Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2026:21782

Verzoek tot heroverweging / besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb / eerst bezwaar maken / niet-ontvankelijk

Rechtbank Den Haag 4 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:21782 text/xml public 2026-08-04T17:53:11 2026-08-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-08-04 NL25.58136 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Groningen Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21782 text/html public 2026-08-04T17:52:30 2026-08-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:21782 Rechtbank Den Haag , 04-08-2026 / NL25.58136
Verzoek tot heroverweging / besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb / eerst bezwaar maken / niet-ontvankelijk
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.58136
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , eiser
V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. H. Postma)

en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. mr. S.H. de Vries).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers verzoek tot heroverweging van een in rechte onaantastbaar besluit waarbij zijn aanvraag om een verblijfsvergunning regulier met als doel ‘medische behandeling’, is afgewezen. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van het verzoek tot heroverweging.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat zij onbevoegd is om van het beroep kennis te nemen, omdat eiser eerst bezwaar moet maken tegen het besluit waarbij zijn verzoek om heroverweging is afgewezen. De rechtbank overweegt daarbij ten overvloede dat de minister op het bezwaar van eiser een inhoudelijke beslissing dient te nemen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft, voor zover hier van belang, op 16 september 2019 een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier met als doel ‘medische behandeling’ ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 8 november 2019 afgewezen. Eisers bezwaren tegen dit besluit zijn in het besluit op bezwaar van 30 maart 2020 ongegrond verklaard. Het door eiser daartegen ingediende beroep is door de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, bij uitspraak van 26 maart 2021 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 14 maart 2022 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) het hoger beroep van eiser ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

3. Op 17 april 2025 heeft eiser, voor zover hier van belang, een verzoek tot heroverweging van de afwijzing van zijn aanvraag om een verblijfsvergunning regulier met als doel ‘medische behandeling’, ingediend.
3.1.
Bij besluit van 12 november 2025 heeft de minister dit verzoek afgewezen. Dit besluit kent geen rechtsmiddelenverwijzing.
3.2.
Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingediend. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
3.3.
De rechtbank heeft het beroep op 21 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank volgt de minister niet in zijn standpunt dat het besluit van 12 november 2025 geen besluit is als bedoeld in artikel 8:1 in samenhang met artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.1.
De rechtbank is met eiser van oordeel dat het besluit van 12 november 2025 een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Ingevolge artikel 1:3, derde lid, van de Awb is een aanvraag een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen. Het verzoek van eiser van 17 april 2025 betreft zo’n aanvraag. Ingevolge artikel 1:3, tweede lid, van de Awb wordt onder beschikking verstaan, een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan. Het besluit van de minister van 12 november 2025 betreft zo’n beschikking. In de onderhavige zaak faalt dan ook het standpunt van de minister dat het geen besluit betreft omdat er door de afwijzing van de aanvraag geen rechtsgevolgen zijn opgetreden. In het tweede lid van artikel 1:3 van de Awb heeft de wetgever dit immers ondervangen door een afwijzing van een aanvraag om een beschikking, waardoor inderdaad geen rechtsgevolgen optreden, desalniettemin met een besluit gelijk te stellen.
4.2.
Ingevolge artikel 8:1 van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter. Eiser kan derhalve tegen het besluit van 12 november 2025 beroep instellen. Niet is gebleken dat in de regelgeving beroep tegen het onderhavige besluit is uitgesloten.
4.3.
De rechter is echter van oordeel dat eiser ingevolge artikel 7:1, eerste lid, van de Awb eerst bezwaar moet maken voordat beroep kan worden ingesteld. Nu geen sprake is van een situatie waarin de bezwaarfase is uitgesloten en evenmin sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid, van de Awb, dient de rechtbank zich onbevoegd te verklaren en, gelet op artikel 6:15, derde lid van de Awb, het beroepschrift als bezwaarschrift door te verwijzen naar de minister. De minister dient de bezwaren van eiser tegen het primaire besluit van 12 november 2025 in de bezwaarfase te beoordelen en een besluit op bezwaar te nemen.
4.4.
Het tijdstip van indienen van het beroepschrift geldt ingevolge artikel 6:15, derde lid, van de Awb, als tijdstip van indienen van het bezwaarschrift. Het beroepschrift van eiser is tijdig ingediend op 26 november 2025, zodat de minister dit beroepschrift als een tijdig ingediend bezwaarschrift dient aan te merken.

5. Ten overvloede overweegt de rechtbank het volgende.
5.1.
De minister heeft zich in het verweerschrift en op zitting op het standpunt gesteld dat mocht er sprake zijn van een appellabel besluit, het verzoek om heroverweging op goede gronden is afgewezen. De minister wijst in dit verband op het in rechte onaantastbaar geworden besluit waarbij de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning ‘medische behandeling’ is afgewezen. Volgens de minister maakt de enkele omstandigheid dat zich, na de Afdelingsuitspraak, bepaalde wijzigingen hebben voorgedaan niet dat het in rechte onaantastbaar geworden besluit onrechtmatig is geworden. De minister wijst daarbij op de ex tunc toetsing en op de Afdelingsuitspraak van 14 maart 2022 waarin is komen vast te staan dat de minister de aan de hand van de toen geldende wet- en regelgeving correct heeft beslist.
5.2.
Op zitting is met partijen besproken of dit standpunt van de minister in rechte stand kan houden. De rechtbank betwijfelt dat en wijst in dit verband op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1759, in het bijzonder rechtsoverweging 4.8, waarin de Afdeling ten aanzien van een verzoek om heroverweging van een in rechte vaststaande afwijzing van een asielaanvraag, heeft geoordeeld dat de minister daarop een inhoudelijke beslissing moet nemen en niet zonder meer kan verwijzen naar een eerder in rechte onaantastbaar geworden afwijzing. De rechtbank ziet niet in dat dit niet zou gelden voor de wijze waarop de minister een verzoek om heroverweging van een in rechte vaststaande afwijzing van een aanvraag van een verblijfsvergunning regulier dient te beoordelen. Bovendien betreft de beoordeling in de bezwaarfase een ex nunc beoordeling, waarbij de minister ook rekening dient te houden met nieuwe feiten en omstandigheden.
5.3.
De rechtbank geeft de minister mee om in de bezwaarschriftprocedure en in de motivering van het besluit op het bezwaar het voorgaande alsmede de beroepsgronden van eiser te betrekken en daarover een standpunt in te nemen.
Conclusie en gevolgen
6. Gelet op wat onder rechtsoverweging 3 is overwogen, verklaart de rechtbank zich onbevoegd.

7. Naar het oordeel van de rechtbank komt het ten onrechte ingesteld hebben van beroep, niet voor rekening en risico van eiser, vanwege het onjuiste standpunt van de minister dat het geen besluit betreft en het ontbreken van een rechtsmiddelenclausule in het besluit van 12 november 2025. Dit heeft tot gevolg dat de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser tot een bedrag van €1868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting, met een waarde van € 934,- per punt). Eiser heeft geen griffierecht betaald.
Beslissing
De rechtbank:

- verklaart zich onbevoegd;

- veroordeelt de minister tot betaling aan eiser van € 1868,- aan proceskosten.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zaaknummer AWB 20/3496.

Zaaknummer 202102698/1/V1.

Artikel delen