ECLI:NL:RBDHA:2026:21778text/xmlpublic2026-08-04T16:45:042026-08-04Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2026-08-04NL26.41410UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLGroningenBestuursrecht; VreemdelingenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21778text/htmlpublic2026-08-04T16:44:192026-08-04Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2026:21778 Rechtbank Den Haag , 04-08-2026 / NL26.41410 Bewaring, ongegrond.
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL26.41410
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser, V-nummer: [v-nummer],
(gemachtigde: mr. H.W. Omvlee), en de minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: mr. I van Es). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring aan eiser. Eiser is het hier niet mee eens. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. De maatregel is op goede gronden opgelegd en de minister heeft kunnen afzien van het gebruik van een lichter middel. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Procesverloop 2. De minister heeft eiser op 22 juli 2026 op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw in bewaring gesteld en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. 2.1. De rechtbank heeft het beroep op 31 juli 2026 en met behulp van telehoren op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen op het detentiecentrum Rotterdam. De tolk is verschenen op de rechtbank in Groningen. De minister heeft zich op de rechtbank laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten. Beoordeling door de rechtbank 3. De minister heeft in de maatregel van bewaring overwogen dat deze wordt opgelegd omdat er een onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Hiertoe overweegt de minister dat eiser: a. a) Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
b) eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
c) eiser niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
h) te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
j) een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;
p) zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
q) meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
r) geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s) niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
t) verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld. 3.1. De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Voorts heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (een lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast. 3.2. Op de zitting heeft de minister grond t) laten vallen. Voortraject
4. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig. Grondslag
5. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft nu aan eiser op
9 april 2026 een terugkeerbesluit is opgelegd. Die beslissing staat in rechte vast; eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd. Gronden
6. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet heeft betwist. De maatregel is gemotiveerd en er zijn ten minste twee van de gronden, bedoeld in het tweede lid van artikel 5.6, van het Vb 2000 aanwezig. Daarmee is voldaan aan de in artikel 5.6 neergelegde voorwaarde voor inbewaringstelling en is er voldoende reden om aan te nemen dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, dan wel dat hij de voorbereiding van vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De rechtbank laat de beoordeling van de individuele gronden onbesproken. Lichter middel
7. De rechtbank stelt vast dat de minister de medische omstandigheden van eiser voldoende heeft betrokken bij de oplegging van de maatregel van bewaring. Daarbij is de minister ook afdoende ingegaan op een eventuele suïcidedreiging. Anders dan eiser stelt heeft de minister wel degelijk uitgelegd waarom eisers medische omstandigheden en suïcidale gedachten niet tot een andere afweging leiden, namelijk omdat de zorg die eiser in dit kader mogelijk nodig heeft in het detentiecentrum aanwezig is en bovendien gelijk is aan de zorg in de vrije maatschappij. Eiser heeft niet onderbouwd welke omstandigheid de minister anders had moeten wegen of op welk punt de afweging van de minister tekort schiet. De enkele stelling dat dit zo is, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. De minister heeft in de medische omstandigheden van eiser geen aanleiding hoeven zien voor het toepassen van een lichter middel dan bewaring. 7.1. Voorts oordeelt de rechtbank dat de minister bij zijn afweging heeft kunnen betrekken dat eiser reeds eerder de mogelijkheid had om zelfstandig te vertrekken maar dit niet heeft gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister reeds hierom kunnen afzien van het opleggen van een meldplicht. Dat eiser een vriendin in Amsterdam heeft en daarmee (wellicht) een controleerbaar adres kan daar niet aan af doen, nog daargelaten dat eiser haar volledige naam, geboortedatum of adres niet kent. De rechtbank is ook overigens niet gebleken van omstandigheden die aanleiding geven voor het oordeel dat de bewaring onevenredig bezwarend is of dat de minister aanleiding had moeten zien eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen. Voortvarendheid en zicht op uitzetting
8. De minister heeft op dag 2 van de bewaring de laissez-passer voor eiser ontvangen en diezelfde dag voor hem een vlucht geboekt. De rechtbank zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken die aanleiding geven voor het oordeel dat dit onvoldoende voortvarend is. Met het afgeven van de laissez-passer is ook het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn gegeven. Conclusie
9. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is. 10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Hierna: de bewaring. Op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Vreemdelingenwet 2000. Op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Vreemdelingenbesluit 2000. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 22 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:777. Zie ook Hof van Justitie van de Europese Unie, 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en Hof van Justitie van de Europese Unie, 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148 (Aroja).