ECLI:NL:RBDHA:2026:21745text/xmlpublic2026-08-04T15:14:062026-08-04Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2026-07-31NL26.9717UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLArnhemBestuursrecht; VreemdelingenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21745text/htmlpublic2026-08-04T15:13:182026-08-04Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2026:21745 Rechtbank Den Haag , 31-07-2026 / NL26.9717 Geloofwaardigheid, Nigeria, Bandits, beroep ongegrond.
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL26.9717
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser (gemachtigde: mr. R.J. Schenkman), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. S.H. de Vries). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De rechtbank komt tot het oordeel dat de minister aan eiser terecht heeft tegengeworpen dat hij ongeloofwaardig heeft verklaard over zijn gestelde problemen met een criminele groepering en dat zijn Nigeriaanse nationaliteit op zichzelf onvoldoende is voor een verblijfsvergunning. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 16 februari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is van Nigeriaanse nationaliteit en is geboren op [datum] 1999. Hij verklaart dat hij in zijn dorp is benaderd door de [criminele groep] om voor hen te werken. Hem werd een bedrag van 300.000 Naira gegeven en hem werd beloofd dat hij een motorfiets zou krijgen. Toen eiser de opdracht weigerde is hij naar eigen zeggen bedreigd en zouden zijn twee broers en oom door de [groep] zijn vermoord nadat eiser vluchtte. Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: Identiteit, nationaliteit en herkomst; Problemen met de [groep] . 4.1. De minister stelt zich op het standpunt dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. De minister stelt zich verder op het standpunt dat eisers gestelde problemen met de [groep] ongeloofwaardig zijn. Aan dit standpunt legt de minister ten grondslag dat eiser dit asielmotief niet geheel met objectieve documenten heeft onderbouwd, dat hij daarover niet samenhangend en aannemelijk verklaart en dat hij ook op grote lijnen niet geloofwaardig is. De minister stelt zich verder op het standpunt dat eisers Nigeriaanse nationaliteit onvoldoende is voor een verblijfsvergunning. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag moet worden afgewezen. Heeft de minister de asielmotieven juist vastgesteld?
5. Eiser betoogt dat de minister de ontmoeting met de [groep] ten onrechte niet als apart asielmotief heeft aangemerkt. Volgens eiser maakt het geloofwaardig bevinden van dit asielmotief het overige relaas van eiser ook geloofwaardiger. 5.1. Het betoog slaagt niet. De minister heeft het relaas van eiser zo kunnen begrijpen dat de ondervonden problemen met de [groep] als asielmotief zijn aangedragen. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat de ontmoeting met de [groep] in de bestreden besluitvorming aan de orde is geweest, daar waar de minister eiser tegenwerpt dat zijn verklaringen over de gestelde ontmoetingen met de [groep] vaag en ongerijmd zijn. Het is niet zo dat de gestelde ontmoeting geloofwaardiger is als deze als apart asielmotief wordt aangemerkt en dus ook niet zo dat deze gebeurtenis, indien deze als los asielmotief was aangemerkt, van invloed was geweest op de rest van de beoordeling. Heeft de minister de problemen met de [groep] terecht ongeloofwaardig geacht?
6. De rechtbank stelt voorop dat zij, gelet op het arrest van het Hof van Justitie in Ebilum, het standpunt over de geloofwaardigheid van de door een betrokkene afgelegde verklaringen voortaan zonder enige terughoudendheid zal beoordelen. Het Hof van Justitie heeft namelijk geoordeeld dat de asielrechter een volledig onderzoek moet verrichten van de relevante feitelijke elementen. De rechtbank zal daarom niet langer, wanneer zij het standpunt van de minister over de geloofwaardigheid toetst, beoordelen of de minister zich ‘niet ten onrechte’ op een bepaald standpunt heeft gesteld. 6.1. Niet in geschil is dat eiser zijn verklaringen over de problemen met de [groep] niet heeft onderbouwd met (objectieve) documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, vijfde lid onder c en e van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser heeft niet samenhangend en aannemelijk verklaard en de verklaringen van eiser zijn in strijd met beschikbare landeninformatie
7. Eiser betoogt dat de minister hem ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij niet samenhangend en aannemelijk heeft verklaard over de gestelde problemen met de [groep] . 7.1. Dit betoog slaagt niet. De minister heeft eiser terecht tegengeworpen dat hij niet samenhangend en aannemelijk verklaart over zijn gestelde problemen met de [groep] en dat zijn verklaringen ook niet rijmen met over de [groep] beschikbare landeninformatie. De rechtbank bespreekt hieronder het standpunt van de minister aan de hand van de gronden van eiser. Eiser verklaart vaag en ongerijmd over zijn contact met de [groep]
8. Uit landeninformatie blijkt volgens eiser dat de [groep] aanzienlijke problemen veroorzaken en de minister erkent volgens eiser het bestaan van de [groep] . Daarom is volgens eiser aannemelijk dat hij met de [groep] in contact is gekomen. Eiser wijst er verder op dat hij in het gehoor consistent heeft verklaard over hoe hij met de [groep] in contact is gekomen. Eiser wijst erop dat de [groep] hem hebben verleid met geld en met het vooruitzicht dat voor hem een motorfiets zou worden gekocht. Eiser had weinig geld en is daarom op dit aanbod ingegaan. De beloften aan eiser werden gedaan door Alhadji, een invloedrijk persoon. Volgens eiser heeft de minister miskend dat hij na het aannemen van het geldbedrag in de tang zat bij de [groep] en niet meer kon ontsnappen. Daarna heeft eiser de opdracht van de [groep] niet uitgevoerd en hij heeft het geld gehouden. Ook heeft eiser de belofte die hij de [groep] heeft gedaan, om met niemand te praten verbroken toen hij alles aan zijn oom vertelde. 8.1. De minister werpt eiser terecht tegen dat uiterst bevreemdend is dat eiser, voordat hij wist welke werkzaamheden hij zou moeten doen, geld aanneemt van een groep vrienden die later [groep] bleken te zijn en dat hij, toen hij van zijn oom hoorde dat deze vrienden [groep] waren en dat hij niet naar buiten moest gaan, toch naar buiten ging. De rechtbank volgt verder niet het betoog van eiser dat hij na het ontvangen van het geldbedrag niet meer zou kunnen ontsnappen, nu uit het nader gehoor blijkt dat hij er ook niet aan heeft gedacht om het geldbedrag terug te geven. Eiser geeft geen verklaring voor deze bevreemdende gang van zaken. Verder werpt de minister eiser terecht tegen dat de omstandigheid dat eiser weet wie de [groep] zijn, de gang van zaken niet minder bevreemdend maakt nu eiser ook heeft verklaard dat de [groep] hun werkzaamheden openlijk uitvoeren, zodat moet worden aangenomen dat heel veel mensen moeten weten wie ze zijn. Eiser wordt er niet in gevolgd dat de [groep] eiser overal zouden kunnen vinden
9. Eiser betoogt dat de minister hem ten onrechte heeft tegengeworpen dat niet aannemelijk is dat de [groep] hem in heel Nigeria zouden kunnen vinden. Eiser wijst erop dat hij na zijn vlucht naar Lagos is vertrokken en dat hij daar twee [groep] ( [groepsleden] ) heeft gezien toen hij onder een brug sliep. Verder wijst eiser erop dat de [groep] samenwerken met Hausa-stamhoofden en dat van hem een foto is gemaakt. 9.1. De minister wijst terecht op landeninformatie waaruit volgt dat de [groep] inderdaad landelijk actief zijn en grote problemen veroorzaken, maar ook dat het geen samenhangende, homogene organisatie betreft en dat het gaat om gefragmenteerde bendes die onafhankelijk van elkaar opereren. Tijdens de zitting heeft de minister verduidelijkt dat hij gelooft dat er [groep] zijn (als in bandieten) die soms in groepen samenwerken en dat dit een landelijk probleem is, maar dat niet geloofwaardig is dat een specifieke criminele groep bestaat met de naam ‘ [groep] ’ waarmee eiser problemen heeft. Daarmee valt niet in te zien dat als eiser naar een ander deel van Nigeria zou vertrekken de daar opererende Bandit-groeperingen zouden weten wie hij is, ook al werken zij samen met Hausa-stamhoofden en is van eiser een foto gemaakt. De minister wijst er in dit kader bovendien terecht op dat in Nigeria 200 miljoen mensen wonen en dat het opsporen van één persoon op grond van een foto heel lastig zal zijn. Verder wijst de minister er terecht op dat, zoals uit voorgaande blijkt, eiser niet erg belangrijk kan zijn voor de [groep] en dat daarom temeer onaannemelijk is dat zij hem vier jaar na dato nog zouden zoeken. De minister wijst er terecht op dat eiser niet van familieleden heeft vernomen dat zij na vertrek van eiser uit Nigeria nog problemen hebben ondervonden. Eiser heeft vaag verklaard over de [groep] en de gestelde moord op zijn broers en oom
10. Eiser betoogt dat aannemelijk en geloofwaardig is dat de broers en oom van eiser zijn vermoord door [groep] omdat zij geen problemen hadden met de anderen. 10.1. De minister werpt eiser terecht tegen dat niet geloofwaardig is dat zijn oom en broers zijn vermoord door de [groep] , en dat eiser dat op aannames baseert. Eiser verklaart daarover namelijk niet te weten of de moord losstaat van zijn gestelde problemen, maar gelooft wel de verklaringen van zijn broer, die heeft kunnen vluchten naar Mali. Eisers broer heeft volgens eiser verklaard dat het ging om mannen op een brommer die schoten, zodat ook op grond van de verklaringen van de broer onduidelijk blijft wie waarom op de broers en oom van eiser heeft geschoten. Eiser heeft geen bewijs van de dood van zijn broers en oom. Eiser verklaart in strijd met beschikbare landeninformatie
11. Eiser heeft het standpunt van de minister niet bestreden dat ongeloofwaardig is dat eiser geen bescherming zou kunnen vinden bij de Nigeriaanse autoriteiten. Kort gezegd stelt de minister zich daarover op het standpunt dat uit landeninformatie niet blijkt dat de [groep] gelieerd zijn aan de Nigeriaanse autoriteiten of aan de politie in het bijzonder. De rechtbank volgt daarom deze tegenwerping. Eiser kan niet op grote lijnen als geloofwaardig worden aangemerkt
12. Eiser betoogt dat de minister hem ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij niet op grote lijnen als geloofwaardig kan worden aangemerkt. Eiser betoogt daartoe dat eiser zijn visumaanvraag uit 2019 niet heeft verzwegen en dat de hoormedewerker daarover had moeten doorvragen. Verder heeft eiser niet gelogen over zijn leeftijd en betreft het een misverstand. 12.1. Het betoog slaagt niet. De minister heeft aan eiser terecht tegengeworpen dat hij niet op grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd. Daaraan legt de minister terecht ten grondslag dat eiser niet heeft vermeld dat in 2019 een visumaanvraag namens hem is gedaan en dat hij dit, toen hem werd gevraagd naar andere visa, wel had moeten melden. Eiser heeft wel verklaard in 2022 een aanvraag te hebben gedaan zodat niet valt in te zien waarom hij de aanvraag uit 2019 niet zou vermelden. Dat mag door de minister dan ook aan eiser worden tegengeworpen. Verder betoogt eiser dat zijn wisselende verklaringen over zijn leeftijd berusten op een misverstand, maar concretiseert zijn betoog niet nader. Daarmee heeft eiser niet verschoonbaar verklaard over het verschil van vijf jaar tussen de door hem opgegeven leeftijden. Eiser heeft immers zowel verklaard te zijn geboren op [datum] 1999 als op [datum] 2004. Conclusie en gevolgen 13. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid van mr. R.C. Lubbers, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Daarmee voldoet eiser volgens de minister niet aan de criteria van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c en e, van de Vw 2000, zoals dat artikel luidde tot 12 juni 2026. HvJEU 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448, onder 58. Zoals dat artikel luidde tot 12 juni 2026.