Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2026:21739

Kort geding, ececutiegeschil, schorsing uitvoerbaarheid beschikking

Rechtbank Den Haag 4 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:21739 text/xml public 2026-08-04T16:15:34 2026-08-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-02-23 697099 Uitspraak Kort geding NL Den Haag Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21739 text/html public 2026-08-04T16:15:14 2026-08-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:21739 Rechtbank Den Haag , 23-02-2026 / 697099
Kort geding, ececutiegeschil, schorsing uitvoerbaarheid beschikking
Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: 697099/ KG ZA 26/5

Vonnis in kort geding van 23 februari 2026

in de zaak van

[de man] te [woonplaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. M.A. Ossentjuk te Leiden,

tegen:

[de vrouw] te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. M.C. Carli-Lodder te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de man’ en ‘de vrouw’.
<nr>1</nr>De procedure 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 22 januari 2026 met producties;

- de door de vrouw overgelegde conclusie van antwoord.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 februari 2026.
1.3.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.
<nr>2</nr>De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
Partijen zijn op [dag 1] 2007 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Bij een op 11 januari 2008 verleden akte zijn partijen staande het huwelijk huwelijkse voorwaarden overeengekomen. Op [dag 2] 2017 is het huwelijk van partijen ontbonden door echtscheiding.
2.2.
Sinds de echtscheiding bestaat tussen de man en de vrouw onenigheid over onder andere de uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw ten laste van de man (hierna: partneralimentatie). Hierover zijn verschillende procedures gevoerd.
2.3.
Nadat het gerechtshof Den Haag in november 2017 de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie had vastgesteld op € 2.673,- per maand vanaf de datum van echtscheiding, heeft het hof bij beschikking van 18 november 2020 op verzoek van de man de partneralimentatie met ingang van 27 mei 2020 op nihil bepaald.
2.4.
De vrouw heeft daarna de rechtbank verzocht die beschikking van het hof van 18 november 2020 te vernietigen, zodat de eerder vastgestelde alimentatieverplichting herleeft. Zij heeft zich in die procedure op het standpunt gesteld dat uit de aan haar ter beschikking gekomen stukken blijkt dat het hof bij zijn uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechtbank is de vrouw daarin gevolgd en bij beschikking van 19 december 2025 de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie, rekening houdend met de wettelijke indexatie, met ingang van 27 mei 2020 bepaald op de volgende bedragen:

met ingang van 27 mei 2020: €2.837,- per maand;

met ingang van 1 januari 2021: €2.922,- per maand;

met ingang van 1 januari 2022: €2.977,- per maand;

met ingang van 1 januari 2023: €3.078,- per maand;

met ingang van 1 januari 2024: €3.269,- per maand;

met ingang van 1 januari 2025: €3.482,- per maand.

Aan het beroep van de man op gewijzigde omstandigheden is de rechtbank voorbij gegaan. Naar het oordeel van de rechtbank is de man er niet in geslaagd om aan te tonen dat en, zo ja, per wanneer er een wijziging is opgetreden, nu hij geen volledige openheid van zaken heeft gegeven over zijn inkomen en vermogenspositie.
<nr>3</nr>Het geschil 3.1.
De man vordert primair – zakelijk weergegeven – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, primair:

te bepalen dat de werking van de beschikking van 19 december 2025, voor zover deze uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, althans het daarin bepaalde over de door de man aan de vrouw te betalen bedragen wordt geschorst;

te bepalen dat de vrouw, op straffe van een dwangsom, hangende het hoger beroep tegen de beschikking geen executiemaatregelen mag treffen tot tenuitvoerlegging van die beschikking, op straffe van een dwangsom;

subsidiair:

3. te bepalen dat de vrouw hangende het hoger beroep pas aanspraak op de in de beschikking van 19 december 2025 bepaalde bedragen kan maken indien zij daarvoor, door middel van een bankgarantie, voldoende zekerheid stelt;

één en ander met veroordeling van de vrouw in de proceskosten (inclusief de mogelijke beslagkosten).
3.2.
Daartoe voert de man – samengevat – het volgende aan. Aan de door de rechtbank in de beschikking van 19 december 2025 gegeven beslissing liggen verschillende juridische misslagen (kennelijke fouten) ten grondslag. Bovendien weegt het belang van de man bij het opschorten van de beslissing van de rechtbank zwaarder dan het belang van de vrouw bij een directe tenuitvoerlegging van die beslissing.
3.3.
De vrouw voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
<nr>4</nr>De beoordeling van het geschil 4.1.
Het gaat hier om een executiegeschil ex artikel 438 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Uitgangspunt daarbij is de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van de partij, aan wie de vordering bij – zoals hier – uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis is toegewezen. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde / nog in te stellen rechtsmiddel is beslist, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling heeft verkregen bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. Bij deze belangenafweging moet, behoudens het geval dat sprake is van een kennelijke feitelijke of juridische misslag, in beginsel worden uitgegaan van de bestreden beslissing en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende rechtsmiddel in beginsel buiten beschouwing. In het geval de rechter, zoals hier, in de bestreden beslissing een niet-gemotiveerd oordeel heeft gegeven over de uitvoerbaarheid bij voorraad, moet ervan uit worden gegaan dat nog geen afweging van de belangen van partijen heeft plaatsgevonden aan de hand van de daarvoor van belang zijnde feiten en omstandigheden. Deze afweging dient derhalve in deze kortgedingprocedure alsnog te worden gemaakt. Daarbij kunnen zowel omstandigheden van vóór als ná de bestreden beslissing van belang zijn.

ontvankelijkheid
4.2.
De vrouw stelt zich primair op het standpunt dat de man niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering tot schorsing van de executie. Zij wijst erop dat zij nog geen beslag heeft laten leggen, geen exploot van betekening heeft laten uitbrengen en ook geen andere executiemaatregelen heeft getroffen of aangekondigd. De executie is dus nog niet aangevangen. Bovendien heeft de man tot op heden geen hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 19 december 2025, terwijl dit op 22 december 2025 al is aangekondigd. Het rechtens vereiste (spoedeisend) belang bij de vorderingen ontbreekt daarom volgens de vrouw.
4.3.
De voorzieningenrechter volgt de vrouw niet in dit standpunt. De vrouw heeft er geen blijk van gegeven dat zij hangende het door de man in te stellen hoger beroep niet tot executie van de beschikking van 19 december 2025 zal overgaan. Tijdens de zitting heeft zij alleen verklaard dat zij de uitkomst van dit kort geding heeft willen afwachten. Aldus kan niet worden uitgesloten dat de vrouw (op korte termijn) alsnog executiemaatregelen zal treffen. Daarmee is het belang van de man gegeven. De spoedeisendheid van dat belang vloeit voort uit de aard van de vorderingen. Dat de man nog geen hoger beroep tegen de beschikking van 19 december 2025 heeft ingesteld doet daar niet aan af. De man heeft aannemelijk gemaakt dat hij, zodra hij over de volgens hem benodigde bewijsstukken beschikt, hoger beroep zal instellen. Hij is het, zo blijkt uit de in dit kort geding ingenomen stellingen, volstrekt oneens met de beslissing van de rechtbank. Dat hij in hoger beroep ook om een voorlopige voorziening kan vragen, maakt daarnaast nog niet dat de man met het aanspannen van dit kort geding misbruik maakt van procesrecht.

klaarblijkelijke feitelijke of juridische misslag
4.4.
Volgens de man is sprake van een groot aantal juridische misslagen in het vonnis. De voorzieningenrechter stelt bij de beoordeling van deze stelling van de man voorop dat het bij een klaarblijkelijke juridische of feitelijke misslag moet gaan om een zo evidente vergissing in het recht of de feiten dat daarover geen redelijke twijfel bestaat. Daarbij dient de rechter zich dus te beperken tot een afstandelijke toetsing, in die zin dat alleen in het oog springende vergissingen tot het oordeel kunnen leiden dat sprake is van een kennelijk juridische of feitelijke misslag. Met inachtneming hiervan overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
4.5.
De bezwaren van de man tegen de beschikking van 19 december 2025 richten zich tegen de door de rechtbank bij de berekening van de draagkracht van de man in aanmerking genomen bedragen. De rechtbank heeft volgens de man aan de hand van de door de vrouw overgelegde jaarstukken conclusies getrokken over zijn inkomen (uit werk en uit onderneming) die onterecht zijn en voorbij gaan aan de inhoud van de door de man in het geding gebrachte stukken en vennootschapsrechtelijke regels (waaronder de balans-/uitkeringstest van artikel 2:216 BW) en principes. De motivering van die conclusies schiet volgens de man zodanig tekort dat sprake is van een juridische misslag. Tegelijkertijd stelt de man dat hij ten behoeve van het door hem tegen de beschikking van de rechtbank in te stellen hoger beroep zijn accountant heeft verzocht om een verklaring op te stellen waarmee – zo begrijpt de voorzieningenrechter – wordt weerlegd dat het voor de man mogelijk was om vanaf 2020 een dividend aan zichzelf uit te keren van € 83.333,- en een DGA-salaris van

€ 97.967,-. Die verklaring is, zo heeft de man duidelijk gemaakt, nog niet voorhanden, omdat het opstellen daarvan gelet op het tijdvlak waarop de verklaring ziet de nodige tijd vraagt. Om deze reden is nog geen hoger beroep ingesteld. Het komt er dus op neer dat de man de voorzieningenrechter vraagt om te oordelen dat de beslissingen die de rechtbank aan de draagkrachtberekening ten grondslag heeft gelegd berusten op kennelijke misslagen zonder dat zij beschikt over het bewijsmiddel dat volgens hem in hoger beroep noodzakelijk is om aan te tonen dat de rechtbank fouten heeft gemaakt. Met de vrouw is de voorzieningenrechter van oordeel dat dit innerlijk tegenstrijdig is. De behoefte aan een (nadere) accountantsverklaring om de beschikking van de rechtbank onderuit te halen doet afbreuk aan de stelling dat bij de vaststelling van de uitgangspunten voor de draagkrachtberekening sprake is van evidente (juridische) vergissingen van de rechtbank. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan dan ook niet worden aangenomen dat de motivering van de rechtbank op dit punt zodanig gebrekkig is dat sprake is van een juridische misslag. Evenmin kan gelet op het voorgaande worden aangenomen dat de beschikking van de rechtbank evident in strijd is met dwingend vennootschapsrecht.
4.6.
Ook de stelling van de man dat de rechtbank bij de draagkrachtberekening ten onrechte geen rekening heeft gehouden met zijn schulden, rechtvaardigt niet de conclusie dat de rechtbank een kennelijke juridische misslag heeft gemaakt. De rechtbank heeft met (de extra lasten vanwege de aflossing op) die schulden geen rekening gehouden vanwege de onduidelijkheid over de vermogenspositie van de man. Het feit dat de vrouw de rekening-courantschuld van de man niet heeft betwist, brengt niet mee niet dat dat dit oordeel vanwege de evidente onjuistheid daarvan geen stand kan houden. Ook het onbesproken laten van het bewijsaanbod is daarvoor onvoldoende. Uit de overwegingen die aan het oordeel ten grondslag liggen volgt dat aan de man is tegengeworpen dat hij geen volledige openheid van zaken heeft gegeven over zijn vermogenspositie. Het is niet aan de voorzieningenrechter om in het kader van dit executiegeschil te oordelen of de rechtbank dat terecht heeft gedaan en daarbij heeft kunnen voorbijgaan aan het bewijsaanbod dat de man heeft gedaan.
4.7.
Dat de rechtbank, zoals de man stelt, bij de vaststelling van de draagkracht van de man, zonder enige gebleken aanleiding daarvoor, geen acht heeft geslagen op de door de man overgelegde financiële gegevens, kwalificeert niet als een verrassingsbeslissing. Ook dit kan dan ook niet leiden tot het oordeel dat sprake is van een juridische misslag.

belangenafweging
4.8.
Een afweging van de wederzijdse belangen leidt ook niet tot het oordeel dat de executie van het vonnis moet worden geschorst. Uitgangspunt is dat de vrouw een rechtens gegeven belang heeft bij de tenuitvoerlegging van de beschikking, althans bij het innen van de daarin bepaalde bedragen aan partneralimentatie. Aannemelijk is dat de financiële situatie van de vrouw door het missen van deze alimentatie van gemiddeld € 3.000 per maand, die mede op basis van de behoefte van de vrouw is vastgesteld, er fors op achteruit is gegaan. Zij heeft betwist dat zij, zoals de man stelt, sinds 2020 goed kan rondkomen zonder alimentatiesuppletie. Tijdens de zitting heeft zij duidelijk gemaakt dat zij met behulp van het kindgebonden budget maar net in staat was om de huur van haar laatste ‘eigen’ woning te betalen. Doordat het kindgebonden budget wegviel heeft zij die woning moeten opgeven en is zij noodgedwongen bij haar ouders ingetrokken. Ook heeft zij erop gewezen dat zij geld heeft moeten lenen van haar ouders, die daarvoor een hypotheek op hun woning hebben moeten afsluiten.

Tegenover het evidente belang van de vrouw bij invordering weegt het belang van de man om niet te hoeven betalen voordat in hoger beroep over de kwestie is geoordeeld minder zwaar. De man heeft wel gesteld dat hij de door de rechtbank vastgestelde bedragen gezien zijn inkomen en vermogen onmogelijk kan betalen en dat als gevolg van door de vrouw te treffen executiemaatregelen voor hem een noodsituatie zal ontstaan, maar dit door de vrouw betwiste standpunt heeft hij onvoldoende onderbouwd. De vrouw heeft in dit verband gewezen op een aantal gebeurtenissen die (vrij) recent hebben plaatsgevonden, zoals de verkoop van de oude woning van de man en de aankoop van zijn huidige woning, op basis waarvan in twijfel kan worden getrokken dat de financiële situatie van de man zo slecht is als hij doet voorkomen. De man heeft deze gebeurtenissen en de daarmee gemoeide bedragen niet betwist. Hij heeft er slechts op gewezen dat hij ook enorm veel schulden heeft. Dat de aan deze schulden verbonden lasten zijn inkomens- en vermogenspositie zodanig beïnvloeden dat hij niet in staat is om de vastgestelde bedragen aan partneralimentatie aan de vrouw te betalen, heeft hij echter niet concreet gemaakt. De voorzieningenrechter is er dan ook niet van overtuigd geraakt dat de executie van het vonnis daadwerkelijk zal leiden tot de door de man geschetste noodsituatie.
4.9.
De man heeft nog aangevoerd dat het leggen van executoriaal beslag op zijn woning niets zal opleveren voor de vrouw, gelet op de op woning rustende hypothecaire geldleningen. Ook als dit juist is, brengt dit niet mee dat de belangenafweging in het voordeel van de man moet uitvallen. Niet gesteld of gebleken is dat dit voor de vrouw de enige mogelijkheid van executie van de beschikking van 19 december 2025 is. Gelet hierop kan ook de gezondheidstoestand van de oudste dochter van partijen niet leiden tot toewijzing van de vorderingen die zijn gericht op de schorsing van de in de beschikking opgenomen partneralimentatieverplichting en de executiebevoegdheid van de vrouw.

zekerheidstelling
4.10.
De man heeft subsidiair gevorderd dat de vrouw zekerheid moet stellen voor de door haar op grond van de beschikking geïncasseerde bedragen. Op basis waarvan de vrouw daartoe gehouden is, heeft hij echter niet toegelicht. De vrouw beschikt over een executoriale titel op grond waarvan zij tot onmiddellijke invordering van de vastgestelde bedragen aan partneralimentatie kan worden overgegaan. Het stellen van vervangende zekerheid is dan niet meer aan de orde.

proceskosten
4.11.
De man zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten (inclusief nakosten) van de vrouw. Die proceskosten worden begroot op:

- griffierecht € 93,-

- salaris advocaat € 1.177,-

- nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de

beslissing)

Totaal € 1.459,-
<nr>5</nr>De beslissing
De voorzieningenrechter:
5.1.
wijst de vorderingen van de man af;
5.2.
veroordeelt de man in de proceskosten van € 1.459,- te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als de man niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet de man € 98,- extra betalen;
5.3.
verklaart de beslissing onder 5.2. uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2026.

EI

HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026

Artikel delen