Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2026:21743

Kort geding, medewerking overdracht aandeel in gezamenlijke woning

Rechtbank Den Haag 6 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:21743 text/xml public 2026-08-06T10:00:55 2026-08-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-04-14 700578 Uitspraak Kort geding NL Den Haag Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21743 text/html public 2026-08-06T10:00:39 2026-08-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:21743 Rechtbank Den Haag , 14-04-2026 / 700578
Kort geding, medewerking overdracht aandeel in gezamenlijke woning
Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/700578 / KG ZA 26/217

Vonnis in kort geding van 14 april 2026

in de zaak van

[eiser] te [woonplaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. L.F. Niemantsverdriet-Wensink te Den Haag,

tegen:

[gedaagde] te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. J.E. Sondorp te Gouda.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’.
<nr>1</nr>De procedure 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 tot en met 8;

- de door [gedaagde] overgelegde conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties 1 tot en met 14;

- de door [eiser] overgelegde aanvullende productie 9 en 10;

- de op 31 maart 2026 gehouden mondelinge behandeling.
1.2.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.
<nr>2</nr>De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
Partijen hebben van juli 2016 tot en met eind augustus 2025 een affectieve relatie met elkaar onderhouden. Samen hebben zij twee (minderjarige) kinderen gekregen.
2.2.
[eiser] is eigenaar van een woning aan de [adres 1] . Vanaf begin 2018 hebben partijen samengewoond in deze woning. Sinds de beëindiging van de relatie woont [eiser] (weer) alleen in de woning. [gedaagde] is met de kinderen bij haar ouders ingetrokken, die in [plaats 1] wonen.
2.3.
Op [dag] 2019 hebben partijen een samenlevingscontract gesloten. In dat contract is opgenomen dat een eventuele waardeverandering van de woning aan de [adres 1] voor [eiser] blijft en niet tussen partijen wordt gedeeld. Ook is daarin bepaald dat investeringen, kosten en lasten, anders dan kosten van de huishouding, met betrekking tot een gezamenlijk bewoonde woning waarvan een van partijen eigenaar is voor rekening komen van de eigenaar.

Voor een gezamenlijke woning geldt op grond van het contract dat investeringen, kosten en lasten voor rekening van beide partners komen naar evenredigheid van hun aandeel in die woning en dat zij ook naar evenredigheid van hun aandeel delen in de waardeverandering van die woning.
2.4.
Partijen hebben samen een nieuwbouwwoning gekocht aan de [adres 2] . Deze woning is in juli 2025 opgeleverd en inmiddels vrijwel gereed voor bewoning. De getaxeerde marktwaarde van de woning bedraagt € 665.000,-.
2.5.
Ten behoeve van de aankoop en verbouwing van de woning in [plaats 1] zijn partijen een hypothecaire geldlening aangegaan van ongeveer € 600.000,-. Onderdeel daarvan is een overbruggingskrediet van € 279.000,-. Beoogd was om dit krediet af te lossen met (een deel van) de overwaarde die bij verkoop van de woning van [eiser] in [plaats 2] vrijkomt.
2.6.
Tussen partijen is een bodemprocedure aanhangig over het ouderlijk gezag over de kinderen en de over een zorg-/omgangsregeling. In die procedure heeft deze rechtbank bij beschikking van 25 november 2025 bepaald dat het gezag voortaan aan partijen gezamenlijk toekomt. Daarnaast is een voorlopige omgangsregeling bepaald. Iedere verdere beslissing is aangehouden in afwachting van de resultaten van het traject Ouderschap Blijft.
<nr>3</nr>Het geschil
in conventie
3.1.
[eiser] vordert – na intrekking van zijn voorwaardelijke vordering – dat de voorzieningenrechter :

i) [gedaagde] veroordeelt om binnen zeven dagen na betekening van het uit te spreken vonnis haar volledige medewerking te verlenen aan de overdracht van de woning in [plaats 1] aan hem, en;

ii) bepaalt dat het vonnis in de plaats treedt van de voor notariële levering vereiste toestemming, wilsverklaring en handtekening van [gedaagde] .
3.2.
Daartoe voert [eiser] – samengevat – aan dat hij graag de woning in [plaats 1] wil overnemen. Hij is daar gelet op de overwaarde van zijn woning in [plaats 2] van ongeveer € 500.000 ook toe in staat. Bovendien heeft hij daar ook belang bij, nu de kinderen in [plaats 1] wonen, daar naar school gaan en hij graag samen met [gedaagde] wil toewerken naar een 50/50 zorgregeling voor de kinderen. Zo’n regeling kan makkelijker worden gerealiseerd als hij ook in [plaats 1] woont. Het is volgens [eiser] in het belang van beide partijen als er zo spoedig mogelijk duidelijkheid is over de woning in [plaats 1] , zodat de overname en financiering in gang kan worden gezet. Daarbij speelt een rol dat looptijd van het overbruggingskrediet op

1 oktober 2026 afloopt. Als de woning van [eiser] in [plaats 2] dan nog niet is verkocht, zal de bank die woning (executoriaal) kunnen verkopen.
3.3.
[gedaagde] voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

in reconventie
3.4.
[gedaagde] vordert dat de voorzieningenrechter:

i) [eiser] veroordeelt om binnen zeven dagen na betekening van het uit te spreken vonnis zijn volledige medewerking te verlenen aan de overdracht van de woning in [plaats 1] aan haar;

ii) bepaalt dat het vonnis in de plaats treedt van de voor notariële levering vereiste toestemming, wilsverklaring en handtekening van [eiser] ;

iii) [eiser] veroordeelt om uiterlijk 30 september 2026 de helft van het overbruggingskrediet te betalen aan ING Bank ter aflossing van dit krediet en daartoe alle daarvoor vereiste medewerking te verlenen, en;

iv) [eiser] veroordeelt in de kosten van het geding in conventie en in reconventie.
3.5.
Daartoe voert [gedaagde] aan dat zij de woning wil overnemen en daar ook het meest belang bij heeft. Zij wijst erop dat zij met de kinderen geen alternatief heeft, terwijl [eiser] nog een eigen woning heeft in [plaats 2] . [eiser] hoeft die woning niet te verkopen. Behoud van die woning is juist ook in het belang van de kinderen, omdat zij daar nog hun vertrouwde slaapkamers hebben. [gedaagde] stelt dat zij financieel ook in staat is om de woning in [plaats 1] over te nemen. Omdat zij al eigenaar is van de woning, heeft zij meer financieringsmogelijkheden dan wanneer zij een andere woning moet zoeken. Als [eiser] alsnog wil verhuizen dan kan hij door de overwaarde op zijn woning in [plaats 2] makkelijker een nieuwe woning financieren.

Ter onderbouwing van haar vordering om [eiser] te veroordelen om de helft van het overbruggingskrediet af te lossen, voert [gedaagde] aan dat partijen in de woning aan de [adres 1] altijd geleefd hebben alsof die woning hun gezamenlijke woning was. [eiser] heeft ook kenbaar gemaakt dat [gedaagde] zou meeprofiteren van de waardevermeerdering van die woning. Daarnaast geldt dat alle financiën gemengd waren. Partijen gebruikten een gezamenlijke rekening. [gedaagde] stelt dat zij € 32.625,95 meer op die rekening heeft gestort dan [eiser] . Ook zijn er nog andere verrekenposten die tussen partijen verdeeld moeten worden. [gedaagde] acht het daarom redelijk dat [eiser] de helft van het overbruggingskrediet aflost, zodat partijen vervolgens kunnen nagaan hoe de verdere verdeling tussen hen moet worden gedeeld.
3.6.
[eiser] voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
<nr>4</nr>De beoordeling van het geschil
in conventie en in reconventie
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat er aan het gemeenschappelijk eigendom van de woning een [plaats 1] een einde moet komen. Dat blijkt uit de over en weer ingestelde vorderingen. Zij hebben bovendien voldoende onderbouwd dat zij een spoedeisend belang hebben bij het verkrijgen van duidelijkheid over de vraag wie de woning mag overnemen. [gedaagde] woont noodgedwongen samen met de kinderen al ruim een half jaar bij haar ouders. Dat dit een verre van ideale situatie is, behoeft geen uitleg. Zolang [gedaagde] met [eiser] in een gemeenschap blijft, heeft zei echter geen alternatief. Ook voor [eiser] is het van belang dat er snel duidelijkheid komt. Het overbruggingskrediet loopt op 1 oktober 2026 af. Als het krediet niet voor die datum is afgelost, bestaat het risico dat de woning van [eiser] in [plaats 2] door de bank (executoriaal) wordt verkocht, met alle nadelige gevolgen van dien.
4.2.
Partijen willen allebei het aandeel van de ander in de woning in [plaats 1] overnemen. Dat [eiser] daar gelet op de overwaarde van zijn huis in [plaats 2] toe in staat is, staat niet ter discussie. Of [gedaagde] het aandeel van [eiser] kan overnemen, is wel onderwerp van geschil. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [gedaagde] echter voldoende aannemelijk gemaakt dat ook zij [eiser] kan uitkopen. [gedaagde] heeft een advies van haar hypotheekadviseur overgelegd, waaruit blijkt dat zij een bedrag van € 543.440,- kan lenen. Met dit bedrag kunnen de huidige hypotheek (€ 319.240,52), na aftrek van het ongebruikte bouwdepot (€54.705,43), en het overbruggingskrediet (€ 279.000,-) worden afgelost. De door [eiser] gemaakte berekeningen via de websites van De Hypotheker, Independer, Rabobank en ING zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende om de juistheid van dit advies in twijfel te trekken. Weliswaar volgt daaruit een lagere maximale hypotheek, maar niet gebleken is dat bij die berekeningen van dezelfde (hoeveelheid) gegevens is uitgegaan als de gegevens die de hypotheekadviseur heeft gebruikt. [eiser] heeft nog wel terecht opgemerkt dat in de berekening van de hypotheekadviseur geen rekening is gehouden met zijn aandeel in de overwaarde van de woning in [plaats 1] . Dat aandeel bedraagt ongeveer

€ 30.000,-. Nu de ouders van [gedaagde] zich bereid hebben verklaard om een bedrag van (maximaal) € 60.000,- aan [gedaagde] te schenken, is aannemelijk dat ook het aandeel van [eiser] in de overwaarde door [gedaagde] kan worden betaald.
4.3.
Gelet op het voorgaande moet er vooralsnog van uit worden gegaan dat beide partijen tot uitkoop van de andere partij in staat zijn. Bij de beantwoording van de vraag wie de woning mag overnemen, komt het daarom aan op een afweging van de belangen van partijen. De voorzieningenrechter acht het aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat die belangenafweging in het voordeel van [gedaagde] uitvalt. Daarvoor is het volgende van belang. [gedaagde] beschikt op dit moment niet over een eigen woonruimte. Zij woont, als gezegd, op dit moment met de kinderen bij haar ouders. [eiser] heeft daarentegen wel een eigen woning: de woning aan de [adres 1] . Anders dan [eiser] stelt, is niet aannemelijk dat hij die woning op korte termijn moet verlaten. Immers, bij uitkoop door [gedaagde] zal zij het overbruggingskrediet moeten aflossen. Er bestaat dan geen aanleiding meer voor (executoriale) verkoop door de bank. Dat [eiser] graag zijn woning in [plaats 2] wil verkopen en de woning in [plaats 1] wil overnemen om zo dichter bij de kinderen te wonen en te kunnen toewerken naar een zorgregeling waarbij de zorg tussen beide partijen gelijkelijk is verdeeld, weegt niet op tegen het belang van [gedaagde] bij een eigen woning voor haar en de kinderen. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat partijen nog een mediation- en hulpverleningstraject doorlopen om in onderling overleg tot een zorgregeling te komen. Dat dit leidt tot een regeling zoals [eiser] voor ogen staat, is op moment nog niet zeker. Bovendien is het gelet op de overwaarde op de woning in [plaats 2] aannemelijk dat het voor [eiser] niet moeilijk zal zijn om een andere, vergelijkbare, woning in [plaats 1] te kopen, terwijl de mogelijkheden daarvoor voor [gedaagde] veel beperkter zijn.
4.4.
De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat [gedaagde] eerst de gelegenheid moet krijgen om de woning in [plaats 1] over te nemen. [eiser] zal dan ook worden veroordeeld om zijn medewerking daaraan te verlenen. Als na ommekomst van een termijn van drie maanden blijkt dat [gedaagde] toch niet in staat is de woning te financieren en [eiser] uit te kopen, zal zij haar medewerking moeten verlenen aan de overdracht van de woning aan [eiser] .

in reconventie
4.5.
[gedaagde] vordert ook dat [eiser] wordt veroordeeld om de helft van het overbruggingskrediet af te lossen. Ter onderbouwing daarvan voert zij aan dat partijen altijd geleefd hebben alsof de woning aan de [adres 1] hun gezamenlijk woning was. Voor zover [gedaagde] daarmee bedoelt dat zij aanspraak heeft op de helft van de overwaarde van die woning, volgt de voorzieningenrechter haar haar daarin niet. In de samenlevingsovereenkomst is uitdrukkelijk bepaald dat de waardeverandering van de woning aan de [adres 1] voor [eiser] blijft en niet tussen partijen wordt gedeeld. Dat [eiser] in 2021 een Whatsapp-bericht er blijk van heeft gegeven dat hij [gedaagde] als mede-eigenaar van de woning beschouwde, doet geen afbreuk aan die afspraak.
4.6.
[gedaagde] heeft er verder nog op gewezen dat zij een groter bedrag op de gezamenlijke rekening heeft gestort dan [eiser] , dat zij diverse investeringen heeft gedaan in de woningen in [plaats 2] en [plaats 1] en dat [eiser] de belastingaanslagen ten aanzien van de woning in [plaats 1] niet met haar heeft gedeeld. In reactie hierop heeft [eiser] aangevoerd dat hij vanaf zijn eigen rekening verschillende uitgaven heeft gedaan ten behoeve van de samenleving en de financiering van de aanschaf van de woning in [plaats 1] . Het komt er dus op neer dat partijen over en weer stellen dat zij nog geld van elkaar tegoed hebben. Of dat juist is en in hoeverre dat leidt tot te verrekenen vorderingen over en weer vraagt nader onderzoek en/of nadere bewijslevering. Daarvoor is in dit kort geding geen plaats, nog afgezien van de omstandigheid dat in kort geding terughoudendheid wordt betracht met het toewijzen van geldvorderingen. Er bestaat naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook geen grond om [eiser] in verband met die gestelde verrekenposten [eiser] bij wijze van voorlopige voorziening te veroordelen om de helft van het overbruggingskrediet af te lossen of bedragen te betalen of te verrekenen. Nog daargelaten dat niet is gebleken dat [gedaagde] een spoedeisend belang heeft bij die voorziening.

in conventie en in reconventie
4.7.
In de omstandigheid dat partijen een affectieve relatie hebben onderhouden, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
<nr>5</nr>De beslissing
De voorzieningenrechter:

in conventie en in reconventie
5.1.
bepaalt dat [gedaagde] tot 14 juli 2026 de gelegenheid krijgt om het aandeel van [eiser] in de woning gelegen aan de [adres 2] over te nemen;
5.2.
veroordeelt [eiser] om binnen zeven dagen na een daartoe door [gedaagde] gedaan schriftelijk verzoek zijn volledige medewerking te verlenen aan de overdracht van zijn aandeel in voornoemde woning aan [gedaagde] , waaronder begrepen het ondertekenen van alle daartoe benodigde documenten en het verschijnen bij de notaris op de door deze te bepalen datum;
5.3.
bepaalt dat als [eiser] niet voldoet aan de veroordeling onder 5.2. dit vonnis in de plaats treedt van het deel van de notariële akte van levering, waaruit moet blijken van de wilsverklaring van [eiser] dat hij zijn aandeel in de woning levert aan [gedaagde] ;
5.4.
veroordeelt [gedaagde] om, in het geval zij niet in staat blijkt om uiterlijk op de in 5.1 bepaalde datum het aandeel van [eiser] in de woning over te nemen, binnen zeven dagen na een daartoe door [eiser] gedaan schriftelijk verzoek haar volledige medewerking te verlenen aan de overdracht van haar aandeel in de woning aan de [adres 2] aan [eiser] , waaronder begrepen het ondertekenen van alle daartoe benodigde documenten en het verschijnen bij de notaris op de door deze te bepalen datum;
5.5.
bepaalt dat als [gedaagde] niet voldoet aan de veroordeling onder 5.5. dit vonnis in de plaats treedt van het deel van de notariële akte van levering, waaruit moet blijken van de wilsverklaring van [gedaagde] dat zij haar aandeel in de woning levert aan [eiser] ;
5.6.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
5.7.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.8.
wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.

EI

Artikel delen