Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2026:21765

Beroep – ophouding – aanhouding – ongegrond – geen pkv.

Rechtbank Den Haag 4 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:21765 text/xml public 2026-08-04T15:41:35 2026-08-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-08-04 NL26.41500 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Middelburg Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21765 text/html public 2026-08-04T15:41:18 2026-08-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:21765 Rechtbank Den Haag , 04-08-2026 / NL26.41500
Beroep – ophouding – aanhouding – ongegrond – geen pkv.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.41500
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], eiserV-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),

en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. R. Hopman).
Procesverloop
Verweerder heeft eiser op 22 juli 2026 om 17:13 uur opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de staandehouding en ophouding. Daarbij heeft hij verzocht om een schadevergoeding.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Omdat geen van de partijen, nadat zij zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord, heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting verder achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek op 4 augustus 2026 gesloten.
Overwegingen
Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1995 en heeft de Marokkaanse nationaliteit.

Eiser stelt dat zijn staandehouding/aanhouding voorafgaand aan de ophouding, alsmede de ophouding op 22 juli 2026, onrechtmatig zijn geweest. Uit eisers dossier volgt dat hij zich na binnentreden in de woning heeft gelegitimeerd met een geldig Marokkaans paspoort, waardoor evident geen sprake is van handelen in strijd met de identificatieplicht. Eiser is daarom ten onrechte opgehouden teneinde de vaststelling van zijn identiteit en pas op 24 juli 2026 in vrijheid gesteld. Verder was al op 22 juli 2026 bekend dat eiser niet in het bezit is van een geldig visum of verblijfsdocument. Omdat geen sprake was van een strafbaar feit, noch van een redelijke verdenking daarvan, is hier sprake van een verkapte vreemdelingrechtelijke aanhouding/staandehouding en ophouding.

Uit het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van eisers aanhouding van 22 juli 2026 blijkt dat twee verbalisanten een woning doorzochten in verband met de Wet wapens en munitie en eiser in die woning slapend is aangetroffen. Dit was voor de verbalisanten reden om van eiser een geldig identificatiebewijs te vorderen, waarna hij een Marokkaans paspoort, zonder visum, heeft overgelegd. Eiser is aldaar aangehouden op grond van artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht en artikel 2 van de Wet op de identificatieplicht wegens het niet kunnen vaststellen van zijn verblijfsrechtelijke positie.

De rechtbank overweegt allereerst dat uit het voorgenoemde stuk volgt dat eisers aanhouding heeft plaatsgevonden in het kader van strafrechtelijk optreden en niet in het kader van de uitoefening van vreemdelingrechtelijke bevoegdheden. Uit het proces-verbaal van ophouding en onderzoek (M105-A) blijkt verder voldoende dat de daaropvolgende overname en ophouding van eiser heeft plaatsgevonden op grond van artikel 50a, derde lid, van de Vw. Eisers identiteit kon onmiddellijk worden vastgesteld, maar niet is onmiddellijk gebleken dat eiser rechtmatig verblijf had. De rechtbank is van oordeel dat daarbij sprake is van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf, vanwege het ontbreken van een visum en ziet daarom geen grond voor het oordeel dat sprake is van een verkapte vreemdelingrechtelijke aanhouding. Uit de verlenging van de ophouding van eiser (M105-E) op grond van artikel 50, vierde lid, van de Vw en artikel 4.20 van het Vb volgt verder dat eisers verklaringen in het identiteitsgehoor over zijn aanvraag tot verblijf in Spanje, nader onderzoek naar zijn verblijfsrechtelijke status in Spanje vereisten, zodat een juiste keuze kon worden gemaakt over het vreemdelingrechtelijke vervolgtraject.

5. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat het niet aan de rechter in vreemdelingenzaken is om te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vw toegekende bevoegdheden. Dit is anders indien de strafrechter hierover een oordeel heeft gegeven of indien sprake is van verkapt vreemdelingrechtelijk toezicht. Daarvan is in deze echter geen sprake. Dit betekent dat de rechtbank de staandehouding/aanhouding van eiser in deze procedure niet op rechtmatigheid kan beoordelen. De ophouding was gelet op wat hiervoor is overwogen niet onrechtmatig.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om een schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 4 augustus 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Vreemdelingenwet 2000.

Vreemdelingenbesluit 2000.

Artikel delen