Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2026:21830

Executiegeschil. Afwijzing vordering tot opheffing executoriaal beslag op onroerende zaak. Samenhang met C/09/704959 KG ZA 26/496

Rechtbank Den Haag 5 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:21830 text/xml public 2026-08-05T15:10:07 2026-08-05 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-07-01 C/09/705910 / KG ZA 26/556 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig Kort geding NL Den Haag Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21830 text/html public 2026-08-05T15:09:42 2026-08-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:21830 Rechtbank Den Haag , 01-07-2026 / C/09/705910 / KG ZA 26/556
Executiegeschil. Afwijzing vordering tot opheffing executoriaal beslag op onroerende zaak. Samenhang met C/09/704959 KG ZA 26/496
Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/705910 / KG ZA 26/556

Vonnis in kort geding van 1 juli 2026

in de zaak van

[eiser] te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. M.Z.D. Nasrullah te Den Haag,

tegen:

CREDIT RETRIEVE COMPANY B.V. te Rotterdam,

gedaagde,

verschenen in de personen van de heer [naam 1] en de heer [naam 2] .

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘CRC’.
<nr>1</nr>De procedure 1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 5 juni 2026 met producties 1 tot en met 5;

- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 7;

- de op 12 juni 2026 van de zijde van [eiser] overgelegde producties 6 tot en met 15;

- de op 15 juni 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door de advocaat van [eiser] pleitnotities zijn overgelegd.
1.2.
De mondelinge behandeling in deze procedure heeft gelijktijdig plaatsgehad met de mondelinge behandeling in de zaak met zaaknummer C/09/704959 / KG 26/496 tussen [eiser] en [naam 3] (randnummer 2.2). Tijdens de zitting is in die zaak vonnis bepaald op vandaag.
1.3.
Tijdens de zitting is vonnis (in deze zaak) bepaald op vandaag.
<nr>2</nr>De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
[eiser] is gehuwd met [naam 4] . Uit door [eiser] overgelegde huwelijkse voorwaarden blijkt dat [eiser] en [naam 4] zijn gehuwd in een gemeenschap bestaande uit het pand [adres] (de woning) met toebehoren met de daarop rustende (hypothecaire) schulden en dat elke andere gemeenschap is uitgesloten. In het Kadaster staat alleen [eiser] als eigenaar van de woning vermeld. ING Bank (ING) heeft voor de woning hypothecaire financieringen verstrekt. ING Bank (ING) heeft voor de woning hypothecaire financieringen verstrekt. Per 10 juni 2026 bedraagt de hypotheekschuld van [eiser] bij ING € 1.037.905,92.
2.2.
Bij vonnis van 10 december 2014 (het vonnis) heeft de rechtbank Den Haag [eiser] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 60.433,32 te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 15 september 2011 aan [naam 3] . Ook is [eiser] in de proceskosten veroordeeld. Het gerechtshof Den Haag heeft het vonnis bij arrest van 12 april 2016 (het arrest) bekrachtigd.
2.3.
Op 2 mei 2016 heeft [naam 3] op grond van het arrest executoriaal beslag laten leggen op de woning voor een vordering van € 81.033,56 exclusief reeds vervallen en nog te vervallen rente en kosten. Dit beslag is ingeschreven in de openbare registers.
2.4.
Op 27 augustus 2019 heeft [naam 3] zijn vordering op [eiser] verkocht en overgedragen aan Credit Retrieve Company B.V. (CRC).
2.5.
Tussen [eiser] enerzijds en [naam 3] en CRC anderzijds is een procedure aanhangig geweest bij de rechtbank Den Haag waarin [eiser] een verklaring voor recht heeft gevorderd dat hij aan ofwel [naam 3] ofwel CRC onverschuldigd heeft betaald. De rechtbank heeft de vordering bij mondelinge uitspraak van 14 juli 2025 (het mondeling vonnis) afgewezen. In het proces-verbaal dat van de uitspraak is gemaakt staat onder meer het volgende opgenomen:

“2.7. (…) Het is aan [eiser] om bij het instellen van een dergelijke vordering deugdelijk, concreet en onderbouwd te stellen dat hij enig bedrag heeft betaald aan CRC of [naam 3] en dat die betaling zonder rechtsgrond is geweest. Dit heeft [eiser] niet gedaan. In de dagvaarding heeft [eiser] zich beperkt tot de algemene juridische stelling dat hij niet aan CRC en [naam 3] hoeft te betalen en de feitelijke stelling dat beiden de vorderingen innen.
2.8.
Dat [eiser] niet aan beiden hoeft te betalen, is juist. De cessie brengt namelijk met zich dat [eiser] sindsdien uitsluitend gehouden is om aan CRC te betalen en dat hij niet langer aan [naam 3] hoeft te betalen. [eiser] heeft niet uitgelegd waarom betalingen aan CRC onverschuldigd zijn geweest. Nu destijds geen cassatie is ingesteld, is het arrest van het gerechtshof van 2016 in kracht van gewijsde gegaan. Dat op dit moment een procedure tot herroeping bij het gerechtshof loopt doet daar, zolang het arrest niet vernietigd is, niets aan af.”
2.6.
CRC heeft twee executoriale beslagen op de woning laten leggen:

op 12 september 2025, ingeschreven onder Hyp3 [nummer 1] ; en

op 30 september 2025, ingeschreven onder Hyp3 [nummer 2] .

Het beslag dat op 12 september 2025 is gelegd is gedaan uit kracht van het mondelinge vonnis en strekt tot executie van de proceskostenveroordeling. Het beslag dat op 30 september 2025 is gelegd, is gedaan uit kracht van het vonnis (en het arrest). Aan het betalingsbevel dat [eiser] is gedaan heeft hij geen gevolg gegeven.
2.7.
[eiser] heeft hoger beroep ingesteld tegen het mondeling vonnis, maar het griffierecht niet betaald. Het hof heeft bij arrest van 21 april 2026 CRC en [naam 3] ontslagen van deze instantie.
2.8.
Bij brief van 9 juni 2026 heeft ING [eiser] bericht dat er een betalingsachterstand is ontstaan door taxatiekosten op grond van de algemene voorwaarden van ING, dat er beslagen rusten op de woning en dat ING, als verstrekker van de hypothecaire financieringen, de woning via een veilingprocedure gaat verkopen en dat zij de woning in dat kader heeft getaxeerd. ING heeft verder meegedeeld dat de beslagen een tekortkoming in de nakoming van de hypotheekverplichting zijn en dat zij [eiser] ruimschoots de gelegenheid heeft gegeven om zijn problemen met de beslagleggers op te lossen. ING maakt er daarbij melding van dat er sprake is van een beslaglegger die actief aandringt op een gedwongen verkoop. Ten aanzien van de stelling van [eiser] dat sprake is van een onverdeelde helft van de echtelijke woning stelt ING dat zij dat niet kan plaatsen en dat het mogelijk is geweest dat dit bij aangaan van het huwelijk het voornemen is geweest, maar dat [eiser] heeft verzuimd om dit in het Kadaster te laten opnemen zodat ING ervan uitgaat dat [eiser] de enige eigenaar van de woning is. ING meldt daarbij dat een veilingprocedure wordt opgeschort als (onder meer) is voldaan aan de voorwaarde dat alle beslagleggers schriftelijk bevestigen dat de beslagen zullen worden doorgehaald in het Kadaster of dat ze op dit moment geen executie wensen.
2.9.
De WOZ-waarde van de woning bedraagt per peildatum 1 januari 2025 € 1.263.000. ING heeft een geveltaxatie van de woning laten uitvoeren. ING hanteert als waarde voor de woning per peildatum 13 november 2025 het bedrag van € 1.300.000.
2.10.
[eiser] heeft een taxatierapport betreffende de woning overgelegd van MTV Makelaardij van 5 mei 2026. MTV Makelaardij heeft de waarde van de woning in geval van een gedwongen (executoriale) verkoop getaxeerd. De marktwaarde is per 31 maart 2026 getaxeerd op € 1.200.000 en de opbrengst van een executieveiling is op ‘vermoedelijk’ € 1.000.000 bepaald.
<nr>3</nr>Het geschil 3.1.
[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. CRC te veroordelen om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis mee te werken aan de opheffing en doorhaling van de door haar gelegde executoriale beslagen op de onroerende zaak [adres] , kadastraal bekend [kadastraal nummer] , te weten:

- beslag d.d. 12 september 2025, ingeschreven onder Hyp 3 [nummer 1]

- beslag d.d. 30 september 2025, ingeschreven onder Hyp 3 [nummer 2]

II. CRC te bevelen zich, vanaf de betekening van het te wijzen vonnis, te onthouden van iedere verdere mededeling, aandrang of verzoek aan ING Bank N.V. die strekt tot, of redelijkerwijs kan bijdragen aan, de uitwinning van het hypotheekrecht op de woning aan de [adres] , op straffe van verbeurte van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 5.000 per overtreding en € 1.000 per dag waarop de overtreding voortduurt, met een maximum van € 250.000;

III. CRC te veroordelen in de kosten van het geding, de nakosten daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan.

Als de herzieningsprocedure die [eiser] tegen het vonnis en het arrest is gestart succesvol zal zijn, komt daarmee de grondslag van de vordering van CRC te vervallen. Verder geldt dat het verhaalsrecht van CRC zich niet uitstrekt tot de gehele woning, maar slechts tot zijn onverdeelde aandeel van [eiser] daarin nu hij met [naam 4] onder huwelijkse voorwaarden is gehuwd. De schuld van [eiser] betreft een privéschuld die geen betrekking heeft op de beperkte gemeenschap. Verder geldt dat de executiewaarde van de woning lager ligt dan de hypotheekschuld van [eiser] , zo volgt uit het rapport van MTV Makelaardij en ook een taxatierapport van Makelaarskantoren [bedrijfsnaam] , die de executiewaarde van de woning heeft getaxeerd op € 990.000. Omdat na aftrek van de hypotheekschuld geen opbrengst voor CRC resteert maakt CRC misbruik van haar executiebevoegdheid door het beslag te handhaven en bij ING aan te dringen op executoriale verkoop. [eiser] hoeft deze executie niet te dulden en CRC handelt onrechtmatig door desondanks over te gaan tot executie.
3.3.
CRC voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
<nr>4</nr>De beoordeling van het geschil 4.1.
De stelling van [eiser] dat als de herzieningsprocedure die hij is gestart tegen het vonnis en het arrest slaagt, de grondslag aan de vordering van CRC ontvalt, kan niet tot toewijzing van het gevorderde leiden. Op de uitkomst van een herzieningsprocedure kan niet vooruit worden gelopen. Op dit moment is de stand van zaken dat het gerechtshof Den Haag met het arrest het vonnis heeft bekrachtigd, zodat CRC, die de vordering van [naam 3] heeft overgenomen, over een rechtsgeldige executoriale titel beschikt.
4.2.
[eiser] stelt verder dat de woning waarop CRC beslag heeft laten leggen voor een onverdeelde helft eigendom is van [naam 4] , zodat executie van de gehele woning haar eigendomsrecht zou schenden en dus onrechtmatig is. De voorzieningenrechter volgt [eiser] hierin niet. CRC voert terecht aan dat bepalingen in huwelijksvoorwaarden geen goederenrechtelijke werking hebben en dat voor het verkrijgen van mede-eigendom een overdracht op grond van artikel 3:89 Burgerlijk Wetboek (BW) vereist is. Daarvan is niets gebleken. Ook ING heeft de advocaat van [eiser] bij brief van 9 juni 2026 bericht dat het Kadaster, waaruit blijkt dat [eiser] alleen eigenaar is van de woning, leidend is.
4.3.
Dat CRC door het beslag te handhaven misbruik zou maken van haar bevoegdheid, zoals [eiser] stelt, is tot slot eveneens niet aan de orde. Daarvan kan pas sprake zijn als CRC, mede gelet op de belangen aan de zijde van [eiser] , geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij handhaving van haar beslag. Nog los van het feit dat het ING is die [eiser] de executieverkoop heeft aangezegd – weliswaar op aandringen van CRC als beslaglegger – is er geen sprake van dat CRC bij handhaving van het beslag geen in redelijkheid te respecteren belang heeft. [eiser] stelt dat de opbrengst van de woning in geval van een executieverkoop onmiskenbaar te weinig zal opbrengen om naast ING ook CRC te kunnen betalen. Hij voert aan dat de executiewaarde van de woning door MTV Makelaardij op € 1.000.000 is getaxeerd en door Makelaarskantoren [bedrijfsnaam] op € 990.000. Daarmee zou naast ING, waar nog een lening van [eiser] van € 1.037.905,92 uitstaat, geen verhaal voor CRC mogelijk zijn, aldus [eiser] . De voorzieningenrechter volgt [eiser] hierin niet. CRC heeft aangevoerd dat uit het door [eiser] overgelegde taxatierapport blijkt dat de marktwaarde van de woning per 28 april 2026 € 1.200.000 bedraagt. De WOZ-waarde per 1 januari 2025 is vastgesteld op € 1.263.000. Met CRC oordeelt de voorzieningenrechter dat allerminst uitgesloten kan worden dat een executieverkoop (of een mogelijke onderhandse verkoop op grond van artikel 3:268 lid 2 BW) met zich brengt dat naast ING ook (deels) CRC uit de opbrengst kan worden voldaan. De situatie dat CRC misbruik zou maken door handhaving van haar beslag omdat er geen reëel uitzicht is op (gedeeltelijke) voldoening, is niet aan de orde. Dat betekent dat de vorderingen onder I en II worden afgewezen. Dat executoriale verkoop onmiskenbaar ingrijpende gevolgen zal hebben voor [eiser] en zijn echtgenote leidt niet tot een ander oordeel. Daarbij weegt mee dat niet gebleken is dat [eiser] al die jaren ooit iets heeft afgelost van zijn schuld aan [naam 3] /CRC, maar wel al die jaren een bijzonder hoge hypotheeklast heeft kunnen dragen. Het heeft er dus alle schijn van dat [eiser] er bewust voor heeft gekozen niet (deels) te betalen en hij zal nu de consequenties daarvan hebben te dragen.
4.4.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Voor een veroordeling in de werkelijk gemaakte proceskosten, zoals door CRC is gevraagd, kan volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad alleen plaats zijn in buitengewone omstandigheden, waarbij moet worden gedacht aan misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Een gevoerd verweer kan pas misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen opleveren, als het verweer, gelet op de evidente ongegrondheid daarvan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Dat is het geval als het verweer is gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan gedaagde de onjuistheid kende of hoorde te kennen, of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter.

De voorzieningenrechter oordeelt dat onder de gegeven omstandigheden geen sprake is van misbruik van procesrecht van de zijde van [eiser] . [eiser] wordt veroordeeld in de geliquideerde proceskosten. De proceskosten van CRC worden begroot op:

- griffierecht € 735

- nakosten € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de

beslissing)

Totaal € 924
<nr>5</nr>De beslissing
De voorzieningenrechter:
5.1.
wijst de vorderingen af;
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 924, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.3.
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026. Bij afwezigheid van mr. Glass is dit vonnis ondertekend door mr. T.F. Hesselink, voorzieningenrechter, die het vonnis uitsprak.

ddg

Artikel delen