Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2026:21735

Vreemdelingenbewaring; art. 59 lid 1 onder a Vw 2000. Syrië. Zicht op uitzetting en het beginsel van non-refoulement. Beroep gegrond.

Rechtbank Den Haag 4 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:21735 text/xml public 2026-08-04T13:38:35 2026-08-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-07-27 26.40421 Uitspraak Bodemzaak NL 's-Hertogenbosch Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21735 text/html public 2026-08-04T13:32:42 2026-08-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:21735 Rechtbank Den Haag , 27-07-2026 / 26.40421
Vreemdelingenbewaring; art. 59 lid 1 onder a Vw 2000. Syrië. Zicht op uitzetting en het beginsel van non-refoulement. Beroep gegrond.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.40421
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),

en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. L. Verhaegh).
Procesverloop
1. Met het bestreden besluit van 19 juli 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, onder a van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
1.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft de maatregel op 22 juli 2026 opgeheven vanwege een tenuitvoerlegging van een strafrechtelijke detentie.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister en als tolk M. El Barbary (40504).
1.4.
De rechtbank heeft het onderzoek tijdens de zitting geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen een nader standpunt in te nemen ten aanzien van het zicht op uitzetting. De minister heeft op 24 juli 2026 zijn reactie gegeven en eiser heeft diezelfde dag ook gereageerd, in zoverre dat hij de rechtbank verzoekt om een uitspraak te doen. De rechtbank heeft het onderzoek op 24 juli 2026 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Omdat de bewaring op 22 juli 2026 is opgeheven beperkt de beoordeling zich in deze zaak – in het kader van de vraag of er grond bestaat voor schadevergoeding – tot de vraag of de maatregel op enig moment tot aan de opheffing onrechtmatig is geweest. De door de rechtbank te beoordelen periode loopt van 19 juli 2022 tot en met 22 juli 2026.

2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2007 en heeft de Syrische nationaliteit. Eiser heeft op 2 november 2023 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aangevraagd bij de minister. Deze asielaanvraag is met het (meeromvattende) besluit van 9 september 2025 afgewezen als ongegrond. Dit besluit omvat ook een terugkeerbesluit voor Syrië. Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit (NL25.44176), maar dit beroep is bij uitspraak van 1 april 2026 niet-ontvankelijk verklaard door de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, omdat eiser tijdens de beroepsprocedure met onbekende bestemming is vertrokken.

3. Eiser is op 18 juli 2026 strafrechtelijk aangehouden waarna hij op 19 juli 2026 om 15:30 uur is overgedragen aan de vreemdelingenpolitie en is opgehouden. Eiser is op 19 juli 2026 om 19:04 uur aansluitend aan de ophouding in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, onder a van de Vw 2000 ter fine van terugkeer (naar Syrië) uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn (Richtlijn 2008/115/EG).

4. In de nadere standpuntbepaling van 24 juli 2026 heeft de minister geconcludeerd dat zicht op gedwongen uitzetting naar Syrië thans ontbreekt. De minister verzet zich daarom niet tegen toekenning van schadevergoeding omdat de bewaring van meet af aan onrechtmatig was. Eiser heeft daarop verzocht om uitspraak te doen.

5. Evenals de minister in zijn nadere standpunt van 24 juli 2026, concludeert de rechtbank dat de bewaring van meet af aan onrechtmatig was omdat het zicht op uitzetting ontbreekt. Dit is naar het oordeel van de rechtbank om twee redenen het geval. Allereerst is de rechtbank niet gebleken dat, nadat er jarenlang geen sprake is geweest van terugkeer naar Syrië, thans zicht is op afgifte van bijvoorbeeld vervangende reisdocumenten voor gedwongen terugkeer. Daarnaast ziet de rechtbank vraagtekens bij gedwongen uitzetting uit oogpunt van het beginsel van non-refoulement gezien het gebied van herkomst van eiser. De rechtbank zal de beide punten hierna toelichten.

Bestaat zicht op uitzetting naar Syrië?

6. De rechtbank heeft tijdens de zitting met partijen gesproken over het feit dat eiser op grond van de Terugkeerrichtlijn in bewaring is gesteld met het oog op een verwijdering naar Syrië. Dit is alleen al opvallend omdat gedurende zeer ruime tijd geen uitzettingen hebben plaatsgevonden naar Syrië als gevolg van de langdurige oorlogs- en geweldssituatie in dat land. Inmiddels is er een nieuwe regering aan de macht in Syrië, maar er is onduidelijkheid wat betreft het functioneren van het overheidsapparaat en de bereidheid van de nieuwe machthebbers om mee te werken aan gedwongen terugkeer. De rechtbank wijst er bovendien op dat op de website van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) – laatstelijk door de rechtbank geraadpleegd op 24 juli 2026 om 12:00 uur – het volgende is vermeld: “Gedwongen terugkeer naar Syrië is momenteel niet mogelijk. Syrische vreemdelingen kunnen, als hiervoor gronden aanwezig zijn, alleen in bewaring gesteld worden als een Dublin-claim op hen van toepassing is of als gedwongen terugkeer naar een ander land dan Syrië mogelijk is.” Uit de rechtspraak van de Afdeling maakt de rechtbank op dat (in beginsel) uitgegaan kan worden van dergelijke informatie op de website van DT&V (vergelijk de uitspraak van 14 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3490). Hoewel de rechtbank de veronderstelling tot uitgangspunt neemt dat landen hun eigen onderdanen terugnemen, verlangt de rechtbank wel enige onderbouwing voor de stelling dat gedwongen terugkeer naar Syrië nu weer mogelijk gezien de lange periode waarin er geen sprake is geweest van gedwongen vertrek naar Syrië.

7. De minister heeft tijdens de zitting aangegeven dat er recent in positieve zin veranderingen hebben plaatsgevonden en dat er ook trajecten zijn gestart voor aanvragen van laissez-passers (lp’s). De minister heeft in de brief van 24 juli 2026 evenwel aangegeven dat DT&V met de Syrische autoriteiten (nog) géén afspraken heeft gemaakt met betrekking tot gedwongen verwijdering naar Syrië zodat (nog) geen sprake is van een reëel zicht op uitzetting.

8. Reeds de voornoemde omstandigheid maakt de maatregel van meet af aan onrechtmatig.

Wat betekent het non-refoulementbeginsel voor deze bewaring?

9. In het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) – kort gezegd – geoordeeld dat de bewaringsrechter, zo nodig ambtshalve, en binnen de context van het vereiste van een zicht op uitzetting, moet nagaan of het beginsel van non-refoulement zich tegen een verwijdering verzet. De beoordeling die de bewaringsrechter moet verrichten naar de vraag of er zwaarwegende en op feiten berustende redenen zijn om aan te nemen dat een illegaal verblijvende derdelander in het land van bestemming zal worden blootgesteld aan een reëel risico op behandelingen die door bepalingen van het Handvest worden verboden moet bovendien onderscheiden en autonoom zijn van degene die door de nationale autoriteit is verricht (vergelijk ook het arrest Hardeker van 25 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:518, par. 70-76). Het HvJ EU heeft daarnaast in verschillende arresten over verwijdering en bewaring het belang van een actuele dan wel ex nunc refoulementbeoordeling benadrukt (zie onder meer het arrest Ararat van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892, par. 38 en – opnieuw – het arrest Hardeker, par. 63 en par. 75).

10. Omdat al een asielprocedure heeft plaatsgevonden die heeft uitgemond in een asielbesluit van 9 september 2025 heeft de rechtbank – naast het asielbesluit, dat zich wel in het procesdossier bevindt – de relevante stukken uit die asielprocedure, zoals het voornemen, opgevraagd bij de minister (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 23 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329, onder 7.6.1). De minister heeft daarop naast het asielbesluit enkel de zienswijze aan het procesdossier toegevoegd. De rechtbank is in het kader van de hierna te verrichten beoordeling dan ook beperkt tot de zienswijze, het asielbesluit en voorts de informatie over de identiteit, nationaliteit en herkomst die over eiser bekend is uit de bewaringsprocedure. Uit die informatie leidt de rechtbank af dat eisers herkomstgebied in Syrië Noord-Aleppo is.

11. Bij deze beoordeling is in de eerste plaats van belang dat er weliswaar een asielprocedure heeft plaatsgevonden waarin ook een beoordeling is verricht van de veiligheidssituatie in Syrië, maar dat een rechter zich nooit heeft uitgesproken over het in dat kader genomen genomen asielbesluit van 9 september 2025. De rechtbank heeft er oog voor dat eiser blaam treft dat er geen inhoudelijk oordeel is uitgesproken door de rechtbank in zijn asielzaak, nu hij zelf met onbekende bestemming is vertrokken zonder de autoriteiten daarover in te lichten. Maar als in het kader van de bewaring met het oog op uitzetting zou blijken dat de beoordeling in het asielbesluit geen stand kan houden of de omstandigheden in tussentijd op relevante punten gewijzigd zijn, kan van het doorzetten van de uitzetting en bewaring geen sprake zijn.
11.1.
In dit verband is van belang te benoemen dat de situatie in delen van Syrië nog altijd (zeer) veranderlijk is. In zijn algemeenheid geldt daarom dat de minister zich hiervan bij een inbewaringstelling met het oog op uitzetting rekenschap moet geven indien er geruime tijd is verstreken sinds de beoordeling in bijvoorbeeld een asielbesluit.
11.2.
Daarnaast wijst de rechtbank er ten aanzien van Aleppo op dat er in de voorbije maanden diverse rechtbankuitspraken zijn gedaan ten aanzien van de vraag of de algemene geweldssituatie in Aleppo een reëel risico op schade oplevert in de zin van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn en of de minister zijn standpunt in dit kader voldoende heeft gemotiveerd. Verschillende rechtbanken achten door de minister onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van een lagere gradatie van willekeurig geweld, waarbij met name relevant wordt geacht dat in die beoordeling onvoldoende de recente ontwikkelingen (het oplaaiende geweld in de regio begin 2026) zijn meegenomen. In dat laatste kader wijst de rechtbank ook op het Algemeen Ambtsbericht Syrië van januari 2026 (pag. 74 e.v.), waarin dit staat vermeld.
11.3.
Met inachtneming van het onder 10 genoemde beoordelingskader – en mede gezien de naar haar aard beperkte reikwijdte en mogelijkheden van een toetsing van het refoulementrisico in een bewaringszaak, alleen al gelet op de korte en dwingende termijnen die geen uitvoerig partijdebat toelaten – concludeert de rechtbank dat zij onvoldoende de overtuiging heeft dat er zicht op uitzetting van eiser bestaat naar Noord-Aleppo in het licht van het beginsel van non-refoulement. Ook hierom acht de rechtbank de maatregel onrechtmatig.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. De maatregel is onrechtmatig vanaf de oplegging daarvan. Dit leidt tot een veroordeling in de schadevergoeding. De rechtbank overweegt dat er aanspraak bestaat op schadevergoeding voor de periode die loopt van 19 juli 2026 tot en met de datum van opheffing (22 juli 2026). Dit betreft vier dagen onrechtmatige detentie. De vergoeding per dag bedraagt € 120,-, zodat een schadevergoeding van € 480,- wordt toegekend.

13. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 480,00, te betalen door de griffier;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.T.C. Wijsman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.W. Venderbos, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 27 juli 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Artikel delen