: als ik niet bij het Rijk zou werken, zou je dit alles, inclusief mijn functie, op dezelfde manier willen inrichten. [naam 1] heeft mij dat ook bevestigd. Mijn vasthouden aan de afspraken over mijn functie komt dus niet voort uit eigenbelang, maar uit mijn intrinsieke motivatie voor dit onderwerp in het landsbelang. Dat was juist de reden waarom ik ben teruggekeerd naar het Rijk.
(…)
Mijn functie is tot op heden niet vormgegeven zoals de VSO voorschrijft. De VSO legt een concrete, herkenbare functie vast: plaatsvervangend Strategisch leveranciersmanager Cloud en Cybersecurity (Strategisch Adviseur, schaal 14, met persoonlijke schaal 15), met de werkzaamheden zoals beschreven in Annex 1 bij de VSO. Dat is geen vrijblijvende richting, maar de afgesproken uitkomst.
In het Strategie- en Inrichtingsplan SLM Cyber & Al 2026-2027 wordt dit afgezwakt. Mijn individuele, herkenbare functie verschuift daarin naar een bredere team- en SLM-Rijk constructie, en de afgesproken aanduiding Cloud en Cybersecurity’ wordt verbreed naar ‘Cyber & Al’. Dat is iets anders dan de structurele en herkenbare inbedding van mijn eigen functie die de VSO eist.
Mijn bezwaar gaat dus niet over een verschil van smaak, maar over het verschil tussen wat is afgesproken en wat wordt uitgevoerd.
(…) 3Het geschil3.1.
[eiser] vordert – samengevat weergegeven – dat de kantonrechter in kort geding bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de Staat veroordeelt: om de vaststellingsovereenkomst binnen twee werkdagen na betekening van het vonnis ‘onverkort en integraal na te komen’ op straffe van een dwangsom van € 25.000 per overtreding en € 2.500 per dag(deel) dat de overtreding voortduurt; tot betaling van € 100.000 op straffe van een dwangsom van € 25.000 per overtreding en € 2.500 per dag(deel) dat de overtreding voortduurt; tot betaling van € 3.428,55 voor buitengerechtelijke incassokosten; om aan [eiser] de koten van zijn advocaat te vergoeden,
een en ander met veroordeling van de Staat in de proceskosten. 3.2.
[eiser] legt aan de vorderingen het volgende ten grondslag. Het ministerie komt de vaststellingsovereenkomst op de volgende onderdelen niet correct na: i) van 1 tot en met 9 maart 2026 waren de functieomschrijving en het schaalniveau niet correct doorgevoerd in het digitale portaal voor personeelszaken (P-Direkt) (artikel 1.1); ii) de functie is nog niet correct gepositioneerd binnen DI&I (artikel 1.1 - 1.5 en 4.4); iii) van 1 tot en met 30 maart 2026 kon [eiser] geen gebruik maken van zijn zakelijke telefoonnummer en e-mailadres (artikel 1.8); iv) de Verklaring van Geen Bezwaar is niet in stand gebleven (artikel 1.9); v) een deel van het restant van het salaris over februari 2026 is niet in maart, maar in mei 2026 uitgekeerd (artikel 1.12); vi) de niet-opgenomen vakantie-uren over 2025 zijn in P-Direkt niet bijgeschreven op het IKB-spaarverlof (artikel 2.1); vii) het communicatiebericht over de interne overplaatsing van [eiser] is niet correct verstuurd (artikel 4).
De onderdelen (i), (iii), (v) en (vi) zijn inmiddels opgelost, maar de onderdelen (ii), (iv) en (vii) nog niet. Daarom moet de Staat worden veroordeeld tot nakoming zijn verplichtingen, op straffe van een dwangsom. Daarnaast heeft de Staat vanwege de genoemde tekortkomingen contractuele boetes verbeurd. Per 30 juni 2026 gaat dat om een bedrag van € 327.500. Het gevorderde bedrag van € 100.000 is een voorschot daarop. Dat bedrag moet worden verhoogd met buitengerechtelijke incassokosten. Ten slotte moet de Staat de advocaatkosten van [eiser] vergoeden. Dat volgt uit artikel 11.6 van de CAO Rijk. De tijdsbesteding van mr. Avedissian correspondeert met een bedrag van € 18.177,83 (inclusief btw). 3.3. De Staat voert verweer. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling4.1. Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. Een voorlopige voorziening loopt vooruit op een bodemprocedure. Voor toewijzing is nodig dat de eisende partij daarbij een spoedeisend belang heeft. De kantonrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Voor bewijslevering is in het beperkte bestek van een kort geding geen ruimte. Binnen deze bandbreedte moet de kantonrechter een prognose maken welk oordeel in een bodemprocedure kan worden verwacht. De vordering tot nakoming van de vaststellingsovereenkomst 4.2. De Staat bestrijdt dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering tot nakoming van de vaststellingsovereenkomst. De kantonrechter passeert dat verweer. De vordering gaat over de inbedding van de huidige functie van [eiser] . Daarmee is het een actuele kwestie, en dus heeft [eiser] een spoedeisend belang om de zaak in kort geding voor te leggen. 4.3. Dat betekent dat de kantonrechter toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de vordering. De uitkomst daarvan wordt hierna toegelicht. 4.4. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter aan de orde gesteld dat de vordering onvoldoende bepaalbaar is geformuleerd. De zinsnede dat de vaststellingsovereenkomst ‘onverkort en integraal’ moet worden nagekomen, brengt namelijk niet tot uitdrukking welke actie concreet van de Staat wordt verlangd, terwijl dat wel nodig is om een eventuele voorlopige voorziening te kunnen treffen. Zeker nu ook een dwangsom wordt gevorderd, moet, ter voorkoming van executiegeschillen, in de vordering concreet worden beschreven wat er feitelijk moet gebeuren. Dat is hier niet het geval. 4.5.
[eiser] heeft vervolgens (nader) toegelicht dat hij beoogt dat de kantonrechter ingrijpt bij de organisatorische positionering en taakstelling van zijn functie binnen DI&I. Hij stelt dat DI&I ten onrechte aanstuurt op (i) een afwijkende functietitel, (ii) een scheiding tussen de aandachtsgebieden ‘cybersecurity’ en ‘cloud’ en (iii) de plaatsing van [eiser] in een solistische en afgebakende rol in plaats van in een rijksbrede positie met een eigen team en budget. Ook wil [eiser] dat, conform de vaststellingsovereenkomst, zijn eerdere Verklaring van Geen Bezwaar wordt gehandhaafd, zodat hij in staat blijft om vertrouwelijke vergaderingen bij te wonen. Naar de kantonrechter begrijpt, wil [eiser] dat op deze specifieke onderdelen een veroordeling wordt uitgesproken. 4.6. De kantonrechter overweegt hierover als volgt. 4.7. De functie van [eiser] is in de vaststellingsovereenkomst omschreven als ‘plv Strategisch leveranciersmanager Cloud en Cybersecurity’. De kantonrechter ziet in de stukken inderdaad dat [naam 2] een andere functietitel heeft opgeworpen (‘SLM Cyber en AI’), maar de kantonrechter constateert ook dat [naam 1] vervolgens uitdrukkelijk aan [eiser] heeft bevestigd dat de in vaststellingsovereenkomst genoemde functie(titel) het uitgangspunt is bij de positionering van zijn functie (zie hiervoor in punt 2.11). Kennelijk is daarover geen discussie (meer). Op dit punt is dus geen voorlopige voorziening nodig. 4.8. Voor de overige door [eiser] aangekaarte discussiepunten over de positionering en taakstelling van zijn functie, is dat mogelijk anders. In zijn Strategie- en inrichtingsplan (zie hiervoor in punt 2.7) geeft [eiser] een gedetailleerde visie op de positionering van zijn functie in het licht van de vaststellingsovereenkomst en Annex 1. Het valt de kantonrechter op dat de Staat in deze procedure hierop inhoudelijk maar beperkt reageert. De Staat voert aan dat partijen verschillen van inzicht over de uitleg van de vaststellingovereenkomst en Annex 1 en benadrukt dat het ministerie zich inzet om in samenspraak met de betrokkenen binnen DI&I de impasse te doorbreken. Inhoudelijke argumenten waarom de visie van [eiser] geen stand houdt, heeft de Staat echter maar beperkt naar voren gebracht. 4.9. Toch ziet de kantonrechter onvoldoende aanknopingspunt om, zoals [eiser] verlangt, te interveniëren in het overleg tussen [eiser] en DI&I. Op basis van de overgelegde stukken kan de kantonrechter niet concreet voorschrijven hoe de positionering en taakstelling van [eiser] binnen DI&I praktisch vorm moet krijgen. Volgens [eiser] blijkt dat voldoende duidelijk uit Annex 1, maar dit document geeft naar voorshands oordeel onvoldoende houvast. Het gaat vooral over de samenwerking tussen NCSC en DI&I, en de onderlinge afbakening van de afzonderlijke taken en verantwoordelijkheden. Het gaat niet zozeer over de interne positionering van [eiser] ten opzichte van andere teams binnen DI&I, terwijl dat nu juist wel de kern van het geschil is, aldus de toelichting van [eiser] tijdens de mondelinge behandeling. 4.10. Het door [eiser] opgestelde Strategie- en inrichtingsplan is kennelijk bedoeld om te komen tot een praktische vertaalslag van de vaststellingsovereenkomst (en Annex 1) naar de positionering van zijn functie binnen DI&I. Alleen al de omvang van dit document (26 bladzijdes) illustreert dat de vaststellingsovereenkomst en Annex 1 zich niet één op één laten vertalen naar een concrete functie- en taakomschrijving van [eiser] en/of zijn positionering binnen DI&I. En dan zijn er, zo begrijpt de kantonrechter, ook nog aspecten die in de vaststellingsovereenkomst niet zijn uitgewerkt, zoals de bemensing van zijn team en de budgettering daarvan. Kennelijk is ook daar discussie over. Voor het antwoord op de vraag wat de uitkomst moet zijn, is al met al verder feitenonderzoek en mogelijk bewijslevering nodig, maar daarvoor is in het beperkte bestek van dit kort geding geen ruimte. En dat betekent dat de kantonrechter de gevorderde voorlopige voorziening niet kan toewijzen. 4.11. Dat geldt ook voor de Verklaring van Geen Bezwaar. Weliswaar staat op dit punt de verplichting van de Staat (artikel 1.9 van de vaststellingsovereenkomst) niet ter discussie, maar volgens de Staat is na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst gebleken dat de Wet veiligheidsonderzoeken geen grondslag geeft om de Verklaring van Geen Bezwaar in stand te houden. Gebleken is dat een Verklaring van Geen Bezwaar niet is verbonden aan een persoon maar aan een specifieke vertrouwensfunctie, aldus de Staat. Op dit moment is de functie van [eiser] – onweersproken – niet als zodanig aangewezen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [naam 1] gezegd dat wordt onderzocht of de functie van [eiser] alsnog overeenkomstig de Wet veiligheidsonderzoeken kan worden aangewezen als vertrouwensfunctie, maar of dat haalbaar is, is nog onduidelijk. 4.12. De kantonrechter begrijpt de onvrede van [eiser] hierover, maar als niet voldoende vaststaat dat een contractuele verplichting praktisch of juridisch uitvoerbaar is, kan een daartoe strekkende veroordeling (op straffe van een dwangsom) niet worden uitgesproken. Wat de gevolgen zijn als definitief blijkt dat de Verklaring van Geen Bezwaar niet kan worden verstrekt, is een vraag die zo nodig (als partijen zelf niet in een oplossing kunnen voorzien) in een bodemprocedure moet worden beslecht. 4.13. De slotsom is dat de vordering niet kan worden toegewezen. Voorschot op boetes 4.14. Volgens [eiser] is de Staat € 327.500 aan contractuele boete verschuldigd. Dit bedrag is volgens [eiser] opgebouwd als volgt:
- € 8.500 omdat de functieomschrijving en het schaalniveau pas op 9 maart 2026 in P-Direkt waren verwerkt;
- € 66.000 omdat de functie nog niet is gepositioneerd binnen DI&I;
- € 20.000 omdat [eiser] tot 30 maart 2026 geen gebruik kon maken van zijn zakelijke telefoonnummer en e-mailadres;
- € 66.000 omdat de Verklaring van Geen Bezwaar ontbreekt;
- € 35.000 omdat een deel van het restant van het salaris over februari 2026 niet in maart, maar in mei 2026 is uitgekeerd;
- € 66.000 omdat de 70 niet-opgenomen vakantie-uren over 2025 in P-Direkt niet zijn bijgeschreven op het IKB-spaarverlof (de Staat heeft voorgesteld om deze uren te boeken als regulier verlof);
- € 66.000 omdat één van de berichten over de overplaatsing van [eiser] niet via het juiste medium is verstuurd (via een interne website in plaats van per e-mail aan de medewerkers). 4.15.
[eiser] vordert betaling van een voorschot van € 100.000. 4.16. Volgens vaste rechtspraak moet een geldvordering in kort geding met terughoudendheid worden beoordeeld. De vordering moet niet alleen in voldoende mate vaststaan, ook moet sprake zijn van omstandigheden die meebrengen dat, vanwege een grote mate van spoedeisendheid, een onmiddellijke voorziening moet worden getroffen. Ten slotte moet rekening worden gehouden met het risico dat de eiser het geldbedrag niet kan terugbetalen in het geval hij in de bodemprocedure alsnog in het ongelijk wordt gesteld. 4.17. Ten aanzien van de spoedeisendheid is de kantonrechter (zoals ook de Staat naar voren heeft gebracht) van oordeel dat [eiser] onvoldoende heeft aangevoerd. Dat en waarom [eiser] het geld onmiddellijk nodig heeft, en dus de uitkomst van een bodemprocedure niet kan afwachten, heeft hij niet toegelicht. Ter zitting is namens [eiser] in dit verband wel nog aandacht gevraagd voor zijn gezondheidssituatie, waaronder de spierziekte waaraan [eiser] lijdt. De kantonrechter wil aan de ernst daarvan niets afdoen, maar ook in relatie tot de gezondheidssituatie is namens [eiser] niet concreet gemaakt waarom [eiser] het geld onmiddellijk nodig heeft. 4.18. Daar komt bij dat de Staat (ook) inhoudelijke verweren heeft gevoerd die op voorhand niet zonder meer als weinig kansrijk terzijde kunnen worden geschoven. Zo is het de vraag of sprake is van wezenlijke tekortkomingen (‘overtredingen’ in de betekenis van het boetebeding). De gestelde onvolkomenheden in P-Direkt springen daarbij het meest in het oog. Dat lijken op het eerste gezicht slechts administratieve afwijkingen waardoor [eiser] materieel niet in zijn belangen is geschaad. Dat geldt mogelijk ook voor de interne berichtgeving over de overplaatsing van [eiser] . De Staat heeft in deze procedure – onweersproken – inzichtelijk gemaakt dat de berichten overeenkomstig Annex 2 zijn verspreid. Weliswaar is het zo dat een van de berichten niet per e-mail maar via een interne webpagina is verspreid, maar dat dit een (wezenlijke) overtreding is, is niet evident. En, zoals hiervoor al overwogen, vergt in het bijzonder ook de discussie over de positionering van de functie nader onderzoek en beoordeling. Binnen het bestek van dit kort geding gaat de kantonrechter ervan uit dat, zoals overwogen, de positionering binnen DI&I na 1 maart 2026 hoe dan ook in onderling overleg nadere uitwerking moest krijgen, een proces dat kennelijk nog gaande is. En dat betekent dat, anders dan [eiser] aanvoert, in dit kort geding ook op dit onderdeel niet zonder meer kan worden aangenomen dat de Staat na 1 maart 2026 (onmiddellijk) is tekortgeschoten in de nakoming van de vaststellingsovereenkomst. 4.19. Ten slotte heeft de Staat aangekondigd (subsidiair) een beroep te zullen doen op artikel 6:94 van het Burgerlijk Wetboek, op grond waarvan de rechter een boete kan matigen als de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. Weliswaar dwingt deze maatstaf tot terughoudendheid, maar als een boetebedrag in een buitensporige verhouding staat ten opzichte van de feitelijke schade, kan dat een gezichtspunt zijn om tot matiging over te gaan. In dit geval maakt [eiser] aanspraak op € 327.500, terwijl zijn feitelijke nadeel (schade) op het eerste gezicht niet in de buurt van dit bedrag lijkt te komen. Hoewel ook dit aspect in een bodemprocedure moet uitkristalliseren, is op voorhand niet uitgesloten dat (als de tekortkomingen (overtredingen) worden aangenomen) de boetes aanzienlijk worden gematigd. 4.20. Alles bijeengenomen – het gebrek aan spoedeisend belang, de op dit moment bestaande onzekerheid over de gestelde overtredingen en het mogelijk kansrijke beroep op matiging – kan de kantonrechter de gevorderde voorschotbetaling niet toewijzen. In het verlengde daarvan zijn ook de daaraan gekoppelde buitengerechtelijke incassokosten niet toewijsbaar. Advocaatkosten 4.21. De vordering tot vergoeding van advocaatkosten (€ 18.177,83) moet de kantonrechter ten slotte ook afwijzen. Nog afgezien van het feit dat [eiser] ook ten aanzien van deze (geld)vordering niet heeft toegelicht dat sprake is van een spoedeisend belang, kan de door hem aangedragen grondslag de vordering niet dragen. 4.22. In artikel 11.6 van de CAO Rijk staat, voor zover hier van belang: Vanuit goed werkgeverschap verzorgt uw (voormalige) werkgever in bepaalde gevallen een vergoeding voor de kosten van juridische bijstand. Ook als u als uitzendkracht werkzaam bent (geweest) kunt u hiervoor in aanmerking komen. U heeft recht op een vergoeding voor juridische ondersteuning als u vanwege de uitoefening van uw functie als:
- verdachte of getuige wordt betrokken in een strafrechtelijke of tuchtrechtelijke procedure
- beklaagde of via uw werkgever die als beklaagde is aangemerkt, wordt betrokken in een klachtprocedure van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering
- getuige of deskundige in de zin van de Wet op de parlementaire enquête wordt gehoord. Uw werkgever kan ook in andere gevallen beslissen dat u recht heeft op een vergoeding voor juridische ondersteuning als de juridische procedure verband houdt met de uitoefening van uw functie.
Uw werkgever kan ook in andere gevallen beslissen dat u recht heeft op een vergoeding voor juridische ondersteuning als de juridische procedure verband houdt met de uitoefening van uw functie.
(…)
Als u een vergoeding voor juridische ondersteuning wilt aanvragen, dan moet u dit doen volgens de in bijlage 9 van de cao vastgestelde procedure.
(…) 4.23. Geen van de gevallen als genoemd in artikel 11.6 CAO Rijk (een strafzaak, een tuchtzaak of een parlementaire enquête) is hier aan de orde. In dit geval gaat het om een arbeidsrechtelijke kwestie tussen [eiser] als werknemer en de Staat als werkgever. Zoals de Staat terecht naar voren heeft gebracht, biedt genoemde bepaling in zoverre geen grondslag om voor deze zaak vergoeding van advocaatkosten te verlangen. Weliswaar kan de werknemer op grond van artikel 11.6 CAO Rijk aan de werkgever verzoeken (conform de procedure als vermeld in bijlage 9 van de CAO Rijk) om ook voor een ander type zaak (verband houdend met de uitoefening van de functie) een vergoeding toe te kennen, maar dat verzoek heeft [eiser] niet (vooraf) ingediend en is dus door de Staat ook niet gehonoreerd. Proceskosten 4.24.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op: - salaris gemachtigde € 865,00 - nakosten € 144,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.009,00 4.25. Bij gebrek aan een daartoe strekkende vordering, wordt de proceskosten-veroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 5De beslissing De kantonrechter 5.1. wijst de vorderingen van [eiser] af, 5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend. Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.C. van Essen en in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2026. De kantonrechter neemt aan dat voor het ‘communicatiebericht’ (artikel 4 van de vaststellingsovereenkomst) geen concrete veroordeling wordt verlangd, omdat in de dagvaarding staat dat verdere berichtgeving eerst door partijen opnieuw ‘afgestemd’ moet worden.