Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

ECLI:NL:RBDHA:2026:21835

Bewaring, 59a, ongegrond.

Rechtbank Den Haag 5 August 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2026:21835 text/xml public 2026-08-05T15:46:43 2026-08-05 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Den Haag 2026-08-05 NL26.42074 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Groningen Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:21835 text/html public 2026-08-05T15:44:50 2026-08-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBDHA:2026:21835 Rechtbank Den Haag , 05-08-2026 / NL26.42074
Bewaring, 59a, ongegrond.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.42074
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], V-nummer: [v-nummer], eiser,
(gemachtigde: mr. E. El Assrouti),

en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: L. Ploeger).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring aan eiser. Eiser is het hier niet mee eens. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. De maatregel is op goede gronden opgelegd en de minister heeft kunnen afzien van het gebruik van een lichter middel. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. De minister heeft eiser op 26 juli 2026 op grond van artikel 59a, eerste lid, Vw in bewaring gesteld en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.1.
De rechtbank heeft het beroep op 31 juli 2026 en met behulp van telehoren op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum Rotterdam. De gemachtigde van eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Op de rechtbank is een tolk verschenen. De minister heeft zich op de rechtbank laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
3. De minister heeft in de maatregel van bewaring overwogen dat deze wordt opgelegd omdat concrete aanwijzingen bestaan dat eiser valt onder de werkingssfeer van de Asiel- en migratiebeheerverordening en omdat er een onderduikrisico bestaat. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:

a. a) Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;

c) niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;

e) zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;

p) zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;

r) geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s) niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3.1.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Voorts heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (een lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
3.2.
De minister heeft op de zitting grond e) laten vallen.

Voortraject

4. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.

Grondslag

5. De rechtbank is van oordeel dat eiser valt onder de in artikel 59a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. Er bestaat een concreet aanknopingspunt voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening.
5.1.
Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 30 september 2021 in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Nederland heeft daarom op 27 juli de autoriteiten van Duitsland verzocht om betrokkene terug te nemen op grond van artikel 13 van de Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2055. Op 28 juli zijn de autoriteiten van Duitsland hiermee akkoord gegaan.

Gronden

6. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet heeft betwist. De maatregel is gemotiveerd en er zijn ten minste twee van de gronden, bedoeld in het tweede lid van artikel 5.6, van het Vb aanwezig. Daarmee is voldaan aan de in artikel 5.6 Vb neergelegde voorwaarde voor inbewaringstelling en is er voldoende reden om aan te nemen dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, dan wel dat hij de voorbereiding van vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De rechtbank laat de beoordeling van de individuele gronden onbesproken.

Lichter middel

7. De rechtbank stelt vast dat de minister de medische omstandigheden van eiser voldoende betrokken heeft bij de oplegging van de maatregel van bewaring. Voorts oordeelt de rechtbank dat de minister heeft kunnen betrekken dat eiser heeft verklaard slechts voor een maand naar Duitsland te willen om te werken en dat hij in mei 2026 al eens eerder aan Duitsland is overgedragen. De omstandigheid dat eiser een zolder zou huren en bereid zou zijn zich te houden aan een meldplicht, doet hier niet aan af. De rechtbank ook overigens niet is gebleken van omstandigheden die aanleiding geven voor het oordeel dat de bewaring onevenredig bezwarend is of dat de minister aanleiding had moeten zien eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen.

Voortvarendheid

8. De minister heeft op dag 2 van de inbewaringstelling de Duitse autoriteiten verzocht eiser terug te nemen. De rechtbank zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken die aanleiding vormen om te oordelen dat dit onvoldoende voortvarend is.

Zicht op overdracht

9. Nu eiser onder de Asiel- en migratiebeheerverordening grondslag viel, de minister voortvarend aan de overdracht werkte en de rechtbank anderzijds geen aanknopingspunten heeft dat gedurende de inbewaringstelling al duidelijk is dat overdracht uiteindelijk niet zal plaatsvinden, heeft de rechtbank geen aanknopingspunten om te oordelen dat zicht op overdracht ontbreekt.

Conclusie

10. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is.

11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Hierna: de bewaring.

Op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

Vreemdelingenwet 2000.

Op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

Verordening (EU) 2024/1351).

Vreemdelingenbesluit 2000.

Proces-verbaal van gehoor, p. 6.

Zie ook Hof van Justitie van de Europese Unie, 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en Hof van Justitie van de Europese Unie, 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148 (Aroja).

Artikel delen