Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2026:21769

Bewaring. PKV voor het indienen van gronden onder het regime van artikel 94 Vw. Gelet op de bewoording van het Besluit proceskosten bestuursrecht betekent het wegvallen van de mogelijkheid om beroep in te stellen ook dat rechtsbijstandverleners niet langer vergoed kunnen worden voor het indienen van de gronden van beroep. De rechtbank acht dit, vanuit een oogpunt van effectieve rechtsbeschermi...

Rechtbank Den Haag 4 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:21769 text/xml public 2026-08-04T15:45:04 2026-08-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-08-04 NL26.41814 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Groningen Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21769 text/html public 2026-08-04T15:41:43 2026-08-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:21769 Rechtbank Den Haag , 04-08-2026 / NL26.41814
Bewaring. PKV voor het indienen van gronden onder het regime van artikel 94 Vw. Gelet op de bewoording van het Besluit proceskosten bestuursrecht betekent het wegvallen van de mogelijkheid om beroep in te stellen ook dat rechtsbijstandverleners niet langer vergoed kunnen worden voor het indienen van de gronden van beroep. De rechtbank acht dit, vanuit een oogpunt van effectieve rechtsbescherming, een onjuiste uitleg van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.41814
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser,
V-nummer: [v-nummer],

(gemachtigde: mr. H.W. Omvlee),

en
de minister van Asiel en Migratie, de minister. Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring aan eiser. Tijdens de beroepsprocedure heeft de minister de bewaring opgeheven en eiser schadevergoeding aangeboden voor de volledige periode van inbewaringstelling. Omdat eiser zich ten aanzien van deze schadevergoeding dan ook kan wenden tot de minister, beperkt de beoordeling van de rechtbank zich tot de vraag of de proceskosten van eiser vergoed moeten worden.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is en dat de minister de proceskosten van eiser moet vergoeden. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. De minister heeft eiser op 24 juli 2026 op grond van artikel 59a, eerste lid, Vw in bewaring gesteld en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.1.
Op 29 juli 2026 heeft de minister de bewaring opgeheven en eiser schadevergoeding aangeboden voor de volledige periode van inbewaringstelling.
2.2.
Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb en met instemming van partijen heeft de rechtbank bepaald het onderzoek ter zitting achterwege te laten. De rechtbank sluit het onderzoek.
Beoordeling door de rechtbank
Wat vindt eiser?

3. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister ten onrechte heeft nagelaten om naast de schadevergoeding ook een proceskostenvergoeding aan te bieden. De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, heeft eerder geoordeeld dat ook in zaken die door middel van een kennisgeving aanhangig zijn geworden, aanspraak bestaat op een proceskostenvergoeding indien de minister de maatregel wegens onrechtmatigheid opheft nadat de zaak bij de rechtbank aanhangig is geworden. Daarbij heeft de rechtbank expliciet overwogen dat niet bepalend is of er al beroepsgronden zijn ingediend. Ook de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat de gemachtigde niet langer zelf een beroepschrift hoeft in te dienen, onvoldoende reden vormt om een proceskostenvergoeding te weigeren.

Wat oordeelt de rechtbank?

4. De rechtbank overweegt dat uit de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht volgt dat het bedrag van de kosten, bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, wordt vastgesteld door aan de verrichte proceshandelingen punten toe te kennen. Eén zo’n proceshandeling is het indienen van een beroepschrift. Aan deze handeling komt 1 punt toe.
4.1.
Hoewel uit artikel 94, eerste lid, Vw volgt dat zodra de rechtbank de kennisgeving heeft ontvangen de vreemdeling geacht wordt beroep te hebben ingesteld tegen het besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel, betekent dit naar het oordeel van de rechtbank niet dat met de verzending van de kennisgeving ook een proceshandeling is verricht die in aanmerking komt voor vergoeding. Eiser en zijn gemachtigde hebben immers simpelweg geen proceshandeling verricht zoals genoemd in het Besluit proceskosten bestuursrecht, terwijl de vergoeding voor kosten van rechtsbijstand moet worden vastgesteld met toepassing van dat besluit, dat een forfaitair vergoedingenstelsel bevat.
4.2.
Een afwijking van dit vergoedingenstelsel is evenwel mogelijk. De rechtbank oordeelt dat in het geval van eiser sprake is van bijzondere omstandigheden die een afwijking van dit stelsel rechtvaardigen.
4.3.
Daartoe overweegt de rechtbank dat de wetgever er met het systeem van artikel 94, eerste lid Vw, voor heeft gekozen de toetsing van de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring ambtshalve aan de rechter voor te leggen door middel van het verzenden van een kennisgeving. De mogelijkheid voor het instellen van beroep door de vreemdeling is daarmee niet (meer) opgenomen in de Vw.
4.4.
Gelet op de bewoording van het Besluit proceskosten bestuursrecht (en zoals uiteengezet onder 4.1.) betekent dit dat de mogelijkheid tot het indienen van een beroepsschrift in het geval van een maatregel van vrijheidsbeneming niet langer bestaat als proceshandeling die voor vergoeding in aanmerking komt. Omdat het beroepsschrift geacht wordt gronden van beroep te bevatten en in het Besluit proceskosten bestuursrecht geen aparte voorziening bestaat voor het (los) indienen van gronden van beroep, betekent dit dat met het wegvallen van de mogelijkheid tot het instellen van beroep, rechtsbijstandverleners ook niet langer vergoed kunnen worden voor het indienen van de gronden van beroep. De rechtbank acht dit, vanuit een oogpunt van effectieve rechtsbescherming, een onjuiste uitleg van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
4.5.
Naar het oordeel van de rechtbank is met de systematiek van artikel 94 Vw sprake van een dusdanig bijzondere omstandigheid dat deze een afwijking van het forfaitaire systeem van het Besluit proceskosten bestuursrecht rechtvaardigt. In het geval een maatregel van vrijheidsontneming via een kennisgeving als bedoeld in artikel 94, tweede lid, Vw bij de rechtbank aanhangig wordt, én de vreemdeling dient vóór de behandeling op de zitting gronden van beroep in, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een proceshandeling analoog met het indienen van een beroepsschrift. Daarmee is sprake van een aantoonbare proceshandeling die voor vergoeding in aanmerking komt.
4.6.
Het beroep is daarom gegrond en eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank stelt deze vergoeding vast op € 934,-, omdat gemachtigde van eiser tijdig gronden van beroep heeft ingediend, analoog naar het indienen van een beroepsschrift.
Beslissing
De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;- veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Hierna: de bewaring.

Op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

Vreemdelingenwet 2000.

Op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

Algemene wet bestuursrecht.

Rechtbank Den Haag, 29 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:17723, r.o. 8.2.2-8.2.3.

Rechtbank Den Haag, 16 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:19617, r.o. 16.

In de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 24 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1329.

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 24 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1329.

Dit volgt uit artikel 6:5, eerste lid, sub d, Awb.

Artikel delen