Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2026:21803

Dublin, Duitsland

Rechtbank Den Haag 5 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:21803 text/xml public 2026-08-05T10:52:00 2026-08-05 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-06-30 NL26.14735 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21803 text/html public 2026-08-05T10:51:28 2026-08-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:21803 Rechtbank Den Haag , 30-06-2026 / NL26.14735
Dublin, Duitsland

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.14735
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen
<?linebreak?> [eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. G.J. van der Graaf),

en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. F.E.J. Evers).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 16 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 3 juni 2026 op zitting behandeld, samen met het verzoek van eiser tot het treffen van een voorlopige voorziening. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
2.1.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Totstandkoming van het besluit

3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.

De beroepsgronden en de beoordeling daarvan door de rechtbank

4. Eiser stelt op grond van zijn persoonlijke omstandigheden bezwaren te hebben tegen zijn overdracht aan Duitsland. Eiser voert in dit verband aan dat hij op religieuze wijze is gehuwd met een Nederlandse partner en dat hij verblijf bij haar en haar kinderen uit een eerdere relatie beoogt. Bovendien is zijn partner momenteel zwanger van hem. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn relatie bij de zienswijze enkele bewijsstukken overgelegd. Eiser betoogt dat de minister niet gemotiveerd heeft waarom deze stukken onvoldoende bewijs zijn van een duurzame relatie tussen eiser en zijn partner. Daarnaast heeft de minister de verklaring van de zorgcoördinator, die volgens eiser objectief is en ook relevante feiten en professionele oordelen bevat, niet beoordeeld in het besluit. De minister heeft verder niet uitgelegd waarom het belangrijk is of eiser de biologische of juridische vader is van het ongeboren kind van zijn partner. Eiser erkent verder dat het weliswaar juist is dat hij als partner en stiefvader niet de enige is die binnen het gezin van zijn partner zorg kan verlenen, maar volgens hem is het onjuist om te concluderen dat hij geen unieke rol vervult in dat gezin. Alleen hij kan emotionele steun en affectieve banden bieden. Verder voert eiser nog aan dat ook zijn bekering tot het christendom relevant is voor de beoordeling van zijn aanvraag. Eisers bekering, die samenhangt met een asielmotief met betrekking tot Egypte, belemmert zijn terugkeer naar Egypte om van daaruit een mvv-aanvraag voor gezinshereniging in te dienen. Eiser geeft bovendien aan dat het na overdracht aan Duitsland onwaarschijnlijk is dat hij snel een verblijfsvergunning zal verkrijgen. Ook wijst hij erop dat hij naar verwachting in Duitsland geen mvv-aanvraag kan indienen zolang zijn asielaanvraag nog in Duitsland in behandeling is. Gelet op al deze bijzondere, individuele omstandigheden, betoogt eiser dat het van onevenredige hardheid getuigt om hem over te dragen aan Duitsland. Eiser doet een beroep op artikel 17 van de Dublinverordening.
4.1.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat Duitsland op grond van de Dublinverordening in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag. Tussen partijen is ook niet in geschil dat voor Duitsland zowel in het algemeen als voor eiser persoonlijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Voor zover eiser vreest dat hij door Duitsland uitgezet zal worden naar Egypte, in welk land hij te vrezen heeft vanwege zijn bekering tot het Christendom, zijn partijen het er verder over eens dat eiser zijn vrees voor indirect refoulement naar Egypte in Duitsland kan aankaarten.

Had de minister toepassing moeten geven aan artikel 16, eerste lid van de Dublinverordening?

5. Voor zover in de stellingen van eiser mede een beroep op artikel 16 van de Dublinverordening moet worden gelezen, overweegt de rechtbank het volgende.
5.1.
Artikel 16, eerste lid, van de Dublinverordening bepaalt dat wanneer een verzoeker vanwege bijvoorbeeld zwangerschap, een pasgeboren kind, ernstige ziekte, handicap of hoge leeftijd afhankelijk is van de hulp van zijn kind, broer, zus of ouder die legaal in een lidstaat verblijft – of andersom – de lidstaten er in principe voor zorgen dat de verzoeker bij deze familielid kan blijven of met hem wordt herenigd. Dit geldt onder de voorwaarden dat er al familiebanden bestonden in het land van herkomst, dat degene die zorg nodig heeft daadwerkelijk verzorgd kan worden, en dat alle betrokkenen schriftelijk hebben aangegeven dit te willen.
5.2.
Hoewel de wens van eiser om bij zijn zwangere partner en haar kinderen te verblijven heel begrijpelijk is, is de rechtbank van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat hij de aanvraag op grond van artikel 16 van de Dublinverordening niet aan zich had hoeven te trekken. Tussen partijen is immers niet in geschil dat de relatie tussen eiser en zijn partner nog niet bestond in het land van herkomst, deze is namelijk pas ontstaan in Nederland. Daarnaast is niet gebleken dat eiser en zijn partner gezinsleden zijn in de zin van artikel 2, onder g, van de Dublinverordening. De minister heeft daarbij mogen betrekken dat eiser geen bewijsstukken heeft overgelegd van een huwelijk dat volgens Nederlandse wetgeving rechtsgeldig is en dat het islamitische huwelijk dat eiser heeft genoemd juridisch niet wordt erkend als een officieel huwelijk. Alleen al hierom is artikel 16 van de Dublinverordening niet op eiser van toepassing. Maar nog afgezien hiervan heeft de minister zich ook terecht op het standpunt gesteld dat van een afhankelijkheid in de zin van artikel 16 van de Dublinverordening geen sprake is dan wel dat eiser de gestelde afhankelijkheid onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. De minister heeft in dit verband terecht gewezen op het feit dat eiser en zijn partner elkaar nog maar een zeer korte tijd kennen en dat niet is gebleken dat eiser in deze relatief zeer korte periode een ondersteunende rol heeft vervuld, laat staan dat de ondersteuning en begeleiding alleen maar door hem zou kunnen worden verleend. Voor zover eiser in beroep stelt dat de minister ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 16 van de Dublinverordening, slaagt dit betoog dus niet.
5.3.
In geschil is dus nog uitsluitend of de minister aanleiding had moeten zien om eisers asielaanvraag onverplicht in behandeling te nemen op grond van eisers individuele omstandigheden.

Had de minister toepassing moeten geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening?

6. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening kan de minister een asielaanvraag onverplicht aan zich trekken. De minister kan van deze bevoegdheid gebruik maken als sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden waardoor een overdracht van onevenredige hardheid getuigt. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht heeft geoordeeld dat in het geval van eiser dergelijke bijzondere omstandigheden ontbreken. Allereerst heeft de minister ook in dit verband mogen betrekken dat tussen eiser en zijn partner geen sprake is van een rechtsgeldig huwelijk volgens Nederlands recht, noch van een duurzame relatie die kwalificeert als gezinsverband in de zin van de Dublinverordening. De minister heeft die conclusie mogen baseren op de tegenstrijdige verklaringen van eiser zelf. Enerzijds heeft eiser verklaard dat hij sinds eind [maand] 2025 met zijn partner is getrouwd, terwijl hij anderzijds ook heeft verklaard dat hij zijn partner pas in [maand] 2026 fysiek heeft ontmoet. Daarbij woonde eiser naar eigen zeggen tot medio januari 2026 in Italië en kon hij ook geen gedetailleerde uitleg geven over de vermeende huwelijkssluiting. Dit wekt twijfel over de duur en aard van de gestelde relatie. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister in het bestreden besluit en aangevuld te zitting, voldoende heeft gemotiveerd dat eiser de gestelde medische problematiek bij de kinderen van eisers partner niet met objectieve medische gegevens heeft onderbouwd. Evenmin is gebleken dat de partner van eiser zelf niet in staat zou zijn om de zorg voor de kinderen voort te zetten, zoals zij altijd zelfstandig heeft gedaan. De omstandigheid dat zij momenteel zwanger is van eiser, kan niet tot een ander oordeel leiden. Eiser beroept zich weliswaar op de door hem overgelegde e-mail van de zorgcoördinator, maar zoals de minister op zitting terecht heeft opgemerkt is niet duidelijk of de zorgcoördinator uitspaken kan doen over de gestelde zorgbehoefte van eisers partner en haar kinderen. Over de stelling van eiser dat persoonlijk contact met zijn partner en haar kinderen na overdracht aan Duitsland feitelijk onmogelijk wordt, heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt mogen stellen dat dit geen bijzondere omstandigheid oplevert. Het contact dat eiser nu onderhoudt kan ook na overdracht worden voortgezet. Hoewel eiser in zijn stelling kan worden gevolgd dat overdracht praktische gevolgen kan hebben voor de frequentie van het persoonlijk contact, is dat op zichzelf onvoldoende om te concluderen dat dit leidt tot een wezenlijke en onherstelbare aantasting van de gezinsband. Verder is de Dublinverordening, zoals de minister terecht in zijn besluitvorming heeft betrokken, niet bedoeld als een zelfstandig instrument om op reguliere gronden verblijf te verkrijgen bij familie- of gezinsleden in Nederland. Hiervoor bestaan andere juridische regelingen en procedures.
6.1.
De rechtbank komt daarom tot de slotsom dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser geen bijzondere, individuele omstandigheden heeft aangevoerd die op zichzelf of in onderlinge samenhang maken dat overdracht naar Duitsland van onevenredige hardheid getuigt. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.C.L.J. Verhoeven, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Met zaaknummer NL26.14736.

Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

Zoals foto’s van ID bewijzen van de kinderen van zijn partner, foto’s van eiser met zijn partner in een feestelijke setting en een e-mail van [maand] 2026 van een zorgcoördinator die benadrukt dat het belangrijk is voor het welzijn van eisers partner dat hij haar en de kinderen ondersteunt.

Slechts drie tot vier – en – een halve maand.

Zie pagina 5 van het aanmeldgehoor

Zie pagina 9 van het aanmeldgehoor.

Artikel delen