Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2026:21758

Bewaring. Lichter middel, gegrond.

Rechtbank Den Haag 4 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:21758 text/xml public 2026-08-04T15:31:04 2026-08-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-08-04 NL26.42855 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21758 text/html public 2026-08-04T15:29:13 2026-08-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:21758 Rechtbank Den Haag , 04-08-2026 / NL26.42855
Bewaring. Lichter middel, gegrond.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.42855
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. D. Schaap),

en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. S.J. Versteeg).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. De maatregel van vreemdelingenbewaring is vanaf vandaag onrechtmatig. De minister moet kiezen voor een lichter middel. Er is geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Bij besluit van 29 juli 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw opgelegd. Verweerder heeft de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 4 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen N. Jesajan. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader

3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast, en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.

Lichter middel

4. Eiser betwist de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet, maar voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, omdat hij tot medewerking aan zijn vertrek bereid is. Eiser heeft begrepen dat hij asielrechtelijk uitgeprocedeerd is. Hij legt zich hierbij neer en wil graag zo snel mogelijk samen met zijn familie terugkeren naar Armenië. Hij beschikt over een geldig paspoort waardoor een terugkeer eenvoudig te realiseren is.
4.1.
Verweerder stelt dat er na het besluit van 4 april 2026 verschillende vertrekgesprekken zijn gevoerd waarin eiser herhaaldelijk heeft aangegeven dat hij niet wil meewerken aan zijn vertrek. Dat hij ter zitting stelt dat hij wel wil meewerken, maakt niet dat dit tot oplegging van een lichter middel moet leiden.
4.2.
De rechtbank kan verweerder volgen voor zover verweerder erop wijst dat eiser eerder te kennen heeft gegeven dat hij niet mee wil werken aan terugkeer naar Armenië. Verweerder stelt zich naar oordeel van de rechtbank echter thans ten onrechte op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend kunnen worden toegepast. De reden hiervoor is dat uit het dossier en ter zitting is gebleken dat eiser inmiddels inziet dat hij moet terugkeren naar Armenië. Eiser heeft in het vertrekgesprek van 3 augustus 2026 ook verklaard dat hij (samen met zijn familie) wil terugkeren naar Armenië en daartoe graag in contact wil komen met de International Organization for Migration (IOM). Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij de dag voor de zitting met een medewerker van de IOM heeft gesproken en zijn handtekening heeft gezet om terug te keren met hulp van de IOM. Zijn familie zal op de dag van de zitting ook met de IOM spreken en ervoor tekenen om samen met eiser terug te keren naar Armenië. Eiser wil zich daarom bij zijn familie voegen en samen terugkeren. De rechtbank ziet geen reden om aan deze verklaringen van eiser te twijfelen. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Op wat verder nog is aangevoerd hoeft niet meer te worden ingegaan. Deze maatregel is tot aan de dag van de zitting, 4 augustus 2026, rechtmatig maar vanaf deze datum onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van 4 augustus 2026.
5.1.
Omdat de vreemdelingenbewaring niet onrechtmatig is geweest voordat de dag waarop de vreemdelingenbewaring is opgeheven, ziet de rechtbank geen aanleiding om eiser schadevergoeding toe te kennen. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
5.2.
Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af;

- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Op den Kamp, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.

Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.

Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.

Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.

Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.

Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.

Artikel delen