ECLI:NL:RBDHA:2026:21788text/xmlpublic2026-08-05T07:33:052026-08-05Raad voor de RechtspraaknlRechtbank Den Haag2026-08-04AWB 26/8071UitspraakVoorlopige voorzieningNLRotterdamBestuursrecht; VreemdelingenrechtRechtspraak.nlhttp://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21788text/htmlpublic2026-08-05T07:31:572026-08-05Raad voor de RechtspraaknlECLI:NL:RBDHA:2026:21788 Rechtbank Den Haag , 04-08-2026 / AWB 26/8071 Voorlopige voorziening, overplaatsingsbesluit COa, verzoek toegewezen.
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: AWB 26/8071
uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 augustus 2026 in de zaak tussen
[naam verzoeker] , verzoeker V-nummers: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Simicevic), en het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, verweerder (gemachtigde: mr. K. Kana). Procesverloop1.1. Bij besluit van 18 mei 2026 is verzoeker met zijn gezin, op grond van artikel 11 van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005
(Rva 2005), formeel overgeplaatst naar het asielzoekerscentrum (AZC) in Alphen aan den Rijn. 1.2. Tegen dit besluit heeft verzoeker beroep ingesteld (AWB 26/8069). Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (AWB 26/8071). 1.3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 29 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, mr. L. Hu als waarnemer van de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van verweerder. Overwegingen Inleiding 2.1. Verzoeker en zijn gezin verblijven sinds 18 maart 2021 in de gezinslocatie van het
Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) in Katwijk (AZC in Katwijk). Deze gezinslocatie is bestemd voor gezinnen met minderjarige kinderen. Op 12 december 2023 is het jongste kind van verzoeker meerderjarig geworden. 2.2. Op 5 maart 2026 heeft het COa verzoeker en zijn gezin geïnformeerd dat zij op 11 maart 2026 zouden worden overgeplaatst naar het AZC in Alphen aan den Rijn. Vanwege technische problemen op die locatie is de overplaatsing uitgesteld. Op 15 mei 2026 zijn verzoeker en zijn gezin opnieuw geïnformeerd dat de overplaatsing doorgang kon vinden en dat zij op 18 mei 2026 moesten vertrekken naar het AZC in Alphen aan den Rijn. 2.3. Bij besluit van verweerder van 18 mei 2026 is verzoeker met zijn gezin, op grond van artikel 11 van de Rva 2005, formeel overgeplaatst naar het AZC in Alphen aan den Rijn. Daarbij is aan verzoeker medegedeeld dat de opvang niet aan de persoonlijke wensen van verzoeker kan worden aangepast. Verzoeker en zijn gezin dienen zich binnen 48 uur na de beschikking te melden op het AZC in Alphen aan den Rijn. Indien zij zich daar niet tijdig melden, eindigt het recht op Rva-verstrekkingen ingevolge artikel 7, eerste lid, sub i, van de Rva na het verstrijken van de termijn. 2.4. Bij e-mail van 18 mei 2026, gericht aan mr. N. van Bremen, kantoorgenoot van de gemachtigde van verzoeker, heeft mr. N.J. Atakan, jurist van het COa, verzoeker en zijn gezin onder meer bericht dat er niet aan persoonlijke woonwensen van bewoners kan worden voldaan, maar dat zij in dit geval zelfs tegemoet kunnen komen aan een eigen unit met douche, toilet en keuken. Daarbij is vermeld dat na 48 uur van het betreffende besluit ook de eigen unit met douche en keuken niet beschikbaar meer zal zijn aangezien het COa verantwoordelijk is voor doorplaatsing van diverse bewoners die wachten op een plek in een asielzoekerscentrum. 2.5. Op 18 mei 2026 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het besluit van 18 mei 2026 en heeft hij de voorzieningenrechter verzocht tot het treffen van een voorlopige voorziening.
Verzoeker heeft verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat het bestreden besluit wordt geschorst totdat op het beroep is beslist, althans te bepalen dat verzoeker en zijn gezin zich niet hoeven te verplaatsen naar het AZC in Alphen aan den Rijn en recht behouden op opvang en verstrekkingen op de huidige locatie totdat op het beroep is beslist. Beoordeling door de voorzieningenrechter 3.1. De voorzieningenrechter kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als tegen een besluit beroep is ingesteld en onverwijlde spoed, gelet op betrokken belangen, dat vereist. 3.2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank niet in een eventuele bodemprocedure. Besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb
4. De voorzieningenrechter ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of het overplaatsingsbesluit een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Anders dan verweerder stelt, is het overplaatsingsbesluit een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. In artikel 11, eerste lid, van de Rva 2005 is aan verweerder de bevoegdheid gegeven om te bepalen in welke opvangvoorziening een asielzoeker wordt geplaatst en is aan hem de bevoegdheid gegeven om een asielzoeker naar een andere voorziening over te plaatsen. Blijkens de toelichting op dit artikellid is – voor zover hier van belang – de beslissing van het orgaan om, indien het orgaan dit noodzakelijk acht, over te gaan tot overplaatsing van een asielzoeker een besluit ex artikel 1:3 van de Awb, en waar derhalve de beginselen van de Awb op van toepassing zijn. Tegen een overplaatsingsbesluit kunnen rechtsmiddelen worden aangewend (Staatscourant, 3 februari 2005, nr. 24, pag. 17). Spoedeisend belang
5. De voorzieningenrechter oordeelt dat sprake is van onverwijlde spoed. Ter zitting is gebleken dat verweerder een ontruimingsprocedure is gestart tegen verzoeker en zijn gezin. Verweerder heeft zich genoodzaakt gezien de ontruiming via een gerechtelijke procedure te bewerkstelligen. De mondelinge behandeling van die zaak heeft plaatsgevonden op 23 juli 2026 bij de rechtbank Den Haag en de uitspraak zal op 6 augustus 2026 volgen. Verzoeker en zijn gezin kunnen dan uit het AZC in Katwijk worden geplaatst. Belangenafweging
6. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het besluit van 18 mei 2026, omdat deze spoedprocedure zich daar niet voor leent. De voorzieningenrechter beperkt zich daarom tot een belangenafweging. Deze valt in het voordeel van verzoeker uit. 6.1. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om te bepalen dat hij en zijn gezin het recht behouden op opvang en verstrekkingen op het AZC in Katwijk en zich niet hoeven te verplaatsen naar het AZC in Alphen aan den Rijn totdat op het beroep is beslist. Uit het bestreden besluit van 18 mei 2026 volgt dat verzoeker en zijn gezin zich binnen 48 uur na uitreiking van de beschikking moesten melden op het AZC in Alphen aan den Rijn en dat de opvang niet aan de persoonlijke wensen van verzoeker kon worden aangepast. Op dezelfde dag is verzoeker per e-mail bericht dat het COa tegemoet heeft kunnen komen aan de wensen van verzoeker voor een eigen unit met douche, toilet en keuken en dat ook dit aanbod na 48 uur niet meer beschikbaar zal zijn. Ter zitting is toegelicht dat de dochter van verzoeker op 18 of 19 mei 2026 langs is geweest bij het AZC in Alphen aan den Rijn. Daar heeft een COa-medewerker aan haar medegedeeld dat zij geen recht hebben op een eigen unit met sanitaire voorzieningen. Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij er daarom geen vertrouwen in heeft dat zijn gezin daadwerkelijk een eigen unit zal krijgen. Gedurende het eerste deel van de zitting heeft verweerder echter verzoeker en zijn gezin verzekerd dat zij een eigen woonruimte en eigen sanitaire ruimte zullen krijgen in het AZC in Alphen aan den Rijn. Hierbij is verwezen naar de e-mail van mr. N.J. Atakan van 18 mei 2026 en naar het verweerschrift waarin volgens verweerder zwart op wit staat dat verzoekers hier recht op hebben. Gelet op de reactie van verzoeker ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder halverwege de zitting contact opgenomen met de landsadvocaat die betrokken is bij de ontruimingsprocedure. De landsadvocaat heeft volgens verweerder daarbij meegedeeld dat verzoeker en zijn gezin niet binnen 48 uur na het besluit van 18 mei 2026 naar het AZC in Alphen aan den Rijn zijn verhuisd, waardoor dat aanbod niet meer geldt.
De voorzieningenrechter overweegt dat het bestreden besluit en de e-mail van 18 mei 2026 tegenstrijdige informatie bevatten. Niet valt uit te sluiten dat het AZC in Alphen aan den Rijn er niet mee bekend was dat aan verzoeker en zijn gezin was toegezegd dat zij op 18 mei 2026 een eigen unit met sanitaire voorzieningen zouden krijgen. Ook ter zitting is tegenstrijdige informatie verstrekt of verzoeker en zijn gezin wel of niet een eigen unit met sanitaire voorzieningen zullen krijgen. De voorzieningenrechter begrijpt dat het COa te maken heeft met een tekort aan opvangplaatsen, maar gelet op de onzorgvuldige en onduidelijke gang van zaken, de medische omstandigheden van verzoeker en zijn gezin en omdat verzoeker in augustus 2026 weer geopereerd zal worden, ziet de voorzieningenrechter voldoende reden om te bepalen dat verzoeker en zijn gezin voorlopig in het AZC in Katwijk mogen blijven, omdat het belang van een opvangplek voor verzoeker en zijn gezin zwaarder weegt dan het belang van verweerder. Conclusie en gevolgen 7. De belangenafweging valt in het voordeel van verzoeker uit. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening daarom toewijzen en de voorlopige voorziening treffen dat verzoeker en zijn gezin het recht behouden op opvang en de Rva-verstrekkingen in het AZC in Katwijk totdat op het beroep is beslist. 8. Omdat het verzoek van verzoeker wordt toegewezen, ziet de voorzieningenrechter aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van verzoeker. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, vastgesteld op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- bepaalt bij wijze van een voorlopige voorziening dat verzoeker en zijn gezin in het AZC in Katwijk mogen verblijven, totdat uitspraak is gedaan op het beroep in de zaak met nummer AWB 26/8069;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.868,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2026. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Dat staat in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De versie die gold ten tijde van het besluit van 18 mei 2026.