ECLI:NL:RBDHA:2026:21763text/xmlpublic2026-08-04T15:38:042026-08-04Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2026-08-04NL26.41773UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLMiddelburgBestuursrecht; VreemdelingenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21763text/htmlpublic2026-08-04T15:37:332026-08-04Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2026:21763 Rechtbank Den Haag , 04-08-2026 / NL26.41773 Vervolgberoep vreemdelingenbewaring – zicht op uitzetting – voortvarend handelen – beroep ongegrond.
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL26.41773
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser (gemachtigde: mr. W.A.E.M. Amesz), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder.Procesverloop Verweerder heeft op 11 mei 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. De rechtbank heeft op 23 juli 2026 een kennisgeving ontvangen over het voortduren van de maatregel. Daarmee wordt eiser geacht tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep te hebben ingesteld en daarbij te hebben verzocht om een schadevergoeding. Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd. De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 30 juli 2026. Overwegingen 1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1994 en de Algerijnse nationaliteit te hebben. 2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. 3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 21 mei 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, 20 mei 2026, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds 20 mei 2026. 4. Eiser voert aan dat geen sprake is van zicht op uitzetting. Sinds 15 augustus 2025 is geen reactie van de Algerijnse autoriteiten op de lp-aanvraag ontvangen. Daarnaast hebben andere landen negatief geantwoord op het identiteitsonderzoek. Verder voert eiser aan dat niet voortvarend aan zijn uitzetting wordt gewerkt, ondanks dat met hem vertrekgesprekken worden gevoerd. 5. Eiser wordt hierin niet gevolgd. Zoals de rechtbank reeds in haar uitspraak van 21 mei 2026 heeft geoordeeld, bestaat in het algemeen zicht op uitzetting naar Algerije en is niet gebleken dat dit voor eiser anders is. Dat tot op heden geen reactie van de Algerijnse autoriteiten op de lp-aanvraag is ontvangen, leidt niet tot een ander oordeel. De lp-aanvraag is in behandeling genomen en niet is gebleken dat aan eiser geen reisdocument zal worden verstrekt. Daarnaast neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser tot op heden zelf geen inspanning heeft verricht om mee te werken aan de afgifte van een lp. Er kan dan ook niet worden vastgesteld dat de Algerijnse autoriteiten ondanks een volledige medewerking van eiser niet bereid zullen zijn om binnen afzienbare tijd een lp af te geven. 6. Uit het voortgangsrapport blijkt verder dat verweerder sinds 20 mei 2026 drie keer heeft gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten en drie vertrekgesprekken heeft gevoerd met eiser. Daarnaast heeft verweerder een onderzoek uitgezet bij Duitsland, Frankrijk en Spanje uitgezet naar de identiteit en nationaliteit van eiser, al heeft dit niet tot een positief resultaat geleid. Naar het oordeel van de rechtbank werkt verweerder met deze handelingen voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. 7. Ook overigens is er geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is. 8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan op 4 augustus 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Vreemdelingenwet 2000. ECLI:NL:RBDHA:2026:12967. Aanvraag voor een laissez-passer. Rechtsoverweging 9 van de uitspraak van 21 mei 2026.