Nigeria, nieuwe elementen en bevindingen, beroep ogegrond.
Rechtbank Den Haag 4 August 2026
Uitspraak
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:21737
Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-08-2026
Datum publicatie
04-08-2026
Zaaknummer
NL25.54495
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI:NL:RBDHA:2026:21737text/xmlpublic2026-08-04T14:12:382026-08-04Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2026-07-31NL25.54495UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLArnhemBestuursrecht; VreemdelingenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21737text/htmlpublic2026-08-04T14:11:542026-08-04Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2026:21737 Rechtbank Den Haag , 31-07-2026 / NL25.54495 Nigeria, nieuwe elementen en bevindingen, beroep ogegrond.
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL25.54495
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser (gemachtigde: mr. E.J.L. van de Glind), en de minister van Asiel en Migratie,Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag in stand kan blijven. De rechtbank komt tot het oordeel dat eiser aan zijn opvolgende asielaanvraag geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd die de kans op internationale bescherming aanzienlijk groter maken. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft een (achtste) opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 6 november 2025 deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. Eiser heeft kort voorafgaand aan de ingeplande zitting op 21 mei 2026 aan zijn gemachtigde laten weten niet te zullen komen. De rechtbank heeft partijen daarop laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. Beoordeling door de rechtbank Eerdere procedures
3. Eiser heeft de Nigeriaanse nationaliteit en is geboren op [datum] 1996. Eiser heeft in het verleden meerdere asielaanvragen in Nederland gedaan. In 2019 heeft eiser twee asielaanvragen in Nederland ingediend. Deze zijn beide niet in behandeling genomen, omdat Italië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk was voor deze asielaanvragen. Omdat eiser hierna niet op tijd aan Italië is overgedragen, is Nederland alsnog verantwoordelijk geworden. Eiser heeft vervolgens in 2020 een derde asielaanvraag ingediend. De minister heeft die asielaanvraag met het besluit van 22 januari 2021 afgewezen als ongegrond. Het daartegen ingestelde beroep en hoger beroep van eiser zijn beide ongegrond verklaard. Vervolgens heeft eiser in 2021, 2022 en 2024 nog drie asielaanvragen ingediend. Deze zijn allen buiten behandeling gesteld, omdat eiser het formulier voor opvolgende asielaanvragen (het M35-O-formulier) onvolledig had ingevuld. Op 18 augustus 2025 heeft eiser zijn zevende asielaanvraag ingediend, welke aanvraag buiten behandeling is gesteld omdat eiser wederom het M35-O-formulier onvolledig had ingevuld. Deze buitenbehandelingstelling is bevestigd bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 21 januari 2026. Op 21 oktober 2025 heeft eiser zijn de huidige opvolgende asielaanvraag ingediend. Het bestreden besluit
4. De minister heeft die aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat sprake is van een opvolgende aanvraag waaraan eiser geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd of waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Hij heeft hiermee toepassing gegeven aan artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000. Heeft de minister het juiste toetsingskader gebruikt?
5. Eiser betoogt onder verwijzing naar Werkinstructie 2024/6 (WI) en drie prejudiciële verwijzingsuitspraken van deze rechtbank dat de minister zich ten onrechte op het eerdere besluit van 22 januari 2021 beroept, waarin eisers eerdere asielaanvraag is afgewezen. Eiser betoogt dat het aan de minister was om individueel te beoordelen of eiser bij terugkeer naar Nigeria een reëel risico loopt op ernstige schade of vernederende behandeling. Hij wijst daartoe op rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) waaruit dit volgens hem blijkt. De minister miskent volgens eiser het absolute karakter van artikel 3 van het EVRM. 5.1. Het betoog van eiser slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat bij een opvolgende aanvraag in de eerste plaats moet worden beoordeeld of de aanvraag ontvankelijk is. De rechtbank stelt voorop dat de beoordeling van de ontvankelijkheid van een opvolgende aanvraag bestaat uit twee fases. In fase één moet de minister onderzoeken of er nieuwe elementen of bevindingen naar voren zijn gebracht. In fase twee moet de minister onderzoeken of deze nieuwe elementen of bevindingen de kans aanzienlijk groter maken dat de vreemdeling voor internationale bescherming in aanmerking komt. Dit staat in artikel 40, derde lid, van de Procedurerichtlijn. Dit artikel is in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000. Daarin staat dat het erom gaat of nieuwe elementen of bevindingen relevant kunnen (cursivering rechtbank) zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 15 september 2022 heeft geoordeeld, kent de Nederlandse wetgeving dus een minder streng ontvankelijkheidscriterium dan is neergelegd in de Procedurerichtlijn. 5.2. Anders dan eiser lijkt te betogen geldt bij de beoordeling of de aanvraag ontvankelijk is niet het kader dat geldt bij geloofwaardigheidsbeoordelingen. De rechtbank volgt eiser daarom ook niet in zijn betoog dat het aan de minister was om in dit stadium van de procedure te beoordelen of eiser bij verwijdering uit Nederland een reëel risico loopt op ernstige schade of vernederende behandeling. Had de minister de aanvraag van eiser niet-ontvankelijk mogen verklaren?
6. Eiser betoogt dat de minister de aanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiser heeft bij zijn opvolgende aanvraag een tweetal artikelen gevoegd. Het betreft een artikel van de NOS van 28 juli 2025, ‘Nigeriaanse bendeleden doden 33 gijzelaars ondanks betaald losgeld’ en een artikel van het Africa Center for Strategic Studies van 21 oktober 2024, ‘Violent Criminal Gangs Displace and Disrupt North West Nigeria’. Daaruit blijkt volgens eiser dat het cultgerelateerde geweld in Nigeria sterk is toegenomen en dat het hier daarom nieuwe feiten betreft die maken dat de opvolgende aanvraag van eiser in behandeling had moeten worden genomen. 6.1. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte wijst op de eerder op 22 januari 2021 afgewezen aanvraag van eiser. Eiser wijst erop dat het toetsingskader in geloofwaardigheidszaken ter discussie staat bij het Hof van Justitie en dat de minister bovendien miskent dat het in rechte vaststaan van deze afwijzing slechts betekent dat de rechtsgevolgen van het besluit vaststaan, maar dat de aan dat besluit ten grondslag liggende feiten alsnog ter discussie kunnen worden gesteld. Eiser wijst op een uitspraak van de Afdeling van 13 maart 2025 waaruit dit volgens hem volgt. De minister mag volgens eiser daarom niet weigeren om bepaalde feiten bij de besluitvorming te betrekken, alleen omdat er een eerder in rechte vaststaand ongeloofwaardigheidsoordeel ligt. Volgens eiser is het aan de minister om een ex-nunc beoordeling te maken. Dit levert volgens eiser een zorgvuldigheidsgebrek op. 6.2. Eiser betoogt verder dat de minister ten onrechte een verwijtbaarheidstoets heeft aangelegd en eiser verwijt dat hij de door hem aangeleverde informatie eerder had kunnen overleggen. Dit mag volgens eiser niet, omdat dit deel van artikel 40 van de Procedurerichtlijn door Nederland niet is geïmplementeerd. Eiser wijst op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 7 februari 2017. 6.3. Eiser betoogt verder dat de minister miskent dat de situatie in Nigeria is gewijzigd. Volgens eiser is de situatie zodanig ingrijpend en structureel gewijzigd dat deze rechtstreeks relevant is voor het actuele risico dat eiser loopt bij terugkeer naar Nigeria. Eiser wijst op het Algemeen Ambtsbericht Nigeria van januari 2023 (ambtsbericht), een veiligheidsrapportage van het European Union Agency for Asylum (EUAA) en op het artikel van het Africa Center for Strategic Studies uit 2024. Uit deze landeninformatie blijkt dat cultgroepen in het zuiden van Nigeria aan invloed winnen, vaker willekeurig optreden en in toenemende mate burgers onder dwang rekruteren. Ook blijkt volgens eiser uit deze informatie dat de autoriteiten burgers geen bescherming weten te bieden tegen dit geweld. Dit is volgens eiser niet louter een algemene ontwikkeling. De minister mag zich volgens eiser niet beroepen op het eerdere ongeloofwaardigheidsoordeel. De minister had volgens eiser een ex-nunc risicoanalyse moeten uitvoeren om te beoordelen welk risico eiser loopt bij terugkeer naar Nigeria. 7. Uit het arrest L.H., punten 34-38, volgt dat de beoordeling van opvolgende asielaanvragen die de minister in het kader van artikel 40, tweede en derde lid, van de Procedurerichtlijn moet maken, bestaat uit twee stappen. Stap 1 is de beoordeling van de ontvankelijkheid van de aanvraag. Deze stap bestaat uit twee fasen. Fase 1 is het onderzoek of er nieuwe elementen of bevindingen zijn of door de vreemdeling zijn voorgelegd in verband met de behandeling van de vraag of hij in aanmerking komt voor internationale bescherming. Uit punt 50 van het arrest LH volgt dat elementen of bevindingen nieuw zijn wanneer die niet werden onderzocht in het kader van het op de vorige asielaanvraag genomen besluit en waarop dat besluit niet kon worden gebaseerd. Alleen als er nieuwe elementen of bevindingen zijn ten opzichte van de eerdere asielaanvraag, komt de minister toe aan fase 2. Fase 2 is het onderzoek of de nieuwe elementen en bevindingen de kans aanzienlijk groter maken dat de vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming. Het Hof van Justitie overweegt dat moet zijn voldaan aan beide in fase 1 en fase 2 genoemde ontvankelijkheidsvereisten, maar benadrukt dat het gaat om afzonderlijke vereisten.
Als aan die vereisten is voldaan, moet de minister vervolgens overgaan tot stap 2, die inhoudt dat hij de opvolgende asielaanvraag inhoudelijk beoordeelt. 7.1. Het betoog van eiser slaagt niet. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de door eiser overgelegde landeninformatie de kans niet aanzienlijk groter maakt dat eiser in aanmerking komt voor internationale bescherming en dat de door eiser overgelegde informatie weliswaar nieuw is, maar niet relevant. 7.2. De minister heeft zijn standpunt mogen baseren op de door eiser overgelegde informatie, maar ook op de omstandigheid dat eisers asielrelaas, dat zag op cultgerelateerd geweld, in een eerder besluit van 22 januari 2021 ongeloofwaardig is bevonden, welk oordeel inmiddels in rechte vaststaat. De rechtbank ziet met de minister in de door eiser overgelegde landeninformatie verder geen aanleiding voor het oordeel dat eisers aanvraag met inachtneming van die informatie een aanzienlijk grotere kans van slagen heeft. 7.3. Uit de door eiser overgelegde landeninformatie en artikelen blijkt het volgende. Uit het ambtsbericht blijkt dat het cultgerelateerde geweld sinds 2020 is toegenomen naar enkele honderden gevallen, waarbij mogelijk tot 140 dodelijke slachtoffers zijn gevallen. Ook blijkt dat cults geweld plegen tegen leden en burgers, waarbij regelmatig dodelijke slachtoffers vallen en dat zij zich bezighouden met crimineel gedrag. Verder blijkt dat de autoriteiten actie ondernemen tegen cults, maar dat de handhaving alsnog zwak is en er een cultuur van straffeloosheid heerst. Uit het artikel van het Africa Center for Strategic Studies blijkt verder dat er in Noordwest Nigeria veelvuldig sprake is van geweld door criminele bendes, maar dit artikel spitst zich niet toe op geweld door cults in het bijzonder. Uit de rapportage van het EUAA blijkt dat er, afhankelijk van de regio, sprake is van een hoge mate van bende of cultgerelateerd geweld waarbij ook dodelijke slachtoffers vallen. Uit het artikel van de NOS blijkt, naast het incident met de 33 doden, dat criminele groeperingen in Nigeria in zijn algemeenheid een groot probleem zijn, maar in dat artikel wordt niets gezegd over cults. 7.4. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat de door eiser overgelegde landeninformatie blijkt dat cultgerelateerd geweld een probleem is in Nigeria, maar dat daaruit op geen enkele wijze een verband blijkt met de persoonlijke situatie van eiser. De minister heeft voor dit oordeel mogen aansluiten bij de eerder ongeloofwaardig geachte verklaringen van eiser over zijn ervaringen met cultgerelateerd geweld. Hoewel de rechtbank eiser op zichzelf volgt in zijn betoog dat de feiten die aan zijn eerder ongeloofwaardig bevonden asielrelaas ten grondslag liggen onder omstandigheden kunnen worden betwist, heeft eiser dat met de door hem overgelegde landeninformatie dus niet daadwerkelijk gedaan. Eisers verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 13 maart 2025 gaat daarom niet op. De rechtbank ziet met de minister in de door eiser overgelegde landeninformatie en artikelen verder geen aanleiding voor het oordeel dat daaruit volgt dat de algemene situatie in Nigeria zodanig slecht is dat eiser niet zou kunnen terugkeren. De rechtbank wijst erop dat Nigeria een populatie heeft van 236 miljoen inwoners en dat uit de landeninformatie van eiser op geen enkele wijze blijkt dat eiser, louter vanwege zijn Nigeriaanse nationaliteit gevaar zou lopen. De minister heeft de door eiser aangeleverde informatie daarom kunnen aanmerken als niet relevant voor de opvolgende aanvraag. 7.5. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn betoog dat omdat artikel 3 van het EVRM absoluut is, de minister een inhoudelijke individuele toets had moeten aanleggen. Zoals uit rechtspraak van de Afdeling volgt moet de bestuursrechter procedureregels als artikel 30a, eerste lid aanhef, en onder d van de Vw 2000 buiten toepassing laten als onmiskenbaar een schending dreigt van artikel 3 van het EVRM. Van een dergelijke dreigende onmiskenbare schendig is gezien voorgaande echter in het geheel niet gebleken. 7.5.1. De rechtbank volgt verder niet het betoog van eiser dat de minister hem niet mag tegenwerpen dat hij eerder met bepaalde informatie had moeten komen. De minister heeft eiser slechts tegengeworpen dat de door hem overgelegde artikelen en landeninformatie de kans niet aanzienlijk groter maken dat hij in aanmerking komt voor internationale bescherming. De minister heeft eiser nergens tegengeworpen dat hij bepaalde informatie eerder had moeten overleggen. De rechtbank volgt ook niet het betoog van eiser dat de minister hem ten onrechte zou hebben tegengeworpen dat Nigeria beschikt over werkende autoriteiten. Over het al dan niet functioneren van de Nigeriaanse autoriteiten in het bijzonder heeft de minister in de besluitvorming aan eiser niets tegengeworpen, zodat het de rechtbank onduidelijk is waarop eiser met deze passage in de beroepsgronden doelt. Conclusie en gevolgen 8. De minister heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de niet-ontvankelijkverklaring van de aanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. R.C. Lubbers, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk. Rechtbank Den Haag, 25 februari 2021, zaaknummer NL21.1372 (niet gepubliceerd). Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 18 maart 2021, zaaknummer 202101448/1/V1 (niet gepubliceerd). Zaaknummer NL25.41248. Zoals dat gold tot 12 juni 2026. Zie de uitspraken van 7 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:136 en ECLI:NL:RBDHA:2025:139 en 16 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2170. EHRM 23 maart 2016, nr. 43611/11 (F.G. tegen Zweden). Zie in dit verband het arrest van het Hof van Justitie van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:478 (arrest L.H.) en de uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:208. Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013. (Geldig tot 12 juni 2026) Zoals dat gold tot 12 juni 2026. ECLI:NL:RVS:2022:2699. ECLI:NL:RVS:2025:1068. ECLI:NL:RBDHA:2017:1184. Pagina’s 16 en 52. EUAA, Oktober 2025,’Nigeria: Security situation’. Zie voetnoot 7. Zie de uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:208. Zie pagina’s 16, 52 en 53. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1664.