ECLI:NL:RBDHA:2026:21779text/xmlpublic2026-08-04T16:47:342026-08-04Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2026-08-04NL26.42002UitspraakEerste aanleg - enkelvoudigNLGroningenBestuursrecht; VreemdelingenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21779text/htmlpublic2026-08-04T16:46:422026-08-04Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2026:21779 Rechtbank Den Haag , 04-08-2026 / NL26.42002 Bewaring, ongegrond.
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL26.42002 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser, V-nummer: [v-nummer],
(gemachtigde: mr. H.J.M. Nijholt), en de minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: mr. I. van Es). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring aan eiser. Eiser is het hier niet mee eens. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. De maatregel is op goede gronden opgelegd en de minister heeft kunnen afzien van het gebruik van een lichter middel. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Procesverloop 2. De minister heeft eiser op 24 juli 2026 op grond van artikel 59a, eerste lid, Vw in bewaring gesteld en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. 2.1. De rechtbank heeft het beroep op 31 juli 2026 en met behulp van telehoren op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum Rotterdam. De gemachtigde van eiser is verschenen op de rechtbank in Groningen. Ook is daar een tolk verschenen. De minister heeft zich op de rechtbank laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten. Beoordeling door de rechtbank 3. De minister heeft in de maatregel van bewaring overwogen dat deze wordt opgelegd omdat concrete aanwijzingen bestaan dat eiser valt onder de werkingssfeer van de Asiel- en migratiebeheerverordening en omdat er een onderduikrisico bestaat. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser: a. a) Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
d) in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat of een aan hem verstrekt visum voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor dit is verleend;
k) een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;
o) niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf;
p) zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
q) meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
r) geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s) niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. 3.1. De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Voorts heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (een lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast. Voortraject
4. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig. Grondslag
5. De rechtbank is van oordeel dat eiser valt onder de in artikel 59a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. Er bestaat een concreet aanknopingspunt voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening. 5.1. Uit Eurodac is gebleken dat eiser in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Nederland heeft daarom op 26 mei 2026 de autoriteiten van Duitsland verzocht om eiser terug te nemen. Op 28 mei 2026 zijn de autoriteiten van Duitsland hiermee akkoord gegaan.
Gronden
6. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet heeft betwist. De maatregel is gemotiveerd en er zijn ten minste twee van de gronden, bedoeld in het tweede lid van artikel 5.6, van het Vb 2000 aanwezig. Daarmee is voldaan aan de in artikel 5.6 neergelegde voorwaarde voor inbewaringstelling en is er voldoende reden om aan te nemen dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, dan wel dat hij de voorbereiding van vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De rechtbank laat de beoordeling van de individuele gronden onbesproken. Lichter middel
7. De rechtbank stelt vast dat de minister de medische omstandigheden van eiser voldoende betrokken heeft bij de oplegging van de maatregel van bewaring. Voorts oordeelt de rechtbank dat de minister heeft kunnen betrekken dat van eiser verwacht mag worden dat hij actief meewerkt aan zijn overdracht aan Duitsland en dat niet van dergelijke medewerking is gebleken. De enkele stelling van eiser dat hij de kans wil krijgen om zelfstandig te vertrekken naar Marokko is in dit kader onvoldoende, alleen al omdat eiser hiertoe reeds meermaals de gelegenheid heeft gehad. De rechtbank is ook overigens niet gebleken van omstandigheden die aanleiding geven voor het oordeel dat de bewaring onevenredig bezwarend is of dat de minister aanleiding had moeten zien eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen. Voortvarendheid
8. De minister heeft op de zitting aangekondigd dat eiser diezelfde dag aan Duitsland zal worden overgedragen. De rechtbank zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken die aanleiding vormen om te oordelen dat dit onvoldoende voortvarend is. Zicht op overdracht
9. Nu eiser onder de Asiel- en migratiebeheerverordening grondslag valt en de minister voortvarend aan de overdracht werkt bestaat er zicht op overdracht. Er zijn de rechtbank geen aanknopingspunten bekend die moeten leiden tot een andere conclusie. Conclusie
10. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is. 11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Hierna: de bewaring. Op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Vreemdelingenwet 2000. Op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Verordening (EU) 2024/1351). Vreemdelingenbesluit 2000. Zie ook Hof van Justitie van de Europese Unie, 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en Hof van Justitie van de Europese Unie, 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148 (Aroja).